Chapter, Verse
1 1, 24| maar de lippen van velen zullen zijn verstand verhalen.~
2 2, 18| 18 Die de Here vrezen, zullen zijn woorden niet ongehoorzaam
3 2, 18| en die Hem liefhebben, zullen zijn wegen bewaren.~
4 2, 20| 20 Die hem liefhebben, zullen van zijn wet verzadigd worden.~
5 3, 17| schoon weder het ijs, zo zullen uw zonden versmelten.~
6 3, 29| genezing; zijn aanslagen zullen ontworteld worden, want
7 4, 13| vroeg opmaken tot haar, zullen met verheuging vervuld worden.~
8 4, 15| 15 Die haar dienen, die zullen de heilige dienen, en die
9 4, 17| beërven, en zijn nakomelingen zullen in bezitting blijven.~
10 6, 16| levens, en die de Here vrezen zullen hem vinden.~
11 6, 17| want naar dat hij is, zo zullen ook zijn naasten zijn.~
12 6, 30| 30 En haar boeien zullen u zijn tot een sterke bescherming,
13 8, 8 | gedenk dat wij allen sterven zullen.~
14 9, 15| tot in de hel toe niet, zullen gerechtvaardigd worden.~
15 10, 28| Een verstandige huisknecht zullen de vrijen dienen; en een
16 11, 24| te behagen, en voor wie zullen nu voortaan mijn goederen
17 14, 4 | voor anderen, en vreemden zullen van zijn goederen lekker
18 15, 7 | 7 Onverstandige mensen zullen haar niet begrijpen.~
19 15, 8 | 8 Zondaars zullen haar geenszins zien; zij
20 16, 18| aarde, en hetgeen daarin is, zullen in zijn bezoeking bewogen
21 16, 28| 28 En tot in eeuwigheid zullen zij zijn woord niet ongehoorzaam
22 17, 8 | 8 En de uitverkorenen zullen de naam zijner heiligmaking
23 17, 13| 13 Hun wegen zullen niet verborgen zijn voor
24 19, 3 | 3 Die zullen de maden en wormen tot erfdeel
25 19, 18| doen wat hem behagelijk is, zullen de boom der onsterfelijkheid
26 20, 17| menigmaal, en hoe velen zullen hem bespotten! want hij
27 20, 25| steeds liegt, maar beiden zullen zij de verderfenis beërven.~
28 23, 7 | een schimper en hovaardige zullen zich daaraan stoten.~
29 23, 14| 14 Want al deze dingen zullen verre zijn van de godvrezende,
30 23, 14| van de godvrezende, en zij zullen in de zonden niet ingewikkeld
31 23, 32| 32 Haar zonen zullen geen wortel uitspreiden,
32 23, 32| uitspreiden, en de takken van haar zullen geen vrucht dragen.~
33 23, 34| 34 En de nagelatenen zullen bekennen, dat er niets beter
34 24, 24| 24 Die mij eten, zullen niet hongeren, en die mij
35 24, 24| hongeren, en die mij drinken, zullen niet dorsten.~
36 24, 25| en die naar mij arbeiden zullen niet zondigen.~
37 26, 22| 22 Zo zullen uw vruchten overblijvende,
38 27, 30| de val der godvrezenden zullen in een strik gevangen worden,
39 28, 2 | dan zult gebeden hebben, zullen u uw zonden vergeven worden.~
40 28, 25| hebben, en door haar vlam zullen zij niet verbranden.~
41 28, 26| 26 Die de Here verlaten, zullen in haar vallen en in hen
42 31, 9 | 9 Wie is deze? en wij zullen hem zalig prijzen; want
43 31, 11| 11 Daarom zullen zijn goederen bevestigd
44 32, 15| zich vroeg tot Hem maken, zullen vinden wat hun wel behaagt.~
45 32, 17| 17 Die de Here vrezen, zullen vinden dat recht is, en
46 32, 17| vinden dat recht is, en zullen gerechtigheden aansteken
47 36, 19| allen die op aarde wonen zullen bekennen dat gij een Here
48 37, 25| en allen die hem zien, zullen hem gelukzalig prijzen.~
49 38, 38| tot de raad van het volk zullen zij niet gevorderd worden,
50 38, 38| worden, en in de vergadering zullen zij niet overgaan.~
51 39, 12| 12 Velen zullen zijn verstand prijzen, en
52 39, 20| dit? want al deze dingen zullen op hun tijd onderzocht worden.~
53 39, 39| dan dat, want alle dingen zullen op hun tijd goed gekend
54 40, 12| goederen der onrechtvaardigen zullen als een stroom uitdrogen,
55 40, 14| nakomelingen der goddelozen zullen niet vele takken uitschieten,
56 41, 5 | zijn, en die na u komen zullen, want dit is het oordeel
57 42, 24| zijn, en die nog worden zullen, en hij ontdekt de voetstappen
58 43, 30| hem verheerlijken, waar zullen wij het vermogen? Want hij
59 44, 16| 16 De volken zullen hun wijsheid vertellen,
60 48, 12| 12 Want ook wij zullen zeker leven.~
61 49, 13| 13 Hoe zullen wij Zerubbabel genoeg verheffen!
|