Chapter, Verse
1 3, 5 | Wie zijn vader eert, zal zich over zijn kinderen verheugen,
2 4, 13| heeft het leven lief, en die zich vroeg opmaken tot haar,
3 6, 12| hij tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen.~
4 6, 17| de Here vreest, gedraagt zich recht in zijn vriendschap;
5 8, 6 | 6 Verwijt geen mens die zich van zonde afkeert; gedenk
6 10, 8 | zijn; wat verhovaardigt zich toch aarde en as?~
7 11, 11| moeite doet, en arbeidt, en zich haast, en heeft toch des
8 11, 13| schouwende, verwonderen zich over hem.~
9 12, 13| 13 Wie zal zich ontfermen over een bezweerder,
10 12, 13| zo gaat het met hem die zich ophoudt bij een zondaar,
11 12, 13| ophoudt bij een zondaar, en zich vermengt in zijn zonden.~
12 12, 17| eerder vinden dan uzelf, en zich stellende als een mens die
13 13, 11| Als u een machtig heer tot zich nodigt, zo maak u ter zijde,
14 13, 11| te meer en te vaker tot zich noden.~
15 13, 19| 19 Alle vlees vergadert zich naar zijn geslacht, en een
16 14, 5 | goed zijn? zelfs zal hij zich niet verheugen in zijn goederen.~
17 15, 4 | niet wankelen, en hij zal zich aan haar houden, en niet
18 16, 10| 10 Hij ontfermde zich niet over het volk des verderfs,
19 17, 18| weder te keren, en heeft tot zich geroepen die de lijdzaamheid
20 17, 25| verzoening voor degenen die zich heilig tot hem bekeren.~
21 18, 14| 14 Hij ontfermt zich over degenen, die onderwijzing
22 18, 14| onderwijzing aannemen, en die zich zeer haasten tot zijn oordelen.~
23 19, 5 | 5 Wie zich verheugt in het kwaaddoen,
24 21, 7 | Here vreest, die bekeert zich van harte.~
25 21, 27| een voorzichtige bezwaart zich over deze on eer.~
26 22, 7 | verachting en ongeschiktheid zich beroemen, die bevlekken
27 22, 30| iegelijk die het hoort zal zich voor hem wachten.~
28 23, 7 | schimper en hovaardige zullen zich daaraan stoten.~
29 24, 1 | van haar volk beroemt zij zich.~
30 24, 2 | Allerhoogsten, en beroemt zich in tegenwoordigheid van
31 25, 2 | en wanneer man en vrouw zich tezamen verdragen.~
32 26, 11| ruimte vindt, deze voor zich gebruikt.~
33 26, 13| nabij is drinkt, zo zal zij zich tegenover elke paal nederzetten
34 27, 3 | 3 Indien iemand zich niet naarstig aan de vreze
35 27, 24| zoet spreken, en hij zal zich over uw woorden verwonderen,
36 27, 30| 30 Die zich verheugen in de val der
37 29, 10| vanwege zulke boosheid, wenden zich van de mens af, en vrezen
38 30, 4 | ware, want hij heeft achter zich gelaten een die hem gelijk
39 30, 6 | heeft een nagelaten, die zich aan de vijanden wreken zal,
40 31, 3 | 3 De rijke bemoeit zich met veel geld te vergaderen,
41 31, 3 | hij rust heeft, vult hij zich op met zijn lekkernijen.~
42 32, 15| onderwijzing aannemen, en die zich vroeg tot Hem maken, zullen
43 35, 14| aangezicht desgenen die zich tegen de arme stelt niet
44 37, 10| Uw weg is goed, en stelle zich tegenover u om te zien hetgeen
45 37, 19| soorten van dingen vertonen zich: namelijk het goede, het
46 39, 3 | der spreuken oefent hij zich.~
47 39, 15| zo verkrijgt hij die voor zich.~
48 39, 35| zijn bevel verheugen zij zich,~
49 40, 10| wat van water is, wendt zich weder naar de zee.~
50 40, 17| Het leven desgenen, die zich genoegen laat, en des arbeiders,
51 40, 21| 21 Het oog verlustigt zich in hetgeen dat aangenaam
52 40, 30| die onderwezen is, wacht zich daarvan.~
53 41, 20| 20 Dat men zich dan ontzie voor, mijn woord,
54 43, 19| gelijk de sprinkhanen, die zich neder zetten op enig land.~
55 43, 22| ijs bevriest, zo zet hij zich op alle vergadering van
56 45, 29| 29 En gestaan had als zich het volk had afgekeerd,
57 48, 16| al deze dingen bekeerde zich het volk niet, en stond
58 49, 3 | 3 Hij heeft zich recht gedragen in de bekering
59 50, 28| 28 Zalig is hij, die zich in deze dingen. oefenen
60 51, 3 | oefenen; en tegen degenen die zich tegen mij stelden, zijt
61 51, 37| 37 Uw ziel verheuge zich over de barmhartigheid des
|