Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 ALLE wijsheid is van de Here, en is met
2 1, 3 | aarde, en de afgrond, en de wijsheid naspeuren?~
3 1, 4 | 4 De wijsheid is eer dan alle dingen geschapen,
4 1, 5 | woont, is de fontein der wijsheid, en haar wegen zijn eeuwige
5 1, 6 | 6 Wie is de wortel der wijsheid ontdekt geweest? en wie
6 1, 13| 13 Het begin der wijsheid is de Here vrezen, en zij
7 1, 15| 15 De verzadiging der wijsheid is de Here vrezen, en zij
8 1, 18| 18 De kroon der wijsheid is de Here vrezen, doende
9 1, 19| 19 De wijsheid giet de wetenschap en de
10 1, 20| 20 De wortel der wijsheid is de Here vrezen, en haar
11 1, 25| 25 In de schatten der wijsheid zijn gelijkenissen der wetenschap,
12 1, 26| 26 Hebt gij lust tot wijsheid, zo bewaar de geboden, en
13 1, 27| Want de vreze des Heren is wijsheid en tucht, en zijn wel behagen
14 4, 12| 12 De wijsheid verhoogt haar eigen kinderen,
15 4, 28| 28 En verberg uw wijsheid niet om aangenaam te zijn.~
16 4, 29| 29 Want de wijsheid zal in het woord bekend
17 6, 18| grijze haren toe zult gij wijsheid vinden;~
18 6, 23| 23 Want de wijsheid is gelijk haar naam meebrengt,
19 6, 37| versterken, en de begeerde wijsheid zal u gegeven worden.~ ~
20 11, 1 | 1 DE wijsheid van de nederige zal zijn
21 11, 15| 15 Wijsheid en wetenschap, en kennis
22 14, 21| Zalig is de man die met wijsheid betracht hetgeen eerlijk
23 15, 3 | verstands, en met water der wijsheid zal zij hem drenken.~
24 15, 10| 10 Want met wijsheid zal lof gesproken worden,
25 15, 18| 18 Want groot is de wijsheid des Heren, en hij is sterk
26 18, 27| ieder die verstandig is kent wijsheid en onderwijzing.~
27 19, 18| beginsel der aanneming, en de wijsheid die van hem komt verkrijgt
28 19, 19| Here komende, is de gehele wijsheid, en in alle wijsheid is
29 19, 19| gehele wijsheid, en in alle wijsheid is de onderhouding der wet,
30 19, 20| wetenschap der boosheid is geen wijsheid, en daar is geen kloekheid
31 19, 21| onverstandige, die het aan wijsheid ontbreekt.~
32 20, 30| 30 Wijsheid die verborgen is, en een
33 20, 31| beter dan een mens die zijn wijsheid verbergt; beter is een onvermijdelijke
34 21, 13| Heren is de aanneming der wijsheid.~
35 22, 6 | rechter tijd is een werk van wijsheid.~
36 23, 2 | en een onderrichting der wijsheid in mijn hart? opdat gij
37 24, 1 | 1 DE wijsheid prijst zichzelf, en in het
38 24, 27| vervult alle dingen met zijn wijsheid, gelijk de Pison, en gelijk
39 24, 32| 32 Ik, de Wijsheid, ben gelijk een gedolven
40 25, 7 | Hoe schoon staat de ouden wijsheid, en degenen die verheerlijkt
41 25, 13| 13 Hoe groot is bij die wijsheid vindt! doch hij is niet
42 34, 8 | wordt de wet volbracht, en wijsheid is eens getrouwen monds
43 37, 21| 21 Daar is menigeen die wijsheid voorgeeft met woorden en
44 37, 21| deze ontbreekt het aan alle wijsheid.~
45 37, 22| gegeven, dewijl hij van alle wijsheid beroofd is.~
46 38, 25| 25 De wijsheid van een schriftgeleerde
47 39, 1 | 1 DEZE onderzoekt de wijsheid aller ouden, en is bezig
48 39, 9 | Hij zal de woorden zijner wijsheid als een regen uitgieten,
49 39, 14| 14 Zijn wijsheid vertellen de volken, en
50 40, 19| hart, maar de liefde tot wijsheid meer dan beide.~
51 41, 18| 18 De wijsheid, die verborgen is, en een
52 41, 19| beter dan een mens, die zijn wijsheid verbergt.~
53 42, 26| heerlijke werken door zijn wijsheid versierd; hij die is vóór
54 43, 36| en heeft de god vrezende wijsheid gegeven.~ ~
55 44, 16| 16 De volken zullen hun wijsheid vertellen, en de gemeente
56 45, 32| 32 Hij geve ulieden wijsheid in uw hart om te richten
57 50, 27| der wetenschap; welke de wijsheid als een plasregen uit zijn
58 50, 29| hij geeft de godvrezenden wijsheid.~
59 51, 17| dat ik dwaalde, heb ik de wijsheid openbaar gezocht door mijn
60 51, 23| 23 Degene die mij wijsheid geeft, die zal ik macht
61 51, 33| en heb gesproken, koopt u wijsheid zonder geld.~
|