Chapter, Verse
1 7, 19| niet aan een wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid
2 7, 26| 26 Hebt gij een vrouw naar uw hart, werp haar
3 9, 1 | ZIJT niet jaloers op de vrouw van uw schoot, en leer haar
4 9, 2 | 2 Geef uw ziel de vrouw niet, dat zij over uw ziel
5 9, 3 | 3 Ga geen hoerachtige vrouw tegemoet opdat gij niet
6 9, 8 | uw oog af van een schone vrouw, en beschouw geen vreemde
7 9, 9 | Want door de schoonheid der vrouw zijn velen verleid geworden,
8 9, 10| 10 Bij een getrouwde vrouw zit geheel en al niet.~
9 15, 2 | tegemoet gaan, en gelijk een vrouw die hij als zij maagd was
10 19, 11| gelijkerwijs een barende vrouw vanwege het kind.~
11 23, 29| 29 Desgelijks ook een vrouw, die haar man verlaat, en
12 25, 2 | naasten, en wanneer man en vrouw zich tezamen verdragen.~
13 25, 11| die bij een verstandige vrouw woont, en die met de tong
14 25, 17| niet de boosheid van een vrouw;~
15 25, 20| dan te wonen bij een boze vrouw.~
16 25, 21| 21 De boosheid van een vrouw verandert haar aangezicht,
17 25, 23| tegen de boosheid van een vrouw; en het lot des zondaars
18 25, 24| alzo is een klapachtige vrouw voor een stil man.~
19 25, 25| aan de schoonheid van een vrouw, en begeer geen vrouw tot
20 25, 25| een vrouw, en begeer geen vrouw tot wellust.~
21 25, 26| grote schande is bij een vrouw, indien zij haar man toereikt
22 25, 27| 27 Een boze vrouw veroorzaakt een neergebogen
23 25, 29| 29 Van de vrouw is het begin der zonde,
24 25, 30| doortocht, noch de boze vrouw vrijheid om uit te gaan.~
25 26, 1 | is de man, die een goede vrouw heeft; het getal zijner
26 26, 2 | 2 Een kloeke vrouw verheugt haar man, en vervult
27 26, 3 | 3 Een goede vrouw is een goed erf deel, en
28 26, 7 | 7 Maar een vrouw die op een andere vrouw
29 26, 7 | vrouw die op een andere vrouw jaloers is, en met de tong
30 26, 8 | 8 Een boze vrouw is gelijk een juk ossen
31 26, 9 | 9 Een dronken vrouw, en die ginds en weer loopt
32 26, 10| 10 De hoererij van een vrouw wordt bekend aan de verheffingen
33 26, 14| 14 De bevalligheid der vrouw vermaakt haar man, en haar
34 26, 15| 15 Een vrouw die weinig spreekt, en van
35 26, 16| schaamachtige en getrouwe vrouw, is genade op genade, en
36 26, 17| schoonheid van een goede vrouw in het sieraad van haar
37 26, 23| 23 Een vrouw die loon neemt, wordt een
38 26, 24| 24 Een goddeloze vrouw zal de onrechtvaardige tot
39 26, 24| worden, maar een godvrezende vrouw wordt gegeven hem, die de
40 26, 25| 25 Een schandelijke vrouw wrijft haar man oneer aan;
41 26, 26| 26 Een onbeschaamde vrouw zal geacht worden als een
42 26, 27| 27 Een vrouw, die haar eigen man eert,
43 26, 28| is de man die een goede vrouw heeft, want het getal zijner
44 26, 29| 29 Een vrouw die groot getier maakt,
45 33, 19| 19 Geef uw zoon een vrouw, broeder en vriend geen
46 34, 5 | krijgt, gelijk het hart ener vrouw die in barensnood is.~
47 36, 23| 23 Een vrouw neemt iedere man aan, maar
48 36, 24| 24 De schoonheid der vrouw verblijdt het aangezicht,
49 36, 26| 26 Die een goede vrouw krijgt, die begint goederen
50 36, 27| verscheurd, en waar geen vrouw is, daar zal de man zuchten
51 37, 12| 12 Noch met een vrouw, aangaande degene waartegen
52 40, 22| ge legener tijd, maar een vrouw met haar man meer dan beide.~
53 41, 25| aanschouwen van een lichte vrouw; en dat gij uw aangezicht
54 41, 26| is, en te letten op een vrouw die een man heeft.~
55 42, 7 | 7 Bij een boze vrouw is verzegelen goed, en waar
56 42, 16| de mot voort, en van de vrouw de boosheid der vrouw.~
57 42, 16| de vrouw de boosheid der vrouw.~
58 42, 17| beter dan een goeddadige vrouw, namelijk een vrouw die
59 42, 17| goeddadige vrouw, namelijk een vrouw die beschaamd maakt tot
|