1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-1650
Chapter, Verse
501 17, 11| heerlijke majesteit gezien, en hun oor heeft gehoord de
502 17, 11| heerlijkheid zijner stem, en heeft tot hen gezegd:~
503 17, 12| van alle ongerechtigheid, en heeft hun geboden gegeven,
504 17, 13| af geneigd tot het kwade, en, zij hebben hun harten in
505 17, 13| harten in plaats van steen en geen vlesen kunnen maken.~
506 17, 14| eerstgeborene, de tucht op voedt, en hij deelt hem mede het licht
507 17, 14| mede het licht der liefde, en begeeft hem niet.~
508 17, 15| voor hem gelijk als de zon, en zijn ogen zien steeds op
509 17, 16| niet verborgen voor hem, en al hun zonden zijn voor
510 17, 16| Here zijnde goedertieren, en zijn maaksel kennende, heeft
511 17, 17| gelijk een zegel bij hem, en zal de genade tegen de mens
512 17, 17| oogappel, gevende zijn zonen en dochters bekering, daarna
513 17, 17| daarna zal hij opstaan en hen weder vergelden, en
514 17, 17| en hen weder vergelden, en hun vergelding zal hij op
515 17, 18| gegeven weder te keren, en heeft tot zich geroepen
516 17, 19| Bekeer u dan tot de Here, en verlaat de zonden; smeek
517 17, 19| smeek voor zijn aangezicht, en verminder de ergernis.~
518 17, 20| weder tot de Allerhoogste, en keer u af van ongerechtigheid,
519 17, 21| 21 En haat zeer de gruwel.~
520 17, 22| in plaats der levenden, en dergenen die dankzegging
521 17, 24| 24 Maar die leeft en gezond van hart is, zal
522 17, 25| ontferming des Heren onzes Gods, en de verzoening voor degenen
523 17, 27| is klaarder dan de zon, en nochtans bezwijkt ze; zo
524 17, 27| zo ook de mens die vlees en bloed betracht.~
525 17, 28| kracht des hogen hemels, en alle mensen zijn maar aarde
526 17, 28| alle mensen zijn maar aarde en as.~ ~ ~ ~
527 18, 2 | is alleen rechtvaardig, en daar is geen ander dan hij;
528 18, 2 | met de span zijner hand, en alle dingen zijn zijn wil
529 18, 3 | zijn werken te verkondigen en wie heeft zijn grote daden
530 18, 4 | zijn majesteit uitrekenen? en wie zal nog daarbij zijn
531 18, 5 | verminderen noch te vermeerderen, en zijn niet uit te speuren.~
532 18, 6 | voleindigd, dan begint hij, en wanneer hij zal opgehouden
533 18, 7 | 7 Wat is de mens? en waartoe is hij nut? wat
534 18, 7 | hij nut? wat is zijn goed en wat is zijn kwaad?~
535 18, 9 | tegen het water van de zee, en een greintje zand tegen
536 18, 10| Here lankmoedig over hen, en giet zijn barmhartigheid
537 18, 11| 11 Hij heeft gezien en verstaan hun einde dat het
538 18, 13| 13 Hij bestraft, en onderwijst, en leert, en
539 18, 13| bestraft, en onderwijst, en leert, en bekeert gelijk
540 18, 13| en onderwijst, en leert, en bekeert gelijk een herder
541 18, 14| die onderwijzing aannemen, en die zich zeer haasten tot
542 18, 15| geen oorzaak tot berisping, en bedroef niemand met boze
543 18, 17| boven een goed geschenk? en beide zijn ze bij de mens
544 18, 18| zijn weldaad onbeleefd, en de gift van een nijdig mens
545 18, 19| 19 Leer eer gij spreekt, en gebruik medicijn eer gij
546 18, 20| bereid uzelf tot weldoen, en gij zult verzoening vinden
547 18, 21| matigheid, eer gij ziek wordt, en bewijs in de tijd der zonden
548 18, 22| betalen ter bekwamer tijd, en verwijl niet tot aan de
549 18, 23| eer gij uw gelofte doet, en wees niet gelijk een die
550 18, 24| in de dagen van de dood, en aan de tijd der wraak, als
551 18, 25| der volheid, aan armoede en gebrek in de dag des rijkdoms.~
552 18, 26| avond verandert de tijd, en al deze dingen zijn haastig
553 18, 26| wijs mens vreest altijd, en in de dagen der zonden wacht
554 18, 27| verstandig is kent wijsheid en onderwijzing.~
555 18, 28| 28 En wie ze vindt, die zal zij
556 18, 29| die handelen ook wijs; en gieten uit, als een regen,
557 18, 32| veelheid uwer lekkernijen, en wees niet begerig naar haar
558 19, 1 | is, zal niet rijk worden, en die het weinige versmaadt,
559 19, 2 | 2 Wijn en vrouwen doen de verstandigen
560 19, 2 | de verstandigen afvallen, en wie de hoeren aanhangt,
561 19, 3 | 3 Die zullen de maden en wormen tot erfdeel hebben,
562 19, 3 | wormen tot erfdeel hebben, en hij zal uitdrogen tot een
563 19, 4 | is lichtvaardig van hart, en die tegen zijn ziel zondigt,
564 19, 6 | niet twistig is, leven; en wie klappen haat, die neemt
565 19, 7 | Herhaal een rede nimmermeer, en het zal u niet wezen tot
566 19, 8 | 8 En vertel noch bij vriend noch
567 19, 8 | vijand het leven van anderen, en indien het u geen zonde
568 19, 9 | Want hij heeft u gehoord en u waargenomen, en ter gelegener
569 19, 9 | gehoord en u waargenomen, en ter gelegener tijd zal hij
570 19, 10| laat het bij u sterven, en zijt welgemoed, want het
571 19, 13| heeft hij het niet gedaan, en zo hij het gedaan heeft,
572 19, 14| heeft hij het niet gezegd, en zo hij het gezegd heeft,
573 19, 16| menigeen struikelt in een woord en niet van harte, en wie is
574 19, 16| woord en niet van harte, en wie is er die met zijn tong
575 19, 17| uw naaste eer gij dreigt, en geef de wet des Allerhoogsten
576 19, 17| des Allerhoogsten plaats, en word niet toornig.~
577 19, 18| beginsel der aanneming, en de wijsheid die van hem
578 19, 18| onderwijzing des levens, en die doen wat hem behagelijk
579 19, 19| is de gehele wijsheid, en in alle wijsheid is de onderhouding
580 19, 19| de onderhouding der wet, en kennis zijner almogendheid.
581 19, 20| boosheid is geen wijsheid, en daar is geen kloekheid waar
582 19, 21| 21 Daar is boosheid en die is een gruwel, en daar
583 19, 21| boosheid en die is een gruwel, en daar is een onverstandige,
584 19, 22| aan verstand ontbreekt, en bevreesd is, die is beter
585 19, 22| overvloedig is in kloekheid, en de wet des Allerhoogsten
586 19, 23| vlijtige arglistigheid, en ze is onrechtvaardig, en
587 19, 23| en ze is onrechtvaardig, en menigeen is er die de genade
588 19, 23| het recht te doen blijken, en menigeen is er die rechtvaardig
589 19, 23| die rechtvaardig oordeelt, en die is wijs.~
590 19, 24| gebukt in zwarte klederen, en het binnenste van hem is
591 19, 25| Hij bukt het aangezicht, en maakt de dove; indien gij
592 19, 26| 26 En indien hij bij gebrek van
593 19, 27| aan het gezicht gekend, en een verstandige wordt aan
594 19, 28| 28 De kleding des mans, en het lachen der tanden, en
595 19, 28| en het lachen der tanden, en de gang der mensen, verkondigen
596 19, 29| bestraffing die ontijdig is, en daar is een die zwijgt,
597 19, 29| daar is een die zwijgt, en hij is wijs.~ ~
598 20, 1 | heimelijk gram te zijn; en wie zijn zonde bekent, die
599 20, 3 | zwijgende wijs wordt bevonden, en menig een is er die gehaat
600 20, 4 | heeft niet te antwoorden, en menigeen is er die zwijgt,
601 20, 5 | tijd is, maar een pocher en onwijze gaat de gelegen
602 20, 6 | die heeft men een gruwel, en die zichzelf te veel macht
603 20, 8 | welbehagen in boze dingen, en menige vond strekt tot schade.~
604 20, 9 | niet bevorderlijk zal zijn, en daar is menige gave die
605 20, 10| uit oorzaak van de pracht; en menigeen is er die uit de
606 20, 11| voor weinig geld koopt, en betaalt het zevenvoudig.~
607 20, 13| niet bevorderlijk zijn, en desgelijks ook van een nijdige,
608 20, 14| 14 Weinig zal hij geven, en veel verwijten, en zal zijn
609 20, 14| geven, en veel verwijten, en zal zijn mond open doen
610 20, 15| 15 Heden zal hij u lenen, en morgen wedereisen; de zodanige
611 20, 15| zodanige is van de Here en van de mensen gehaat.~
612 20, 17| 17 Hoe menigmaal, en hoe velen zullen hem bespotten!
613 20, 17| rechte kennis ontvangen, en het ontberen daarvan is
614 20, 21| zondigen vanwege gebrek, en wordt in zijn rust niet
615 20, 22| zijn leven door schaamte, en verliest het omdat hij de
616 20, 23| zijn vriend uit schaamte, en krijgt hem tot een vijand
617 20, 24| schandvlek in een mens, en in de mond der ongeschikten
618 20, 26| mens zijn hem een oneer, en zijn schande is steeds bij
619 20, 27| bevordert zichzelf door woorden, en een voorzichtig mens behaagt
620 20, 28| bouwt, verhoogt zijn hoop, en die de groten behaagt, verzoent
621 20, 29| 29 Gaven en geschenken verblinden de
622 20, 29| verblinden de ogen der wijzen, en gelijk een toom in de mond,
623 20, 30| Wijsheid die verborgen is, en een schat die niet bekend
624 21, 1 | daar geen zonde meer bij, en bid de vorige af.~
625 21, 3 | tanden zijn leeuwentanden, en doden de zielen der mensen.~
626 21, 4 | een tweesnijdend zwaard, en geen genezing is er voor
627 21, 5 | 5 Slagen en smaadheid verwoesten rijkdom;
628 21, 6 | mond tot aan zijn oren, en zijn oordeel komt haastig.~
629 21, 7 | voetstappen van de zondaar, en wie de Here vreest, die
630 21, 10| dat bijeen vergaderd is, en haar voleinding is een vlam
631 21, 15| worden als een watervloed, en zijn raad gelijk een zuivere
632 21, 17| hoort, zo prijst hij dat, en doet daar nog toe.~
633 21, 20| in de gemeente gezocht, en elkeen overdenkt zijn woorden
634 21, 21| de vrijheid van de dwaas, en de kennis van de onverstandige
635 21, 22| als boeien aan de voeten, en als duimijzers aan de rechterhand.~
636 21, 24| gelijk een gulden versiersel, en gelijk een armband aan de
637 21, 31| besmet zijn eigen ziel, en waar hij ook zou mogen gaan
638 22, 1 | bij een beslijkte steen, en een ieder schuift hem weg
639 22, 3 | ongeschikte zoon gewonnen heeft, en zulk een dochter wordt hem
640 22, 5 | stoute dochter maakt vader en man beschaamd, en van beiden
641 22, 5 | vader en man beschaamd, en van beiden zal zij ongeëerd
642 22, 6 | muziek in rouw, maar geselen en tuchtiging ter rechter tijd
643 22, 7 | kinderen die in verachting en ongeschiktheid zich beroemen,
644 22, 8 | die lijmt scherven aaneen, en wekt de slapende uit een
645 22, 9 | vertelt het een sluimerende, en in het einde zal hij zeggen:
646 22, 13| dagen, maar over een dwaas en goddeloze al de dagen zijns
647 22, 14| niet lang met een onwijze, en ga niet tot een onverstandige,
648 22, 15| opdat gij geen moeite hebt, en niet bezoedeld wordt, als
649 22, 16| 16 Wijk van hem, en gij zult rust vinden, en
650 22, 16| en gij zult rust vinden, en gij zult niet verluieren
651 22, 17| is er zwaarder dan lood, en wat naam zal hij hebben
652 22, 18| 18 Zand en zout en een klomp ijzer
653 22, 18| 18 Zand en zout en een klomp ijzer zijn lichter
654 22, 23| brengt daar tranen uit, en die in het hart steekt brengt
655 22, 24| werpt, die jaagt ze weg, en wie zijn vriend scheldt,
656 22, 26| verzoening, behalve in versmading en hovaardigheid, en openbaring
657 22, 26| versmading en hovaardigheid, en openbaring van hetgeen verborgen
658 22, 26| van hetgeen verborgen is, en bedriegelijke verwonding,
659 22, 29| Gelijk de damp des ovens en de rook gaan voor het vuur,
660 22, 30| zal ik mij niet schamen, en voor zijn aangezicht zal
661 22, 31| wacht aan mijn mond stellen, en een scherpzinnig zegel op
662 22, 31| valse vanwege mijn tong, en zij mij niet verderve?~ ~ ~
663 23, 1 | 1 O Here, Vader en Heerser des gansen levens,
664 23, 1 | verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet vallen onder
665 23, 2 | bestellen over mijn gedachte, en een onderrichting der wijsheid
666 23, 2 | onwetendheden niet verschoont, en de moedwil der openbare
667 23, 3 | vermenigvuldigd worden, en mijn zonden niet vermeerderen
668 23, 3 | vermeerderen tot verplettering, en ik niet valle voor degenen
669 23, 3 | degenen die mij tegen zijn, en mijn vijand over mij verblijd
670 23, 4 | 4 O Here, Vader en God mijns levens, geef mij
671 23, 4 | geen verheffing der ogen, en wend een stout gemoed altijd
672 23, 5 | Weer van mij af ijdele hoop en begeerte, en behoud hem
673 23, 5 | ijdele hoop en begeerte, en behoud hem die u altijd
674 23, 5 | mij de begeerte des buiks, en de bij slaap niet innemen,
675 23, 5 | bij slaap niet innemen, en geef mij, uw knecht, niet
676 23, 6 | van een waarachtige mond, en wie zij bewaart, die zal
677 23, 7 | onvoorzichtigheid gevat worden, en een schimper en hovaardige
678 23, 7 | worden, en een schimper en hovaardige zullen zich daaraan
679 23, 8 | uw mond niet tot zweren, en gewen u niet de heilige
680 23, 9 | striemen, zo wordt die zweert en doorgaans de heilige noemt,
681 23, 10| is vol ongerechtigheid, en de gesel zal van zijn huis
682 23, 11| mishandelt, zijn zonde is op hem, en indien hij het niet acht,
683 23, 12| 12 En zo hij ijdel gezworen heeft,
684 23, 14| zijn van de godvrezende, en zij zullen in de zonden
685 23, 16| 16 Gedenk aan uw vader en moeder; want in het midden
686 23, 17| bij hen wordt vergeten, en door uw gewone omgang verwelkt,
687 23, 17| gewone omgang verwelkt, en gij zoudt willen dat gij
688 23, 17| niet geboren waart geweest, en zoudt de dag uwer geboorte
689 23, 19| vermenigvuldigen de zonden, en de derde brengt de toorn
690 23, 24| Duisternis is rondom mij, en de muren bedekken mij, en
691 23, 24| en de muren bedekken mij, en niemand ziet mij, wat vrees
692 23, 24| mijn zonden niet gedenken, en de ogen der mensen zijn
693 23, 25| 25 En hij verstaat niet, dat de
694 23, 26| op alle wegen der mensen, en merken op de verborgene
695 23, 28| der stad gewroken worden, en gegrepen worden waar hij
696 23, 29| vrouw, die haar man verlaat, en een erve van een ander bekomt.~
697 23, 30| Allerhoogsten ongehoorzaam geweest, en ten tweede heeft zij kwalijk
698 23, 30| gehandeld jegens haar man, en ten derde heeft zij in hoererij
699 23, 30| hoererij overspel bedreven, en uit een andere man kinderen
700 23, 31| gemeente uitgestoten worden, en over haar kinderen zal onderzoeking
701 23, 32| geen wortel uitspreiden, en de takken van haar zullen
702 23, 33| een vervloeking nalaten, en haar versmaadheid zal niet
703 23, 34| 34 En de nagelatenen zullen bekennen,
704 23, 34| dan de vreze des Heren, en niets zoeter dan dat iemand
705 23, 35| heerlijkheid God te volgen, en een lang leven, dat gij
706 24, 1 | wijsheid prijst zichzelf, en in het midden van haar volk
707 24, 2 | gemeente des Allerhoogsten, en beroemt zich in tegenwoordigheid
708 24, 3 | Allerhoogsten uitgegaan, en gelijk een nevel heb ik
709 24, 4 | hoogste plaatsen opgeslagen, en mijn troon in een wolkkolom.~
710 24, 5 | rondte des hemels omgegaan, en heb in de diepte der afgronden
711 24, 6 | 6 In de baren der zee, en op de ganse aarde, en bij
712 24, 6 | zee, en op de ganse aarde, en bij alle volken en natiën
713 24, 6 | aarde, en bij alle volken en natiën heb ik bezittingen.~
714 24, 8 | de schepper aller dingen, en die mij geschapen heeft,
715 24, 8 | deed mijn tent rusten, en zeide:~
716 24, 9 | zult gij uw tent opslaan, en te Jeruzalem zult gij erfgenaam
717 24, 10| heeft hij mij geschapen, en tot in eeuwigheid neem ik
718 24, 11| 11 En zo ben ik in Sion bevestigd.
719 24, 11| insgelijks doen rusten, en in Jeruzalem is mijn macht.~
720 24, 12| 12 En ben ingeworteld in een verheerlijkt
721 24, 13| een cederboom op Libanon, en gelijk een cypresseboom
722 24, 14| een dadelboom te Engedi, en gelijk een, rozeboom te
723 24, 15| olijfboom in een fraai veld, en gelijk de boom Platanus
724 24, 16| gegeven, gelijk als kaneel en gelijk een reukbal, en gelijk
725 24, 16| kaneel en gelijk een reukbal, en gelijk uitgelezen mirre.~
726 24, 17| 17 Gelijk als Galbanum, en Onyx, en Stacte, en gelijk
727 24, 17| Gelijk als Galbanum, en Onyx, en Stacte, en gelijk de damp
728 24, 17| Galbanum, en Onyx, en Stacte, en gelijk de damp des wierooks
729 24, 18| gelijk een terpentijnboom, en mijn takken zijn heerlijk
730 24, 18| mijn takken zijn heerlijk en aangenaam.~
731 24, 19| goede reuk voortgebracht, en mijn bloemen zijn een vrucht
732 24, 19| vrucht der heerlijkheid en des rijkdoms.~
733 24, 20| moeder der schone liefde, en der vrees, en der kennis,
734 24, 20| schone liefde, en der vrees, en der kennis, en der heilige
735 24, 20| der vrees, en der kennis, en der heilige hoop;~
736 24, 21| 21 En geef met al mijn kinderen
737 24, 22| mij, gij die mij begeert, en verzadigt u van mijn gewas.~
738 24, 23| gedachtenis is zoeter dan honig, en mijn erfenis dan honigraat.~
739 24, 24| eten, zullen niet hongeren, en die mij drinken, zullen
740 24, 25| nimmermeer beschaamd worden, en die naar mij arbeiden zullen
741 24, 26| Almachtige Here is alleen God, en daar is geen Zaligmaker
742 24, 27| wijsheid, gelijk de Pison, en gelijk de Tigris in de dagen
743 24, 28| verstand gelijk de Eufraat, en gelijk de Jordaan in de
744 24, 29| uitschijnen gelijk een licht, en gelijk de Gihon in de tijd
745 24, 30| haar niet volkomen gekend, en zo heeft de laatste haar
746 24, 31| gedachten vermenigvuldigd, en haar raad dan een grote
747 24, 33| 33 En gelijk een waterloop ben
748 24, 34| mijn beste hof wateren, en mijn op. recht tuinbeddeken
749 24, 35| 35 En ziet de gedolven gracht
750 24, 35| geworden tot een rivier, en mijn rivier is geworden
751 24, 36| jichten als de dageraad, en doe ze schijnen tot in verre
752 24, 37| uit gelijk een profetie, en laat ze, na tot eeuwige
753 25, 1 | drie dingen word ik schoon, en sta schoon voor de Here,
754 25, 1 | de Here, ja voor de Here en de mensen.~
755 25, 2 | eendracht der broederen en vriendschap des naasten,
756 25, 2 | vriendschap des naasten, en wanneer man en vrouw zich
757 25, 2 | naasten, en wanneer man en vrouw zich tezamen verdragen.~
758 25, 3 | van mensen haat mijn ziel, en op hun leven ben ik zeer
759 25, 4 | arme, die hovaardig is, en een rijke, die een leugenaar
760 25, 4 | rijke, die een leugenaar is, en een oude die een overspeler
761 25, 4 | oude die een overspeler is, en aan verstand afgenomen heeft.~
762 25, 5 | hebt gij niet vergaderd, en hoe zoudt gij wat vinden
763 25, 6 | haren zitten om te oordelen, en dat oude mannen kennis hebben
764 25, 7 | staat de ouden wijsheid, en degenen die verheerlijkt
765 25, 7 | verheerlijkt zijn, bedachtzaamheid en raad!~
766 25, 8 | is een kroon der ouden, en hun roem is de vreze des
767 25, 9 | negen dingen heb ik gedacht, en ze zalig geprezen in mijn
768 25, 9 | zalig geprezen in mijn hart, en het tiende zal ik met mijn
769 25, 10| terwijl hij nog leeft, en die de val zijner vijanden
770 25, 11| verstandige vrouw woont, en die met de tong niet struikelt,
771 25, 11| de tong niet struikelt, en die niet dient degene, die
772 25, 12| kloekheid gevonden heeft, en ze verhaalt in de oren der
773 25, 17| niet de plaag des harten, en alle boosheid, doch niet
774 25, 18| inval dergenen die haten, en alle wraak, doch niet de
775 25, 19| boven het hoofd der slang, en daar is geen gramschap boven
776 25, 20| liever te wonen bij een leeuw en draak, dan te wonen bij
777 25, 21| verandert haar aangezicht, en verdonkert haar aangezicht,
778 25, 22| naasten zal haar man aanzitten en zal ongaarne zuchten om
779 25, 23| boosheid van een vrouw; en het lot des zondaars valle
780 25, 25| schoonheid van een vrouw, en begeer geen vrouw tot wellust.~
781 25, 26| 26 Toorn en onbeschaamdheid en grote
782 25, 26| Toorn en onbeschaamdheid en grote schande is bij een
783 25, 27| veroorzaakt een neergebogen hart, en een droevig aangezicht,
784 25, 27| een droevig aangezicht, en een harteplaag.~
785 25, 28| die maakt trage handen en slappe knieën.~
786 25, 29| is het begin der zonde, en om harentwil sterven wij
787 25, 31| vlees, geef een scheidbrief en laat haar gaan.~ ~
788 26, 2 | vrouw verheugt haar man, en vervult de jaren zijns levens
789 26, 3 | vrouw is een goed erf deel, en wordt tot een deel gegeven
790 26, 4 | 4 En het hart van zo'n man is
791 26, 4 | zij een vrolijk aangezicht en zijn blijmoedig.~
792 26, 5 | dingen ontziet mijn hart, en voor het vierde word ik
793 26, 6 | De lastering ener stad, en de vergadering van het volk,
794 26, 6 | vergadering van het volk, en leugen tegen iemand opgemaakt,
795 26, 7 | andere vrouw jaloers is, en met de tong geselt, en bij
796 26, 7 | en met de tong geselt, en bij allen overbrengt, die
797 26, 7 | overbrengt, die is een hartzeer en droefheid.~
798 26, 8 | een juk ossen dat ginds en weer bewogen wordt; wie
799 26, 9 | 9 Een dronken vrouw, en die ginds en weer loopt
800 26, 9 | dronken vrouw, en die ginds en weer loopt veroorzaakt grote
801 26, 9 | veroorzaakt grote toorn, en kan haar schande niet bedekken.~
802 26, 10| de verheffingen der ogen en aan haar wenkbrauwen.~
803 26, 12| op haar onbeschaamd oog, en verwonder u niet, indien
804 26, 13| als hij een fontein vindt, en van alle water dat nabij
805 26, 13| tegenover elke paal nederzetten en de pijlkoker voor de pijl
806 26, 14| vrouw vermaakt haar man, en haar wetenschap maakt zijn
807 26, 15| vrouw die weinig spreekt, en van een goed gemoed is,
808 26, 15| is een gave des Heren, en daar is niets waartegen
809 26, 16| 16 Een schaamachtige en getrouwe vrouw, is genade
810 26, 16| vrouw, is genade op genade, en daar is geen ding van zulk
811 26, 20| uw leven in gezond heid, en geef de vreemde uw sterkte
812 26, 22| vruchten overblijvende, en vrijmoedigheid van het edele
813 26, 29| die groot getier maakt, en de tong dapper weet te roeren,
814 26, 29| tot afwering der vijanden; en een ieders mensen ziel,
815 26, 30| hart bedroefd geworden, en over het derde is mij gramschap
816 26, 31| laatste armoe gaat lijden; en indien verstandige mannen
817 26, 33| nauwelijks vrij van mishandeling; en een waard zal niet gerechtvaardigd
818 27, 1 | om een middelmatige zaak, en die zoekt zijn goed te vermeerderen,
819 27, 2 | de zonde tussen verkopen en kopen worden gewreven.~
820 27, 8 | zult gij het achterhalen, en zult het aantrekken als
821 27, 9 | nestelt bij zijns gelijken, en de waarheid komt weder tot
822 27, 13| der zotten is verdriet, en hun lachen bestaat in dartelheid
823 27, 14| de haren overeind staan, en hun strijd maakt dat men
824 27, 15| brengt bloedvergieting, en hun schelden is moeilijk
825 27, 16| die verliest zijn geloof, en zal geen vriend vinden naar
826 27, 17| uw vriend hartelijk lief en zijt hem getrouw.~
827 27, 20| 20 En gelijk alsof gij een vogel
828 27, 20| gij uw naaste verlaten, en zult hem niet weder vangen.~
829 27, 21| hij is verre van u weg, en is het ontvloden gelijk
830 27, 22| wond kan men verbinden, en voor een scheldwoord is
831 27, 23| die smeedt boze dingen, en wie die kent zal van hem
832 27, 24| zijn mond zoet spreken, en hij zal zich over uw woorden
833 27, 24| zal hij anders spreken, en maken dat in uw woorden
834 27, 25| 25 Ik haat zulk een zeer, en vergelijk niemand bij hem,
835 27, 25| vergelijk niemand bij hem, en de Here zal hem haten.~
836 27, 27| die zal daarin vallen, en die een strik voor anderen
837 27, 28| dat kwaad herberg nemen, en hij zal niet weten vanwaar
838 27, 29| De hovaardigen bespotten en verwijten, en de wraak loert
839 27, 29| bespotten en verwijten, en de wraak loert op hen gelijk
840 27, 30| een strik gevangen worden, en smart zal hen verteren voor
841 27, 30| verteren voor hun dood; haat en toorn en dergelijke zijn
842 27, 30| hun dood; haat en toorn en dergelijke zijn gruwelen,
843 27, 30| dergelijke zijn gruwelen, en een zon daar zal daarmee
844 28, 1 | van de Here wraak vinden, en hij zal zijn zonden zeker
845 28, 2 | dat hij u gedaan heeft, en wanneer gij dan zult gebeden
846 28, 3 | tegen de andere mens toorn, en bij de Here zoekt hij genezing.~
847 28, 4 | 4 En hij heeft geen barmhartigheid
848 28, 4 | mens die hem gelijk is, en bidt om zijn zonden.~
849 28, 5 | zijnde, behoudt vijandschap en wie zal zijn zonden verzoenen?~
850 28, 6 | Gedenk aan uw uiterste, en houd op vijandschap te oefenen.~
851 28, 7 | naaste tot zijn verderf en dood, maar blijf in de geboden.~
852 28, 8 | 8 Gedenk aan de geboden, en oefen geen vijandschap tegen
853 28, 8 | vijandschap tegen de naaste, en aan het verbond des Allerhoogsten,
854 28, 8 | verbond des Allerhoogsten, en overzie zijn onwetendheid.~
855 28, 9 | 9 Onthoud u van strijd, en gij zult de zonden verminderen,
856 28, 10| zondaar ontroert vrienden, en onder degenen die vrede
857 28, 11| sterker zijn gramschap is; en hoe rijker de mens is, hoe
858 28, 12| twist ontsteekt het vuur, en een haastend gevecht vergiet
859 28, 13| spuwt, zo zal zij uitgaan; en dit komt beide uit uw mond.~
860 28, 14| Vervloek een oorblazer, en een tweetongig mens want
861 28, 15| tong heeft velen bewogen, en heeft hen van het ene volk
862 28, 16| 16 En heeft vaste steden vernield,
863 28, 16| heeft vaste steden vernield, en huizen der groten omgekeerd.~
864 28, 17| mannelijke vrouwen verdreven, en heeft haar beroofd van haar
865 28, 22| juk niet getrokken heeft, en met haar banden niet is
866 28, 23| juk is een ijzeren juk, en haar banden zijn metalen
867 28, 24| Haar dood is een boze dood, en het graf is nuttiger dan
868 28, 25| gans geen macht hebben, en door haar vlam zullen zij
869 28, 26| verlaten, zullen in haar vallen en in hen zal zij worden ontstoken,
870 28, 26| zal zij worden ontstoken, en niet uitgeblust worden;~
871 28, 27| gezonden worden als een leeuw, en gelijk een luipaard zal
872 28, 28| hetgeen gij bezit met doornen, en maak voor uw mond deuren
873 28, 28| maak voor uw mond deuren en grendelen.~
874 28, 29| 29 Bind uw goud en uw zilver tezamen, en maak
875 28, 29| goud en uw zilver tezamen, en maak voor uw woorden een
876 28, 29| woorden een weegschaal, en voor uw mond een deur en
877 28, 29| en voor uw mond een deur en grendel.~
878 29, 1 | oefent, die leent zijn naaste en wie hem sterkt met zijn
879 29, 2 | de tijd zijner behoefte, en wederom, geef het uw naaste
880 29, 3 | 3 Bevestig uw woord en zijt hem getrouw en gij
881 29, 3 | woord en zijt hem getrouw en gij zult hem te allen tijde
882 29, 4 | geleende als gevonden is, en doen de genen moeite aan,
883 29, 5 | hij zijn naastens handen, en om des naasten geld vernedert
884 29, 6 | dan stelt hij de tijd uit, en geeft reden van zijn zorgeloosheid
885 29, 6 | reden van zijn zorgeloosheid en wijt het de tijd.~
886 29, 7 | 7 En indien hij het vermag te
887 29, 7 | nauwelijks de helft brengen, en zal het rekenen als gevonden.~
888 29, 8 | berooft hij hem van zijn geld, en maakt hem tot een vijand
889 29, 9 | betaalt hem met vloeken en scheldwoorden, en voor eer
890 29, 9 | vloeken en scheldwoorden, en voor eer vergeldt hij hem
891 29, 10| wenden zich van de mens af, en vrezen dat zij van het hunne
892 29, 11| naasten zijt lankmoedig, en stel hem niet uit met uw
893 29, 12| arme aan vanwege het gebod, en keer u niet af van zijn
894 29, 13| Verlies uw geld om uws vriends en broeders wil, en verberg
895 29, 13| vriends en broeders wil, en verberg dat niet onder een
896 29, 14| geboden des Allerhoogsten, en hij zal u voordeliger zijn
897 29, 15| aalmoes in uw schatkamers, en ze zal u redden uit alle
898 29, 16| meer dan een sterk schild, en meer dan een harde spies,
899 29, 20| geworden is, zal vlieden, en een onnut mens zal in zijn.
900 29, 21| verdorven, die welgesteld waren, en heeft hen bewogen gelijk
901 29, 23| in borgschap vervallen, en die aanneming van zware
902 29, 24| naasten aan naar uw vermogen, en heb acht op uzelf dat gij
903 29, 25| leven des mensen is water en brood en een kleed, en een
904 29, 25| mensen is water en brood en een kleed, en een huis dat
905 29, 25| water en brood en een kleed, en een huis dat bedekt hetgeen
906 29, 29| 29 Gij zult gasten hebben en te drinken geven de ondankbaren,
907 29, 29| drinken geven de ondankbaren, en nog daartoe bittere woorden
908 29, 30| ga heen, bereid de tafel, en zo gij wat hebt, spijs mij.~
909 29, 32| bestraffing vanwege het huis, en het verwijt van die hem
910 30, 2 | over hem verblijd worden, en in het midden der vermaarde
911 30, 3 | tot jaloersheid verwekken en in tegenwoordigheid der
912 30, 5 | zijn leven zag hij hem, en was over hem verheugd, en
913 30, 5 | en was over hem verheugd, en in zijn dood was hij niet
914 30, 6 | de vijanden wreken zal, en de vrienden weder dankbaar
915 30, 7 | die verbindt zijn wonden, en op elk roepen worden zijn
916 30, 8 | ongetemd paard wordt wrevelig, en een ongebonden zoon wordt
917 30, 9 | 9 Streel uw kind, en het zal u verschrikken;
918 30, 9 | verschrikken; speel met hem, en het zal u bedroeven.~
919 30, 10| opdat u geen smart overkome, en gij ten laatste op uw tanden
920 30, 11| geen macht in de jeugd, en overzie zijn onwetend heden
921 30, 12| hem zijn hals in de jeugd, en breek zijn lendenen, terwijl
922 30, 12| zijnde, u ongehoorzaam, en uw ziel een smart zij.~
923 30, 13| 13 Onderwijs uw zoon, en maak uw werk van hem, opdat
924 30, 14| 14 Een arme die gezond en sterk van lijf en leden
925 30, 14| gezond en sterk van lijf en leden is, die is beter dan
926 30, 15| 15 Gezondheid en welgesteld te zijn van lichaam,
927 30, 15| is beter dan al het goud, en een goed sterk lichaam dan
928 30, 16| gezondheid des lichaams, en daar is geen vreugde boven
929 30, 19| nut? want hij eet niet, en hij riekt niet; zo gaat
930 30, 20| 20 Hij ziet de ogen, en zucht gelijk een gesnedene,
931 30, 20| gesnedene, die een maagd omvat, en zucht.~
932 30, 21| ziel niet tot droefheid, en kwel uzelf niet door uw
933 30, 22| is des mensen leven zelf, en vrolijk heid des mans verlengt
934 30, 23| 23 Heb uw ziel lief, en troost uw hart, en stel
935 30, 23| lief, en troost uw hart, en stel droefheid verre van
936 30, 24| heeft er velen verdorven en gedood.~
937 30, 25| 25 Nijdigheid en gramschap verminderen de
938 30, 25| gramschap verminderen de dagen, en bekommernis brengt ouderdom
939 30, 26| 26 Een lustig en goed hart is bezorgd over
940 31, 1 | doet het vlees verdwijnen, en daarover bekommerd zijn,
941 31, 3 | veel geld te vergaderen, en wanneer hij rust heeft,
942 31, 4 | zijn leeftocht vermindert, en als hij rust wordt hij behoeftig.~
943 31, 5 | gerechtvaardigd worden; en wie zijn verderving najaagt,
944 31, 6 | geworden om des gouds wil, en hun verderf is geweest voor
945 31, 7 | degenen die het offeren, en alle onwijze wordt daardoor
946 31, 8 | onberispelijk gevonden wordt, en die naar het goud niet gaat.~
947 31, 9 | 9 Wie is deze? en wij zullen hem zalig prijzen;
948 31, 10| Wie is daardoor beproefd en volmaakt bevonden? en hij
949 31, 10| beproefd en volmaakt bevonden? en hij zal zijn tot een roem.
950 31, 10| heeft kunnen overtreden, en heeft niet overtreden? en
951 31, 10| en heeft niet overtreden? en kwaad doen, en heeft het
952 31, 10| overtreden? en kwaad doen, en heeft het niet gedaan?~
953 31, 11| goederen bevestigd worden, en de gemeente zal zijn aalmoezen
954 31, 13| 13 En zeg niet: Daar is veel opgezet.~
955 31, 16| niet uit daar hij heenziet, en wrijf ze met hem niet in
956 31, 17| hetgeen uw naaste behaagt, en let op alle dingen.~
957 31, 18| hetgeen u voorgezet wordt, en zijt niet vraatzuchtig,
958 31, 19| omdat gij onderwezen zijt, en zijt niet onverzadelijk,
959 31, 20| 20 En zo gij onder velen aanzit,
960 31, 21| mens die wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed,
961 31, 21| morgens vroeg weder op, en zijn vernuft is bij hem.~
962 31, 22| 22 Moeilijk waken, en buikpijn, en pijn in de
963 31, 22| Moeilijk waken, en buikpijn, en pijn in de darmen, is bij
964 31, 23| 23 En zo gij met kost overladen
965 31, 23| door heengaande; geef over, en gij zult weder rust hebben.~
966 31, 24| 24 Hoor mij, mijn kind, en veracht mij niet, en gij
967 31, 24| kind, en veracht mij niet, en gij zult ten laatste de
968 31, 25| in al uw werken wakker, en geen krankheid zal u ontmoeten.~
969 31, 26| spijs, zegenen de lippen, en de getuigenis zijner heerlijkheid
970 31, 27| die murmureert de stad, en de getuigenis zijner karigheid
971 31, 32| maakt vrolijkheid des harten en verheuging der ziel, ter
972 31, 32| ziel, ter rechter tijd, en zoveel genoeg is gedronken.~
973 31, 33| bitterheid der ziel door twist en ongeval.~
974 31, 34| aanstoot, vermindert sterkte, en brengt wonden.~
975 31, 35| naaste niet in het wijngelag, en veracht hem niet in zijn
976 31, 36| 36 En zeg hem geen verwijtend
977 31, 36| hem geen verwijtend woord, en verdruk hem niet, wanneer
978 32, 2 | 2 Bezorg hen, en zet u zo neder.~
979 32, 3 | 3 En doe al wat nodig is te doen,
980 32, 3 | al wat nodig is te doen, en als gij zult geprezen zijn,
981 32, 3 | hunnentwege verheugd zijt, en om wel versierd te wezen
982 32, 4 | met ernstige wetenschap, en gij zult het snarenspel
983 32, 5 | giet daar uw rede niet uit, en zijt niet wijs buiten tijds.~
984 32, 8 | als het u van node is, en zulks nauwe lijks, indien
985 32, 9 | gelijk als een die verstaat en evenwel zwijgt.~
986 32, 10| maak u hun niet gelijk, en waar oude lieden zijn, heb
987 32, 11| haast voor de donder heen, en voor een eerbaar mens gaat
988 32, 12| 12 Word bij tijds wakker, en zijt niet van de laatsten;
989 32, 12| laatsten; loop heen naar huis, en vertraag niet.~
990 32, 13| 13 Speel aldaar, en doe wat gij voorgenomen
991 32, 13| hebt, maar niet met zonden en hovaardige woorden.~
992 32, 14| 14 En dank hiervoor Hem die u
993 32, 14| Hem die u gemaakt heeft, en u dronken maakt van zijn
994 32, 15| zijn onderwijzing aannemen, en die zich vroeg tot Hem maken,
995 32, 17| zullen vinden dat recht is, en zullen gerechtigheden aansteken
996 32, 18| ontwijkt de bestraffing, en naar zijn wil vindt hij
997 32, 19| bedenking niet, maar een vreemde en hovaardige is voor vrees
998 32, 19| voor vrees niet vervaard, en nadat hij iets gedaan heeft,
999 32, 20| 20 Doe niets zonder raad, en als gij het gedaan hebt,
1000 32, 21| waarop men lichtelijk valt, en gij zult tegen geen steenachtige
1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-1650 |