Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
elkeen 1
elleboog 1
ellendig 1
en 1650
ene 11
ener 2
enerlei 1
Frequency    [«  »]
-----
-----
-----
1650 en
1476 de
828 een
692 zijn

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

en

1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-1650

     Chapter, Verse
1001 32, 22| die zonder aanstoot is, en wacht u voor uw kinderen.~ 1002 32, 24| gelooft, die let op het gebod, en wie zijn betrouwen op hem 1003 33, 3 | verstandig mens vertrouwt de wet, en de wet is hem getrouw.~ 1004 33, 4 | klaar is, zo bereid de rede, en zo zult gij gehoord worden; 1005 33, 4 | de onderwijzing tezamen en antwoord dan.~ 1006 33, 5 | gelijk het rad aan een wagen, en zijn overlegging is gelijk 1007 33, 8 | des Heren onderscheiden, en hij heeft de tijden en de 1008 33, 8 | en hij heeft de tijden en de feesten veranderd.~ 1009 33, 9 | heeft hij sommige verhoogd en geheiligd, en uit hen sommige 1010 33, 9 | sommige verhoogd en geheiligd, en uit hen sommige gesteld 1011 33, 10| 10 En alle mensen komen van de 1012 33, 10| komen van de aardbodem, en uit de aarde is Adam geschapen.~ 1013 33, 11| wetenschap onderscheiden, en hun wegen veranderd.~ 1014 33, 12| uit hen heeft hij gezegend en verhoogd, en enigen uit 1015 33, 12| hij gezegend en verhoogd, en enigen uit hen heeft hij 1016 33, 12| hen heeft hij geheiligd, en tot hem doen naderen, enigen 1017 33, 12| hen heeft hij vervloekt en vernederd en ze van hun 1018 33, 12| hij vervloekt en vernederd en ze van hun staat af gestort.~ 1019 33, 15| goede staat tegen het kwade, en het leven tegen de dood, 1020 33, 15| tegen de godvrezende man; en ingelijks, aanschouw al 1021 33, 16| 16 En ik ben de laatste ontwaakt 1022 33, 16| zegen des Heren bevorderd, en heb de wijnpers gevuld gelijk 1023 33, 18| 18 Hoort gij groten, en gij die de gemeente regeert, 1024 33, 19| zoon een vrouw, broeder en vriend geen macht over u, 1025 33, 19| over u, zo lang gij leeft, en geef uw goederen aan geen 1026 33, 20| Zolang als gij nog leeft en adem in u is, geef uzelf 1027 33, 22| werken anderen te boven gaat, en hang geen schandvlek aan 1028 33, 23| der dagen van uw leven, en in de tijd uws doods.~ 1029 33, 24| een ezel behoort voeder, en een stok en last; voor een 1030 33, 24| behoort voeder, en een stok en last; voor een huisknecht 1031 33, 24| voor een huisknecht spijs, en tuchtiging, en werk.~ 1032 33, 24| huisknecht spijs, en tuchtiging, en werk.~ 1033 33, 25| werken door tuchtiging, en hij zal rust zoeken; laat 1034 33, 25| hem de handen ledig zijn, en hij zal vrijheid zoeken.~ 1035 33, 26| 26 Het juk en touw buigen voor de hals 1036 33, 26| een os, maar de pijnbank en pijniging zijn voor een 1037 33, 29| jegens iemands lichaam, en doe niets zonder oordeel.~ 1038 33, 31| onrechtvaardig zoudt mishandelen, en hij oprijzende weg zou lopen, 1039 34, 1 | onverstandige man is ijdel en leugenachtig, en dromen 1040 34, 1 | is ijdel en leugenachtig, en dromen maken vleugelen voor 1041 34, 2 | naar de schaduw grijpt, en de winden najaagt, zo is 1042 34, 4 | daarvan gereinigd worden? en van de leugenaar, welke 1043 34, 5 | 5 Waarzeggerij en vogelgeschrei, en dromen 1044 34, 5 | Waarzeggerij en vogelgeschrei, en dromen zijn ijdele dingen, 1045 34, 7 | dromen hebben velen verleid, en die daarop hoop ten, zijn 1046 34, 8 | wordt de wet volbracht, en wijsheid is eens getrouwen 1047 34, 9 | heeft, weet vele dingen, en die veel ervaren heeft, 1048 34, 11| gezien in mijn afdwaling, en het is mijn verstand, dat 1049 34, 12| geweest tot de dood toe, en om deze dingen behouden.~ 1050 34, 15| die zal geen ding vrezen, en zal niet vervaard wezen, 1051 34, 16| vreest, aan wie houdt hij, en wie is zijn steunsel?~ 1052 34, 17| hun een krachtig schild en sterk steunsel; een bescherming 1053 34, 17| bescherming tegen de hitte, en een bescherming tegen de 1054 34, 17| bewaring voor de aanstoot, en een hulp tegen de val.~ 1055 34, 18| 18 Hij verhoogt de ziel, en verlicht de ogen, hij geeft 1056 34, 18| hij geeft genezing, leven en zegen.~ 1057 34, 19| offerande is bespottelijk, en de gaven der goddelozen 1058 34, 20| offeran den der goddelozen, en wordt over de zonde door 1059 34, 24| 24 En hij vergiet bloed, die het 1060 34, 25| 25 Als de een bouwt en de andere afbreekt, wat 1061 34, 26| 26 Als de een bidt en de andere vloekt, wiens 1062 34, 27| een dode heeft aangeraakt, en die weder aanraakt, welke 1063 34, 28| vast vanwege zijn zonden, en weder heengaat en hetzelfde 1064 34, 28| zonden, en weder heengaat en hetzelfde doet; wie zal 1065 34, 28| zal zijn gebed verhoren? en wat is hij daarmee gevorderd 1066 35, 2 | gelijk die meelbloem offert, en wie een aalmoes doet, die 1067 35, 3 | men afsta van boosheid, en afstaan van ongerechtigheid 1068 35, 6 | rechtvaardige maakt het altaar vet, en de goede reuk daarvan komt 1069 35, 7 | rechtvaardigen mans is aangenaam, en de gedachtenis daarvan zal 1070 35, 8 | de Here met een goed oog, en verminder de eerstelingen 1071 35, 9 | aangezicht in al uw gaven, en heilig uw tiende met verheuging.~ 1072 35, 10| hetgeen hij u gegeven heeft, en met een goed oog hetgeen 1073 35, 11| de Here is een vergelden, en hij zal het zevenvoudig 1074 35, 12| hij zou ze niet aannemen, en bemoei u met geen onrechtvaardig 1075 35, 13| de Here is een rechter, en bij hem is geen achting 1076 35, 16| der weduwe af op de wang? en haar geschrei tegen hem, 1077 35, 17| welbehagen zal aangenomen worden, en zijn gebed zal tot aan de 1078 35, 18| nederigen gaat door de wolken, en hij wordt niet getroost, 1079 35, 18| totdat hij nabij gekomen is, en laat niet af totdat de Allerhoogste 1080 35, 18| rechtvaardige zal oordelen en recht doen.~ 1081 35, 19| de Here niet vertragen, en de machtige zal niet lankmoedig 1082 35, 20| smaders zal weggenomen, en de scepters der onrecht 1083 35, 21| vergelde naar zijn handelingen, en de werken der mensen naar 1084 35, 22| het recht van zijn volk, en hen doen verheugen in zijn 1085 36, 1 | Here, gij God aller dingen, en zie ons aan.~ 1086 36, 2 | 2 En zend uw vrees over al de 1087 36, 6 | 6 Vernieuw uw tekenen, en verander uw wonderen.~ 1088 36, 7 | 7 Verheerlijk uw hand en rechterarm, opdat zij uw 1089 36, 8 | 8 Verwek uw gramschap, en giet uw toorn uit.~ 1090 36, 9 | Neem de tegenpartijder weg, en verbrijzel de vijand.~ 1091 36, 10| dat de tijd haast kome, en gedenk aan de toorn, en 1092 36, 10| en gedenk aan de toorn, en laat uw wonderen verteld 1093 36, 11| vurige toorn verslonden, en die uw volk kwellen, laat 1094 36, 13| Vergader alle stammen Jakobs, en stel hen in hun erfdeel, 1095 36, 14| naar uw naam genoemd is; en over Israël, dat gij uw 1096 36, 16| uw woorden te verheffen, en uw volk met uw heerlijkheid.~ 1097 36, 17| af uw bezittingen zijn, en verwek profeten in uw naam.~ 1098 36, 18| degenen die u verwachten, en maak dat uw profeten geloofd 1099 36, 19| van Aäron over uw volk, en allen die op aarde wonen 1100 36, 24| verblijdt het aangezicht, en gaat alle lust des mensen 1101 36, 25| haar tong barmhartigheid, en zachtmoedig heid, en genezing, 1102 36, 25| barmhartigheid, en zachtmoedig heid, en genezing, zo is haar man 1103 36, 26| heeft, die hem gelijk is, en een pilaar waar hij op rusten 1104 36, 27| hetgeen men bezit verscheurd, en waar geen vrouw is, daar 1105 36, 27| daar zal de man zuchten en dwalen.~ 1106 36, 28| niet, die geen nest heeft, en neemt herberg waar hij ook 1107 37, 2 | toe wanneer een metgezel en een vriend tot vijanden 1108 37, 4 | zijn vriend in verheuging, en in de tijd van verdrukking 1109 37, 5 | vriend om des buiks wil, en neemt een schild tegen de 1110 37, 6 | vriend niet in uw hart, en stel hem niet in vergetelheid, 1111 37, 7 | die u overdwars aanziet, en verberg uw raad voor degenen 1112 37, 9 | ziel voor de raadgever, en verneem eerst wat zijn behoefte 1113 37, 10| 10 En zegge tot u: Uw weg is goed, 1114 37, 10| zegge tot u: Uw weg is goed, en stelle zich tegenover u 1115 37, 11| die u overdwars aanziet, en verberg uw raadslag voor 1116 37, 13| die gezind is gelijk gij, en indien gij zoudt komen te 1117 37, 16| 16 En in alle deze bid de Allerhoogste, 1118 37, 17| van het werk is de rede, en beraadslaging gaat voor 1119 37, 19| goede, het kwade, het leven en de dood en de tong is het, 1120 37, 19| kwade, het leven en de dood en de tong is het, die gedurig 1121 37, 20| een onderwijzer van velen, en hij is zijn ziel niet nut.~ 1122 37, 21| wijsheid voorgeeft met woorden en is hatelijk; deze ontbreekt 1123 37, 23| Menigeen is wijs voor zichzelf, en de vruchten van zijn verstand 1124 37, 24| onderwijst zijn eigen volk, en de vruchten van zijn verstand 1125 37, 25| vervuld worden met zegen, en allen die hem zien, zullen 1126 37, 27| beërven onder zijn volk, en zijn naam zal in eeuwigheid 1127 37, 28| ziel terwijl gij leeft, en zie wat voor haar schadelijk 1128 37, 28| voor haar schadelijk is, en geef het haar niet.~ 1129 37, 29| dingen zijn allen niet nut, en ieder neemt geen vermaak 1130 37, 30| onverzadelijk in alle lekkernijen, en stort u niet heen op de 1131 37, 31| veel spijs komt ziekte, en de onverzadelijkheid nadert 1132 38, 2 | is van de Allerhoogste, en door de koning wordt de 1133 38, 3 | geneesheer verhoogt zijn hoofd, en bij de groten is hij in 1134 38, 4 | uit de aarde geschapen, en een voorzichtig man verontwaardigt 1135 38, 7 | Door deze heelt hij de mens en neemt zijn krankheid weg.~ 1136 38, 8 | apotheker mengt ze ondereen, en zijn werken hebben geen 1137 38, 8 | werken hebben geen einde, en van hem komt gezondheid 1138 38, 9 | niet, maar bid de Here, en hij zal u genezen.~ 1139 38, 10| 10 Sta af van misdaden, en houd de hand recht, en reinig 1140 38, 10| en houd de hand recht, en reinig uw hart van alle 1141 38, 11| Here een welriekende reuk, en een gedachtenis van meelbloem, 1142 38, 11| gedachtenis van meelbloem, en breng hem een vette offerande, 1143 38, 11| als die niet eerst begint, en geef de geneesheer plaats.~ 1144 38, 12| Here heeft hem geschapen, en laat hem niet van u, want 1145 38, 14| dat hij hun geve, rust en genezing om te mogen leven.~ 1146 38, 16| dode laat tranen vallen, en begin te wenen als die zware 1147 38, 16| zijn lichaam naar behoren, en veracht zijn begrafenis 1148 38, 17| 17 Ween bitter, en wees vurig in het geklag;~ 1149 38, 18| 18 En, maak de rouw naar zijn 1150 38, 18| twee, om der lastering wil, en troost u vanwege de droefenis.~ 1151 38, 19| droefheid komt de dood, en droefheid des harten kromt 1152 38, 20| blijft ook de droefheid, en het leven van een arme is 1153 38, 22| vandaar is geen wederkomst, en hem zult gij geen voordeel 1154 38, 22| gij geen voordeel doen, en uzelf zult gij kwellen.~ 1155 38, 23| het uwe zijn; mij gisteren en u heden.~ 1156 38, 24| zijn gedachtenis rusten, en troost u over hem, wanneer 1157 38, 25| gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig is in 1158 38, 26| worden, die de ploeg houdt, en roem draagt in de prikkel, 1159 38, 26| prikkel, die de ossen drijft, en opgevoed wordt in de werken 1160 38, 26| wordt in de werken derzelve, en die van jonge stieren weet 1161 38, 27| begeven om voren te maken, en zal waken om de koeien voeder 1162 38, 28| met ieder schrijnwerker en timmerman, die de nacht 1163 38, 29| die de zegelen uitsteekt, en die steeds daarover blijft 1164 38, 30| schilderij na te maken, en waakt om het werk te voleinden.~ 1165 38, 31| nabij het aanbeeld zit, en slaat het ijzerwerk gade; 1166 38, 31| vuur versmelt zijn vlees, en hij heeft met de hitte des 1167 38, 32| 32 De klank van de hamer en het aanbeeld vernieuwt zijn 1168 38, 32| aanbeeld vernieuwt zijn oor, en zijn ogen zijn tegenover 1169 38, 33| zijn werken te voleinden, en waakt om ze te versieren, 1170 38, 34| pottenbakker zit op zijn werk, en drijft met zijn voeten het 1171 38, 34| bezorgd is over zijn werk, en al zijn arbeid heeft zijn 1172 38, 35| hij het leem een gestalte, en voor zijn voeten buigt hij 1173 38, 36| daartoe wat hij wel verglaze, en waakt om de oven te reinigen.~ 1174 38, 37| vertrouwen op hun handen, en elk is verstandig in zijn 1175 38, 38| geen stad gebouwd worden, en men zal daar niet in wonen 1176 38, 38| zij niet gevorderd worden, en in de vergadering zullen 1177 38, 39| rechters zitten zij niet, en het verbond van het recht 1178 38, 39| recht verstaan zij niet, en brengen geen onderwijzing 1179 38, 39| brengen geen onderwijzing en recht te voorschijn.~ 1180 38, 40| bevestigen het bezit der wereld, en hun wens is dat zij in hun 1181 38, 41| zijn ziel daartoe begeeft, en die zijn betrachting heeft 1182 39, 1 | de wijsheid aller ouden, en is bezig in de profetieën.~ 1183 39, 2 | vermaarde manen onthoudt hij, en in kloeke spreuken gaat 1184 39, 3 | verborgen spreekwoorden, en in raadselen der spreuken 1185 39, 4 | onder de groten dient hij, en onder de vorsten wordt hij 1186 39, 5 | want hij heeft wat goed en kwaad is onder de mensen 1187 39, 6 | degene die hem gemaakt heeft, en tot de Allerhoogste smeekt 1188 39, 7 | 7 En doet zijn mond open tot 1189 39, 7 | mond open tot het gebed, en smeekt voor zijn zonden.~ 1190 39, 9 | als een regen uitgieten, en in zijn gebed dankt hij 1191 39, 10| Hij maakt zijn raadslag en wetenschap recht, en overlegt 1192 39, 10| raadslag en wetenschap recht, en overlegt zijn verborgen 1193 39, 11| zijner leer te voorschijn, en in de wet van het verbond 1194 39, 12| zullen zijn verstand prijzen, en dat zal in eeuwigheid niet 1195 39, 13| gedachtenis zal niet vergaan, en zijn naam zal leven tot 1196 39, 14| wijsheid vertellen de volken, en de gemeente verkondigt zijn 1197 39, 15| nalaten dan duizend anderen; en indien hij komt te rusten, 1198 39, 17| Gij heiligen hoort mij, en spruit uit gelijk een roos, 1199 39, 18| 18 En brengt een bloem voort gelijk 1200 39, 18| lelie; geeft een reuk van u, en zingt een lofzang.~ 1201 39, 19| werken met gezang der lippen, en met citers; en zegt zo in 1202 39, 19| der lippen, en met citers; en zegt zo in uw dankzegging:~ 1203 39, 20| Heren zijn alle zeer schoon, en al wat hij gebiedt geschiedt 1204 39, 21| het water gelijk een hoop, en door het woord van zijn 1205 39, 22| welbehagen is in zijn gebod, en daar is niemand die verminderen 1206 39, 23| zijn voor zijn aangezicht, en daar kan niets verborgen 1207 39, 24| tot eeuw ziet hij daarop, en daar is niets te wonderlijk 1208 39, 26| aarde gelijk een rivier, en gelijk een watervloed het 1209 39, 30| mensen nodig is, is water, en vuur, en ijzer, en zout, 1210 39, 30| nodig is, is water, en vuur, en ijzer, en zout, en tarwemeel, 1211 39, 30| water, en vuur, en ijzer, en zout, en tarwemeel, en melk 1212 39, 30| vuur, en ijzer, en zout, en tarwemeel, en melk en honig, 1213 39, 30| en zout, en tarwemeel, en melk en honig, druivenbloed, 1214 39, 30| zout, en tarwemeel, en melk en honig, druivenbloed, en 1215 39, 30| en honig, druivenbloed, en olie, en een kleed.~ 1216 39, 30| druivenbloed, en olie, en een kleed.~ 1217 39, 32| tot wraak geschapen zijn, en door hun gramschap bevestigt 1218 39, 32| gieten zij hun sterkte uit, en stillen de gramschap desgenen 1219 39, 33| 33 Het vuur en de zee, en de honger, en 1220 39, 33| 33 Het vuur en de zee, en de honger, en de dood; al 1221 39, 33| en de zee, en de honger, en de dood; al deze dingen 1222 39, 34| tanden der wilde dieren, en de schorpioenen, en adders, 1223 39, 34| dieren, en de schorpioenen, en adders, en het zwaard doende 1224 39, 34| schorpioenen, en adders, en het zwaard doende wraak 1225 39, 36| 36 En op de aarde zijn zij gereed 1226 39, 36| gereed tot zijn diensten, en wan neer hun tijd gekomen 1227 39, 37| hierin bevestigd geworden, en heb deze dingen overdacht 1228 39, 37| heb deze dingen overdacht en in geschrift nagelaten.~ 1229 39, 38| werken des Heren zijn goed, en al wat nodig is verleent 1230 39, 39| 39 En men mag niet zeggen: Dit 1231 39, 40| 40 En nu, lofzingt met uw ganse 1232 39, 40| lofzingt met uw ganse hart en mond, en looft de naam des 1233 39, 40| met uw ganse hart en mond, en looft de naam des Heren.~ ~ ~ ~ 1234 40, 1 | een grote onrust geschapen en een zwaar juk op de kinderen 1235 40, 2 | Aangaande hun gedachten, en de vrees des harten, zo 1236 40, 3 | vernederd is, zittende in aarde en as.~ 1237 40, 4 | die een purperen kleed en een kroon draagt, als bij 1238 40, 5 | 5 Hij bekomt gramschap en nijdigheid, ontroering en 1239 40, 5 | en nijdigheid, ontroering en beweging, en vrees des doods, 1240 40, 5 | ontroering en beweging, en vrees des doods, en haat 1241 40, 5 | beweging, en vrees des doods, en haat en twist, en wanneer 1242 40, 5 | vrees des doods, en haat en twist, en wanneer het tijd 1243 40, 5 | doods, en haat en twist, en wanneer het tijd is om te 1244 40, 6 | 6 Hij heeft weinig, en gelijk als geen rust, en 1245 40, 6 | en gelijk als geen rust, en daarna slaapt hij gelijk 1246 40, 7 | uit de krijg ontvloden is, en ontwakende in de tijd zijner 1247 40, 9 | 9 Dood en twist, en zwaard, en bloed; 1248 40, 9 | 9 Dood en twist, en zwaard, en bloed; invoering 1249 40, 9 | Dood en twist, en zwaard, en bloed; invoering van de 1250 40, 9 | invoering van de honger, en der verplettering, en van 1251 40, 9 | honger, en der verplettering, en van de gesel; deze dingen 1252 40, 9 | de goddelozen geschapen, en om hunnentwil is de zondvloed 1253 40, 10| keert wederom tot aarde, en al wat van water is, wendt 1254 40, 11| 11 Alle geschenk en ongerechtigheid zal uitgedelgd 1255 40, 12| als een stroom uitdrogen, en gelijk een grote donder 1256 40, 15| Hun groente aan alle water en oever van een stroom zal 1257 40, 16| lusthof met zegeningen, en aalmoes blijft in eeuwigheid.~ 1258 40, 17| die zich genoegen laat, en des arbeiders, is zoet, 1259 40, 18| 18 Kinderen, en opbouw der stad onderstutten 1260 40, 19| 19 Wijn en muziek verheugen het hart, 1261 40, 20| 20 De fluit en het snarenspel geven een 1262 40, 21| in hetgeen dat aangenaam en schoon is, maar in de groente 1263 40, 22| 22 Een vriend en zijn gezel komen elkander 1264 40, 23| 23 Broeders en hulp zijn goed in de tijd 1265 40, 24| 24 Goud en zilver stellen de voet vast, 1266 40, 25| 25 Geld en sterkte verhogen het hart, 1267 40, 26| Heren geen vermindering, en hij behoeft voor zichzelf 1268 40, 27| gelijk een gezegende lusthof, en boven alle heerlijkheid 1269 40, 30| Maar een verstandig man. en die onderwezen is, wacht 1270 41, 2 | man die goede rust heeft, en die het welgaat in alles, 1271 41, 2 | die het welgaat in alles, en nog sterk is om spijs te 1272 41, 3 | een mens, die behoeftig is en die aan sterkte afgenomen 1273 41, 4 | zijn uiterste ouderdom is, en omtrent alle dingen bezig 1274 41, 4 | omtrent alle dingen bezig is, en zichzelf mistrouwt, en de 1275 41, 4 | en zichzelf mistrouwt, en de lijdzaamheid verloren 1276 41, 5 | die voor u geweest zijn, en die na u komen zullen, want 1277 41, 6 | 6 En wat wilt gij weigerend zijn 1278 41, 8 | worden gruwelijke kinderen, en die in de gebuurschappen 1279 41, 9 | kinderen der zondaars vergaat, en bij hun zaad blijft gedurig 1280 41, 12| het is tot verderfenis, en indien gij geboren wordt, 1281 41, 12| gij tot een vloek geboren, en indien gij sterft, zo wordt 1282 41, 18| wijsheid, die verborgen is, en een schat, die niet te voorschijn 1283 41, 20| dingen schaamte te houden, en alle dingen worden niet 1284 41, 21| 21 Schaam u voor vader en moeder vanwege hoererij, 1285 41, 21| moeder vanwege hoererij, en voor een vorst en machtige 1286 41, 21| hoererij, en voor een vorst en machtige vanwege de leugen;~ 1287 41, 22| 22 Voor een rechter en overste vanwege mishandeling, 1288 41, 22| mishandeling, voor een vergadering en voor het volk, vanwege overtreding 1289 41, 23| 23 Voor een metgezel en vriend vanwege ongerechtigheid, 1290 41, 23| vanwege ongerechtigheid, en voor de plaats, waar gij 1291 41, 24| verachting van Gods waarheid en verbond; en met de elleboog 1292 41, 24| Gods waarheid en verbond; en met de elleboog te liggen 1293 41, 24| te liggen op het brood, en voor schandelijke afwijzing 1294 41, 24| afwijzing in het ontvangen en uitgeven.~ 1295 41, 25| aanschouwen van een lichte vrouw; en dat gij uw aangezicht afwendt 1296 41, 26| iemands deel weg te nemen, en hetgeen hem gegeven is, 1297 41, 26| hetgeen hem gegeven is, en te letten op een vrouw die 1298 41, 27| met anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt 1299 41, 28| woorden der verwijting, en als gij hem wat gegeven 1300 41, 29| hetgeen gij gehoord hebt, en te openbaren verborgen zaken;~ 1301 41, 30| recht schaamachtig zijn, en gunst vinden bij alle mensen.~ ~ 1302 42, 1 | deze navolgende dingen, en neem geen persoon aan om 1303 42, 2 | de wet des Allerhoogsten en het verbond, en vanwege 1304 42, 2 | Allerhoogsten en het verbond, en vanwege het oordeel, om 1305 42, 3 | horen spreken uw metgezel, en die met u over weg reizen; 1306 42, 4 | 4 En schaam u niet, dat gij nauw 1307 42, 4 | gij nauw let op de waag en het gewicht; noch dat gij 1308 42, 5 | verscheidenlijk verkoopt, en dat gij de kinderen wel 1309 42, 7 | vrouw is verzegelen goed, en waar veel handen zijn sluit 1310 42, 8 | overgeeft, doe het bij getal en gewicht, en stel alles, 1311 42, 8 | het bij getal en gewicht, en stel alles, uitgifte en 1312 42, 8 | en stel alles, uitgifte en ontvangst, in geschrift.~ 1313 42, 9 | 9 En schaam u niet dat gij een 1314 42, 9 | dat gij een onverstandige en dwaas onderwijst, en een 1315 42, 9 | onverstandige en dwaas onderwijst, en een geheel oude, die met 1316 42, 10| 10 En gij zult recht onderwezen, 1317 42, 10| gij zult recht onderwezen, en bij een ieder, die leeft, 1318 42, 11| vader een heimelijk waken, en zijn zorg voor haar beneemt 1319 42, 12| 12 En in haar jeugd vreest hij 1320 42, 12| misschien niet veroude, en is zij getrouwd, dat zij 1321 42, 13| niet misschien ontreinigd, en in haars vaders huis zwanger 1322 42, 13| vaders huis zwanger worde, en hebbende een man, dat zij 1323 42, 13| niet misschien overtrede, en getrouwd zijnde, niet misschien 1324 42, 14| in de stad van u spreke en het volk u naroepe, en zij 1325 42, 14| spreke en het volk u naroepe, en zij u beschame in de menigte 1326 42, 15| schoonheid van enig mens, en zit niet in het midden der 1327 42, 16| klederen komt de mot voort, en van de vrouw de boosheid 1328 42, 18| gedenken de werken des Heren, en hetgeen ik gezien heb zal 1329 42, 19| verlichtende ziet op alle dingen, en haar werk is vol van de 1330 42, 22| 22 De afgrond en het hart onderzoekt hij, 1331 42, 22| het hart onderzoekt hij, en is bedacht op de boze aanslagen 1332 42, 23| Allerhoogste kent alle wetenschap, en ziet op de tekenen der eeuw.~ 1333 42, 24| die voorbijgegaan zijn, en die nog worden zullen, en 1334 42, 24| en die nog worden zullen, en hij ontdekt de voetstappen 1335 42, 26| hij die is vóór de wereld en in der eeuwigheid.~ 1336 42, 27| vermeerderd, noch verminderd; en behoeft geen raadgever.~ 1337 42, 28| zijn werken om te begeren! en om aanschouwd te worden 1338 42, 29| 29 Al deze dingen leven en blijven in der eeuwigheid 1339 42, 29| eeuwigheid in al hun gebruik en zijn hem alle gehoorzaam.~ 1340 42, 30| een tegenover het ander, en hij heeft niets gebrekkigs 1341 42, 31| bevestigt het goede des anderen, en wie zal verzadigd worden 1342 43, 3 | verdroogt zij het land, en wie zal tegen haar hitte 1343 43, 4 | die de bergen aansteekt, en vurige dampen uitblaast, 1344 43, 4 | vurige dampen uitblaast, en met het glinsteren van haar 1345 43, 5 | groot, die ze gemaakt heeft, en die haar loop door woorden 1346 43, 6 | een aanwijzing der tijden, en tot een teken der eeuw.~ 1347 43, 11| gesteld tot een veroordeling, en worden niet verhinderd in 1348 43, 12| 12 Zie de regenboog, en loof hem die hem gemaakt 1349 43, 14| hij de sneeuw ophouden, en verhaast de bliksem zijns 1350 43, 15| worden de schatten geopend, en de wolken vliegen uit, gelijk 1351 43, 16| versterkt hij de wolken, en de hagelstenen worden verbroken.~ 1352 43, 17| de aarde in barensnood, en door zijn aanschouwen worden 1353 43, 18| wil blaast de zuidenwind, en de buiige noorden wind, 1354 43, 18| de buiige noorden wind, en de wervelwind.~ 1355 43, 19| die nederwaarts vliegen, en ze daalt af gelijk de sprinkhanen, 1356 43, 20| schoonheid van haar witheid, en het hart wordt ontsteld 1357 43, 21| 21 En hij giet de rijm op de aarde 1358 43, 22| koude noordenwind blaast, en het water tot ijs bevriest, 1359 43, 22| vergadering van het water neder, en trekt het water gelijk als 1360 43, 23| 23 Hij verteert de bergen en verbrandt de woestijn, en 1361 43, 23| en verbrandt de woestijn, en blust het groene gras uit, 1362 43, 25| Heren staat de afgrond stil, en die heeft daarin eilanden 1363 43, 26| vertellen het gevaar daarvan, en wij zijn verwonderd als 1364 43, 27| daar zijn ongelofelijke en wonderlijke werken; verscheidenheid 1365 43, 27| verscheidenheid van alle gedierten en onderscheid der walvissen.~ 1366 43, 28| is zijn bode voorspoedig, en door zijn woord bestaan 1367 43, 29| het niet kunnen bereiken, en opdat ik mijn woorden voleindige, 1368 43, 31| Verschrikkelijk is de Here, en zeer groot, en zijn vermogen 1369 43, 31| de Here, en zeer groot, en zijn vermogen is wonderbaar.~ 1370 43, 32| 32 Verheerlijkt de Here en verhoogt hem zoveel gij 1371 43, 33| 33 Verhoogt hem en brengt hem veel sterkte 1372 43, 34| 34 Wie heeft hem gezien, en zal het vertellen? en wie 1373 43, 34| gezien, en zal het vertellen? en wie zal hem groot maken 1374 43, 36| heeft alle dingen gemaakt, en heeft de god vrezende wijsheid 1375 44, 1 | heerlijke mannen prijzen, en onze vaderen van geslachten.~ 1376 44, 3 | geheerst in hun koninkrijken, en zijn vermaarde mannen geweest 1377 44, 4 | raad gaven met verstand, en verkondigd hebben van profetieën.~ 1378 44, 5 | het volk in de raadslagen, en in het verstand der beschreven 1379 44, 6 | geweest in hun onderwijzing, en zij zochten liefelijke gezangen 1380 44, 6 | gezangen uit van muziek, en verhaalden beschreven gedichten.~ 1381 44, 7 | mannen, voorzien met sterkte, en vreedzaam levende in hun 1382 44, 8 | geslachten verheerlijkt geweest en in hun dagen beroemd.~ 1383 44, 10| waarvan geen gedachtenis is, en die vergaan zijn gelijk 1384 44, 10| zij niet geweest waren; en zijn geworden alsof zij 1385 44, 13| zaad is in de verbonden, en hun kinderen na hen.~ 1386 44, 14| eeuwigheid blijft hun zaad, en hun heerlijkheid zal niet 1387 44, 15| zijn in vrede begraven, en hun naam leeft van geslacht 1388 44, 16| hun wijsheid vertellen, en de gemeente zal hun lof 1389 44, 17| Henoch behaagde God de Here, en werd weggenomen, om het 1390 44, 18| Noach werd volkomen bevonden en rechtvaardig, in de tijd 1391 44, 19| geschiedde de zondvloed, en eeuwige verbonden werden 1392 44, 20| van menigte der volken, en daar is niemand gevonden 1393 44, 20| Allerhoogsten bewaard heeft, en met hem in een verbond geweest 1394 44, 21| Here het verbond opgericht, en in de verzoeking werd hij 1395 44, 23| 23 En hem zou vermenigvuldigen 1396 44, 23| gelijk het stof der aarde; en dat zij een erfdeel zouden 1397 44, 23| ene zee tot aan de andere, en van de rivier tot aan het 1398 44, 24| 24 En alzo heeft hij ook in Izaäk 1399 44, 24| de zegen aller mensen, en het verbond, en heeft het 1400 44, 24| mensen, en het verbond, en heeft het doen rusten op 1401 44, 25| gekend in zijn zegeningen, en hem een erfdeel gegeven, 1402 44, 25| hem een erfdeel gegeven, en heeft zijn deel gescheiden 1403 44, 26| 26 En heeft uit hem voortgebracht 1404 45, 1 | NAMELIJK Mozes, door God en de mensen bemind, wiens 1405 45, 2 | heerlijkheid gelijk gemaakt, en heeft hem door de vrees 1406 45, 2 | de tekenen doen ophouden; en heeft hem verheerlijkt voor 1407 45, 3 | bevel gegeven aan zijn volk, en heeft hem zijn heerlijkheid 1408 45, 4 | 4 Door zijn geloof en zachtmoedigheid heeft hij 1409 45, 5 | hem zijn stem laten horen, en heeft hem ingevoerd in het 1410 45, 6 | 6 En heeft hem van aangezicht 1411 45, 6 | gegeven, de wet des levens en der wetenschap; deze heeft 1412 45, 6 | Jakob het verbond geleerd, en Israël zijn rechten.~ 1413 45, 7 | verhoogd, dat hij heilig en hem gelijk ware.~ 1414 45, 8 | eeuwig verbond opgericht, en hem gegeven het priesterdom 1415 45, 8 | priesterdom onder zijn volk, en verheerlijkt met schoon 1416 45, 9 | 9 En heeft hem omgord met een 1417 45, 9 | kleed der heerlijkheid, en hem aangetrokken een volkomen 1418 45, 9 | aangetrokken een volkomen roem, en hem gesterkt met uitrusting 1419 45, 10| onderbroeken, lange rok, en lijfrok;~ 1420 45, 11| 11 En heeft hem rondom behangen 1421 45, 11| behangen met granaatappelen, en zeer veel gouden schelletjes 1422 45, 11| met geklank in het gaan; en een gerucht te maken dat 1423 45, 11| horen kon in de tempel, en dat tot een gedachtenis 1424 45, 12| Met een heilige gouden, en hemelsblauwe en purperen 1425 45, 12| gouden, en hemelsblauwe en purperen rok, het werk van 1426 45, 13| een gedachtenis geschreven en gegraveerd was het getal 1427 45, 16| 16 En niemand deed ooit deze klederen 1428 45, 16| behalve alleen zijn zonen, en die uit hem geboren waren 1429 45, 18| heeft zijn handen gevuld, en heeft hem met heilige olie 1430 45, 19| tot een eeuwig verbond, en zijn zaad zolang de hemel 1431 45, 19| zijn dienst waar te nemen, en het priesterschap te bedienen, 1432 45, 19| priesterschap te bedienen, en het volk in zijn naam te 1433 45, 20| toe te brengen; reukwerk en welriekende reuk tot gedachtenis, 1434 45, 21| hem zijn bevelen gegeven, en macht in de inzet tingen 1435 45, 21| getuigenissen te leren, en Israël door zijn wet te 1436 45, 22| zijn tegen hem opgestaan, en hebben hem benijd in de 1437 45, 22| mannen die het met Dathan en Abiram hielden, en de vergadering 1438 45, 22| Dathan en Abiram hielden, en de vergadering van Korach, 1439 45, 22| Korach, met grimmigheid en toorn.~ 1440 45, 23| 23 Maar de Here zag het, en had geen behagen daaraan, 1441 45, 23| had geen behagen daaraan, en zij zijn vernield in de 1442 45, 24| aan hen wonderen gedaan, en heeft hen verteerd door 1443 45, 25| heerlijkheid vermeerderd, en hem een erfdeel gegeven, 1444 45, 26| des Heren, welke hij hem en zijn zaad gegeven heeft.~ 1445 45, 27| volks had hij geen erfdeel, en kreeg geen deel onder het 1446 45, 28| 28 En Pinehas, de zoon van Eleazar, 1447 45, 29| 29 En gestaan had als zich het 1448 45, 29| toegenegenheid van zijn gemoed, en voor Israël verzoend had.~ 1449 45, 30| Daarom heeft de Here met hem en zijn volk opgericht een. 1450 45, 30| voorstander der heilige dingen, en dat hij en zijn zaad de 1451 45, 30| heilige dingen, en dat hij en zijn zaad de grote heerlijkheid 1452 45, 31| 31 En gelijk, volgens het verbond 1453 45, 31| erfdeel des konings heeft, en komt van de ene zoon alleen 1454 45, 31| priesterdoms Aäron toegelegd en zijn zaad.~ 1455 45, 32| goederen niet verdwijnen, en geve zijn heerlijkheid in 1456 46, 1 | was sterk in de oorlog, en kwam in Mozes' plaats in 1457 46, 2 | die tegen hen opstonden, en om Israël te brengen tot 1458 46, 3 | hij zijn handen ophief, en het zwaard tegen de steden 1459 46, 5 | 5 En is de zon niet door zijn 1460 46, 5 | hand achterwaarts gegaan? En is niet een dag als twee 1461 46, 6 | vijanden rondom onderdrukte, en de grote Here verhoorde 1462 46, 6 | grote Here verhoorde hem, en hielp door geweldige sterke 1463 46, 7 | oorlog tegen de volken, en in het afkomen tot hen vernielde 1464 46, 9 | 9 En ten tijde van Mozes deed 1465 46, 9 | hij barmhartigheid, hij en Kaleb de zoon van Jefune, 1466 46, 9 | dat het niet zou zondigen en om de boze murmurering te 1467 46, 10| 10 En deze twee zijn behouden 1468 46, 10| in het land dat van melk en honig vloeit.~ 1469 46, 11| het hoogste van het land, en zijn zaad heeft dat erfdeel 1470 46, 13| 13 En de richters, elk met zijn 1471 46, 13| hart niet heeft gehoereerd, en zo velen niet zijn afgekeerd 1472 46, 14| wederom spruit in hun plaats, en hun naam door verwisseling 1473 46, 15| koninkrijken ingesteld, en vorsten gezalfd over zijn 1474 46, 16| vergadering naar de wet des Heren, en de Here bezocht Jakob.~ 1475 46, 17| volle bevonden een profeet, en is bekend geworden door 1476 46, 18| 18 En hij riep de Here, de machtige, 1477 46, 18| vijanden rondom drukten, en offerde een melklam;~ 1478 46, 19| 19 En de Here donderde van de 1479 46, 19| Here donderde van de hemel; en maakte dat zijn stem gehoord 1480 46, 20| 20 En verdelgde de vorsten der 1481 46, 20| de vorsten der Tyriërs, en alle oversten der Filistijnen.~ 1482 46, 21| 21 En eer hij ontsliep betuigde 1483 46, 21| betuigde hij voor de Here, en zijn gezalfden, zeggende: 1484 46, 21| ik van niemand ontvangen; en geen mens klaagde over hem.~ 1485 46, 22| 22 En nadat hij ontslapen was 1486 46, 22| ontslapen was profeteerde hij, en voorzeide de koning zijn 1487 46, 22| voorzeide de koning zijn einde, en verhief zijn stem uit de 1488 47, 3 | gelijk onder geitebokjes, en onder beren, gelijk onder 1489 47, 4 | bracht hij een reus om, en nam de versmaadheid uit 1490 47, 6 | de Allerhoogste Here aan, en die gaf hem in zijn rechterhand 1491 47, 7 | verheerlijkte onder tienduizenden, en prees hem met zegeningen 1492 47, 8 | verdelgde de vijanden rondom, en bracht tot niet de Filistijnen 1493 47, 9 | gaf hij God, de heilige en Allerhoogste, de eer, met 1494 47, 10| hart zong hij lofzangen, en had degene lief die hem 1495 47, 11| 11 En heeft zangers ingesteld 1496 47, 11| een zoete toon te maken, en dagelijks God te prijzen 1497 47, 12| ingesteld dingen die wel staan, en de bestemde tijden volkomen 1498 47, 12| prij zen zijn heilige naam, en van des morgens vroeg aan 1499 47, 13| zijn zonden weggenomen, en zijn hoorn verhoogd in eeuwigheid; 1500 47, 13| verhoogd in eeuwigheid; en heeft hem gegeven het verbond


1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-1650

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License