Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dathan 1
dauw 2
david 7
de 1476
deden 2
deed 8
deel 16
Frequency    [«  »]
-----
-----
1650 en
1476 de
828 een
692 zijn
634 is

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

de

1-500 | 501-1000 | 1001-1476

     Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 ALLE wijsheid is van de Here, en is met hem in der 2 1, 2 | zal het zand der zee en de droppelen van de regen en 3 1, 2 | zee en de droppelen van de regen en de dagen der eeuwen 4 1, 2 | droppelen van de regen en de dagen der eeuwen tellen?~ 5 1, 3 | 3 Wie zal de hoogte des hemels, en de 6 1, 3 | de hoogte des hemels, en de breedte der aarde, en de 7 1, 3 | de breedte der aarde, en de afgrond, en de wijsheid 8 1, 3 | aarde, en de afgrond, en de wijsheid naspeuren?~ 9 1, 4 | 4 De wijsheid is eer dan alle 10 1, 4 | verstand der kloekheid is van de eeuwen af.~ 11 1, 5 | 5 Het woord Gods, die in de allerhoogste plaatsen woont, 12 1, 5 | allerhoogste plaatsen woont, is de fontein der wijsheid, en 13 1, 6 | 6 Wie is de wortel der wijsheid ontdekt 14 1, 8 | 8 De Here zelf heeft haar geschapen, 15 1, 10| 10 De vreze des Heren is eer, 16 1, 11| 11 De vrees des Heren vermaakt 17 1, 12| 12 Die de Here vreest die zal het 18 1, 12| vreest die zal het welgaan in de laatste dagen, en in de 19 1, 12| de laatste dagen, en in de dag van zijn dood zal hij 20 1, 13| Het begin der wijsheid is de Here vrezen, en zij is met 21 1, 13| Here vrezen, en zij is met de gelovigen tezamen geschapen 22 1, 14| 14 Bij de mensen heeft zij een eeuwig 23 1, 15| 15 De verzadiging der wijsheid 24 1, 15| verzadiging der wijsheid is de Here vrezen, en zij maakt 25 1, 18| 18 De kroon der wijsheid is de 26 1, 18| De kroon der wijsheid is de Here vrezen, doende voort 27 1, 18| volkomen gezondheid, en de roem verbreidt hem voor 28 1, 19| 19 De wijsheid giet de wetenschap 29 1, 19| 19 De wijsheid giet de wetenschap en de kennis 30 1, 19| wijsheid giet de wetenschap en de kennis van het verstand 31 1, 19| een plasregen en verhoogt de heerlijkheid der genen, 32 1, 20| 20 De wortel der wijsheid is de 33 1, 20| De wortel der wijsheid is de Here vrezen, en haar takken 34 1, 21| 21 De vreze des Heren verdrijft 35 1, 21| vreze des Heren verdrijft de misdaden, en bijblijvende 36 1, 22| gerechtvaardigd worden, want de hevigheid zijns toorns is 37 1, 23| en ten laatste zal hem de vrolijkheid vergelden.~ 38 1, 24| tijdlang verbergen, maar de lippen van velen zullen 39 1, 25| 25 In de schatten der wijsheid zijn 40 1, 25| gelijkenissen der wetenschap, maar de godsdienstigheid is de zondaar 41 1, 25| maar de godsdienstigheid is de zondaar een gruwel.~ 42 1, 26| tot wijsheid, zo bewaar de geboden, en de Here zal 43 1, 26| zo bewaar de geboden, en de Here zal u deze verlenen,~ 44 1, 27| 27 Want de vreze des Heren is wijsheid 45 1, 28| behoeftig zijt, zo wantrouw de vreze des Heren niet, en 46 1, 29| 29 Maar de geveinsden niet met monden 47 1, 31| 31 Want de Here zal al uw verborgen 48 1, 32| 32 Omdat gij tot de vreze des Heren niet met 49 2, 1 | kind, indien gij komt om de Here te dienen, zo bereid 50 2, 2 | verdraag, en haast niet in de tijd, als deze over u gebracht 51 2, 4 | zou mogen overkomen, en in de verandering van uw vernedering 52 2, 5 | en aangename mensen in de oven der vernedering.~ 53 2, 7 | 7 Gij die de Here vreest, gelooft hem, 54 2, 8 | 8 Gij die de Here vreest, hoopt het goede 55 2, 9 | 9 Gij die de Here vreest, verbiedt zijn 56 2, 10| 10 Ziet de oude geslachten aan en merkt 57 2, 11| 11 Wie heeft op de Here betrouwd, en is beschaamd 58 2, 13| 13 Want de Here is een ontfermer en 59 2, 13| barmhartigheid, vergeeft de zonden, en behoedt in de 60 2, 13| de zonden, en behoedt in de tijd der verdrukking.~ 61 2, 14| 14 Wee de bevreesde harten, en de 62 2, 14| de bevreesde harten, en de slappe handen en de zondaar 63 2, 14| en de slappe handen en de zondaar die twee paden ingaat.~ 64 2, 16| 16 Wee ulieden die de lijdzaamheid verloren hebt.~ 65 2, 17| Wat zult gij doen, als u de Here bezoeken zal?~ 66 2, 18| 18 Die de Here vrezen, zullen zijn 67 2, 19| 19 Die de Here vrezen, zoeken dat 68 2, 21| 21 Die de Here vrezen, bereiden hun 69 2, 22| 22 Zeggende, laat ons in de handen Gods vallen, en niet 70 2, 22| Gods vallen, en niet in de handen der mensen.~ 71 3, 2 | 2 Want de Here heeft de vader verheerlijkt 72 3, 2 | 2 Want de Here heeft de vader verheerlijkt over 73 3, 2 | vader verheerlijkt over de kinderen, en bevestigt het 74 3, 2 | oordeel der moeder boven de zonen.~ 75 3, 5 | kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds verhoord 76 3, 6 | zal lang leven, en wie de Here gehoorzaam is, zal 77 3, 7 | 7 Wie de Here vreest zal zijn vader 78 3, 10| 10 Want de zegening des vaders onderstut 79 3, 10| zegening des vaders onderstut de huizen der kinderen, maar 80 3, 10| huizen der kinderen, maar de vervloeking der moeder ontwortelt 81 3, 10| vervloeking der moeder ontwortelt de fundamenten.~ 82 3, 11| 11 Roem niet in de oneer uws vaders, want de 83 3, 11| de oneer uws vaders, want de oneer des vaders is u geen 84 3, 12| 12 Want de eer des mensen komt hem 85 3, 12| des mensen komt hem uit de eer zijns vaders, en een 86 3, 12| die in oneer is, die is de kinderen een verwijt.~ 87 3, 15| 15 Want de barmhartigheid, die gij 88 3, 17| 17 In de dag der verdrukking zal 89 3, 18| verwekt, die is vervloekt van de Here.~ 90 3, 20| te meer, en gij zult bij de Here genade vinden.~ 91 3, 21| hoog en zeer vermaard, maar de zachtmoedigen worden de 92 3, 21| de zachtmoedigen worden de verborgenheden geopenbaard.~ 93 3, 22| 22 Want de macht des Heren is groot, 94 3, 22| is groot, en wordt door de nederigen geëerd.~ 95 3, 28| bezwaard worden met moeite, en de zon daar zal zonden, op 96 3, 29| 29 Als ongeluk over de hovaardigen gebracht wordt, 97 3, 31| door aalmoezen verzoent men de zonden.~ 98 3, 32| 32 En de Here, die de weldaden vergeldt, 99 3, 32| 32 En de Here, die de weldaden vergeldt, gedenkt 100 3, 32| toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val een steunsel 101 4, 1 | geen gebrek lijden, en stel de behoeftige ogen niet uit.~ 102 4, 2 | 2 Bedroef de hongerige ziel niet, en 103 4, 3 | niet verder, en onthoud de gave des behoeftigen niet.~ 104 4, 4 | 4 Weiger de verdrukte niet die u smeekt, 105 4, 4 | uw aangezicht niet af van de arme.~ 106 4, 5 | 5 Van de behoeftige keer uw ogen 107 4, 7 | Maak u zelf lieftallig in de vergadering, en verneder 108 4, 8 | 8 Neig uw oor tot de arme, zonder droefheid; 109 4, 9 | degene die onrecht lijdt uit de hand van hem die onrecht 110 4, 10| 10 Wees de wezen als een vader, en 111 4, 12| 12 De wijsheid verhoogt haar eigen 112 4, 14| waar zij ingaat, die zal de Here zegenen.~ 113 4, 15| haar dienen, die zullen de heilige dienen, en die haar 114 4, 15| die haar liefhebben, heeft de Here lief.~ 115 4, 16| haar gehoorzaam is, zal de volken richten; en die op 116 4, 22| verlaten, en hem overlaten in de handen van zijn ongeval.~ 117 4, 23| 23 Neem de gelegenheid des tijds waar, 118 4, 26| 26 Neem de persoon niet aan tegen uw 119 4, 27| 27 Weer het woord niet in de geschikte tijd der behouding;~ 120 4, 29| 29 Want de wijsheid zal in het woord 121 4, 29| woord bekend worden, en de onderwijzing in de woorden 122 4, 29| worden, en de onderwijzing in de woorden der tong.~ 123 4, 30| 30 Spreek de waarheid niet tegen in enig 124 4, 30| en word schaamrood over de leugen van uw ongeschiktheid.~ 125 4, 31| te belijden, en bedwing de vloed des strooms niet.~ 126 4, 32| geen dwaas mens, en neem de persoon des machtigen niet 127 4, 33| 33 Kamp voor de waarheid tot in de dood, 128 4, 33| voor de waarheid tot in de dood, en God de Here zal 129 4, 33| waarheid tot in de dood, en God de Here zal voor u strijden.~ 130 5, 2 | uw sterkte, om te gaan in de wegen uws harten.~ 131 5, 3 | vanwege mijn werken? want de Here zal zeker uw moedwil 132 5, 4 | leed is mij geschied? want de Here is lankmoedig, hij 133 5, 5 | niet zonder vrees vanwege de verzoening, wanneer gij 134 5, 5 | verzoening, wanneer gij de volheid hebt, dat gij zonden 135 5, 6 | Zijn ontferming is groot, de menigte mijner zonden zal 136 5, 7 | zal bij hem haasten, en op de zondaars zal zijn gramschap 137 5, 8 | 8 Verbeid niet u tot de Here te bekeren, en stel 138 5, 9 | 9 Want de toorn des Heren zal schielijk 139 5, 9 | vermorzeld worden, en in de tijd der wraak verderven.~ 140 5, 10| u geen voordeel doen in de dag, wanneer ongeluk over 141 5, 11| in allerlei pad, zo doet de zondaar die tweetongig is.~ 142 5, 17| schadelijke verdoemenis over de tweetongige.~ 143 6, 1 | verwijt beërven; zo zal ook de zondaar, die tweetongig 144 6, 2 | 2 Verhef u niet in de raad uwer ziel, opdat uw 145 6, 4 | bezit, en zal maken dat de vijanden over haar verblijd 146 6, 5 | welsprekende tong vermenigvuldigt de vriendelijke aanspraken.~ 147 6, 7 | verkrijgen, zo krijg hem in de verzoeking en vertrouw uzelf 148 6, 8 | en blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking.~ 149 6, 10| en blijft u niet bij in de dag uwer verdrukking.~ 150 6, 16| medicijn des levens, en die de Here vrezen zullen hem vinden.~ 151 6, 17| 17 Die de Here vreest, gedraagt zich 152 6, 18| 18 Mijn kind, verkies de onderwijzing van uw jeugd 153 6, 21| 21 Och hoe rauw is zij de ongeleerden! en de harteloze 154 6, 21| is zij de ongeleerden! en de harteloze blijft niet bij 155 6, 23| 23 Want de wijsheid is gelijk haar 156 6, 35| 35 Houd u onder de menigte der ouden, en is 157 6, 35| verklaring horen, en laat u de spreuken van het verstand 158 6, 36| uw voet betrede gestadig de trappen van zijn deuren.~ 159 6, 37| 37 Overdenk de geboden des Heren volkomen, 160 6, 37| hij uw hart versterken, en de begeerde wijsheid zal u 161 7, 2 | 2 Wijk af van de ongerechtige, en de zonde 162 7, 2 | van de ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.~ 163 7, 3 | Mijn zoon, zaai niet in de voren der ongerechtigheid, 164 7, 4 | 4 Begeer van de Here geen heerschappij, 165 7, 4 | geen heerschappij, en van de koning geen heerlijke zitplaats.~ 166 7, 5 | Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd u niet voor 167 7, 5 | houd u niet voor wijs bij de koning.~ 168 7, 6 | mocht niet sterk genoeg zijn de ongerechtigheden weg te 169 7, 7 | 7 Zondig niet tegen de menigte der stad, en begeef 170 7, 9 | 9 Zeg niet: Hij zal op de menigte mijner gaven zien, 171 7, 9 | gaven zien, en als ik God de Allerhoogste ofer, zo zal 172 7, 11| 11 Belach de mens niet die in bitterheid 173 7, 14| 14 Spreek niet veel in de menigte der ouden, en wederhaal 174 7, 15| 15 Haat de moeilijke arbeid niet, en 175 7, 15| moeilijke arbeid niet, en de landbouw, die door de Allerhoogste 176 7, 15| en de landbouw, die door de Allerhoogste geschapen is.~ 177 7, 16| 16 Reken uzelf niet onder de menigte der zondaren; gedenk 178 7, 16| der zondaren; gedenk dat de toorn niet vertoeft.~ 179 7, 17| Verneder uw ziel zeer, want de wraak des goddelozen zal 180 7, 20| 20 Die de huisknecht geen kwaad die 181 7, 20| getrouw zijn werk doet, noch de huurling die zijn ziel aan 182 7, 21| liefhebben, en onthoud hem de vrijheid niet.~ 183 7, 23| ze, en buig hun hals van de jeugd aan.~ 184 7, 27| ganser harte, en vergeet niet de smarten van uw moeder.~ 185 7, 29| 29 Vrees de Here met uw gehele ziel, 186 7, 30| 30 Vrees de Here, en eer de priester.~ 187 7, 30| 30 Vrees de Here, en eer de priester.~ 188 7, 32| 32 Namelijk de eerstelingen, en het schuldoffer,~ 189 7, 33| 33 En de gaven der schouderen, en 190 7, 33| gaven der schouderen, en de offerande der heiliging, 191 7, 33| offerande der heiliging, en de eerstelingen der heilige 192 7, 34| En steek uw hand uit tot de arme, opdat uw zegen volkomen 193 7, 35| en aan een dode verhinder de weldadigheid niet.~ 194 7, 36| 36 Onttrek u niet van de wenende, en treur met degenen 195 7, 37| traag in het bezoeken van de kranke; want om zulke dingen 196 8, 3 | velen verdorven, en heeft de harten der koningen gebogen.~ 197 8, 8 | 8 Verblijd u niet over de dood van uw grootste vijand, 198 8, 9 | Veracht niet hetgeen door de wijzen verteld wordt, en 199 8, 10| onderwijzing leren, om ook de groten gemakkelijk te dienen.~ 200 8, 11| 11 Dwaal niet af van de onderwijzing der ouden, 201 8, 12| verstand leren, en hoe gij in de tijd als het nodig is zult 202 8, 13| 13 Ontsteek de kolen des zondaars niet, 203 8, 14| 14 Sta niet op tegen de smader, opdat hij uw mond 204 8, 17| 17 Richt niet tegen de rechter, want men zal hem 205 8, 19| en ga niet met hem door de woestijn, gelijk als niets 206 9, 1 | 1 ZIJT niet jaloers op de vrouw van uw schoot, en 207 9, 2 | 2 Geef uw ziel de vrouw niet, dat zij over 208 9, 6 | 6 Geef uw ziel de hoeren niet over, opdat 209 9, 7 | 7 Zie niet om in de straten der stad, en dwaal 210 9, 7 | stad, en dwaal niet om in de woeste plaatsen derzelve.~ 211 9, 9 | 9 Want door de schoonheid der vrouw zijn 212 9, 9 | geworden, en uit deze wordt de liefde als een vuur aangestoken, 213 9, 9 | u niet neder met haar in de armen.~ 214 9, 11| geen gelag met haar bij de wijn; dat niet te eniger 215 9, 12| een oude vriend niet, want de nieuwe is hem niet gelijk.~ 216 9, 14| 14 Benijd de zondaar zijn eer niet, want 217 9, 15| welbehagen aan dat, waarin de goddelozen wel behagen hebben; 218 9, 15| hebben; gedenk dat zij tot in de hel toe niet, zullen gerechtvaardigd 219 9, 16| 16 Verwijder van de mens die macht heeft om 220 9, 16| om te doden, en gij zult de vrees des doods niet vermoeden.~ 221 9, 18| strikken doorgaat, en op de tinnen der stad wandelt.~ 222 9, 19| vermogen, en beraad u met de wijzen; spreek met de verstandigen, 223 9, 19| met de wijzen; spreek met de verstandigen, en al wat 224 9, 19| wat gij vertelt, zij naar de wet des Allerhoogsten.~ 225 9, 20| en laat uw roem zijn in de vreze des Heren.~ 226 9, 21| 21 Door de hand der kunstenaren zal 227 10, 1 | onderwijst zijn volk, en de heerschappij des verstandigen 228 10, 2 | 2 Gelijk als de rechter des volks is, zo 229 10, 2 | zijn dienaars; en gelijk de voorganger der stad is, 230 10, 4 | 4 De macht op aarde is in de 231 10, 4 | De macht op aarde is in de hand des Heren, en hij zal 232 10, 5 | 5 In de hand des Heren is des mensen 233 10, 7 | is hatelijk voor God en de mensen, en bij beide is 234 10, 7 | en bij beide is hatelijk de misdaad der ongerechtigheid.~ 235 10, 11| 11 De medicijnmeester houdt een 236 10, 13| is, wanneer een mens van de Here afwijkt, en zijn hart 237 10, 15| 15 Daarom heeft de Here zeldzame straffen over 238 10, 16| 16 De Here heeft de tronen der 239 10, 16| 16 De Here heeft de tronen der regeerders ternedergedrukt, 240 10, 17| 17 De Here rukt de wortelen der 241 10, 17| 17 De Here rukt de wortelen der hovaardige 242 10, 17| hovaardige volken uit, en plant de nederigen in hun plaats 243 10, 18| 18 De landen der volken keert 244 10, 18| landen der volken keert de Here om, en verderft ze 245 10, 18| om, en verderft ze tot op de grond der aarde.~ 246 10, 20| gedachtenis doen ophouden van de aarde.~ 247 10, 21| 21 De hovaardigheid is niet geschapen 248 10, 21| hovaardigheid is niet geschapen in de mensen, noch de grimmige 249 10, 21| geschapen in de mensen, noch de grimmige toorn in degenen, 250 10, 22| 22 Die de Here vrezen zijn een gewis 251 10, 22| plant; daarentegen die op de wet niet achten, zijn een 252 10, 22| een schandelijk zaad; die de geboden overtreden een afdwalend 253 10, 23| hun leidsman is, en die de Here vrezen worden geëerd 254 10, 24| 24 De vreze des Heren is een heerschappij 255 10, 25| 25 De roem eens rijken, en heerlijken, 256 10, 25| heerlijken, en armen, is de vreze des Heren.~ 257 10, 27| 27 De groten, en de rechters, 258 10, 27| 27 De groten, en de rechters, en de machtigen 259 10, 27| groten, en de rechters, en de machtigen worden geëerd, 260 10, 27| hunner is meerder dan die de Here vreest.~ 261 10, 28| verstandige huisknecht zullen de vrijen dienen; en een man 262 10, 29| werk doet, en poch niet in de tijd uwer benauwdheid.~ 263 11, 1 | 1 DE wijsheid van de nederige 264 11, 1 | 1 DE wijsheid van de nederige zal zijn hoofd 265 11, 3 | 3 De bij is klein onder de vliegende 266 11, 3 | 3 De bij is klein onder de vliegende gedierten, en 267 11, 4 | 4 Pronk niet met de klederen die gij aandoet, 268 11, 4 | klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid verhef 269 11, 4 | niet, want wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn 270 11, 4 | Heren en zijn werken zijn de mensen verborgen.~ 271 11, 5 | Vele koningen hebben op de vloer gezeten en waar men 272 11, 5 | niet op verdacht was, heeft de kroon gedragen.~ 273 11, 14| armoede en rijkdom zijn van de Here.~ 274 11, 15| en kennis der wet is van de Here; liefde en wegen der 275 11, 16| Dwaling en duisternis zijn met de zondaren geschapen, en die 276 11, 16| pochen, met die veroudert de boosheid.~ 277 11, 17| 17 De gave des Heren blijft bij 278 11, 17| gave des Heren blijft bij de godvrezenden, en zijn welbehagen 279 11, 21| 21 Verwonder u niet in de werken des zondaars, maar 280 11, 21| zondaars, maar vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.~ 281 11, 22| 22 Want het is in de ogen des Heren licht, snel 282 11, 23| 23 De zegen des Heren is in het 283 11, 23| Heren is in het loon van de godvrezende; en in een korte 284 11, 26| 26 In de goede dagen vergeet men 285 11, 26| vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt aan het 286 11, 27| 27 Want het is voor de Here licht, in de dag des 287 11, 27| is voor de Here licht, in de dag des doods de mens te 288 11, 27| licht, in de dag des doods de mens te vergelden naar zijn 289 11, 28| kwaad uur maakt dat men de wellust vergeet, en aan 290 11, 28| vergeet, en aan het einde van de mens is de ontdekking zijner 291 11, 28| het einde van de mens is de ontdekking zijner werken.~ 292 11, 30| een ieder in uw huis, want de lagen van de lasteraar zijn 293 11, 30| huis, want de lagen van de lasteraar zijn vele.~ 294 11, 33| Van een kleine vonk wordt de gloeiende kool vermenigvuldigd, 295 12, 2 | 2 Doe wel aan de godvrezende, en gij zult 296 12, 2 | niet bij hem, immers bij de Allerhoogste.~ 297 12, 4 | die God vreest, en neem u de zondaar niet aan.~ 298 12, 5 | 5 Doe de nederige goed, en geef de 299 12, 5 | de nederige goed, en geef de goddeloze niet. Onthoud 300 12, 6 | 6 Want ook de Allerhoogste haat de zondaars, 301 12, 6 | ook de Allerhoogste haat de zondaars, en de godvrezende 302 12, 6 | Allerhoogste haat de zondaars, en de godvrezende zal hij wreken, 303 12, 6 | maar genen bewaart hij tot de krachtige dag der wraak. 304 12, 6 | die vroom is, en neem u de zondaar niet aan.~ 305 12, 7 | 7 In voorspoed wordt de vriend niet uitgeworpen, 306 12, 7 | vriend niet uitgeworpen, en de vijand wordt niet verborgen 307 12, 8 | kwalijk gaat, dan scheidt ook de vriend van hem af.~ 308 12, 13| is? en over allen die tot de wilde dieren naderen? zo 309 12, 15| 15 En de vijand zal wel met zijn 310 12, 18| zijn hoofd schudden, en met de handen klappen, en veel 311 13, 1 | daarmede besmet, en die met de hovaardige gemeenschap heeft, 312 13, 3 | 3 Wat gemeenschap zal de aarden pot met een ketel 313 13, 3 | deze zal daaraan stoten, en de andere zal verbrijzeld worden.~ 314 13, 10| niet vernederd wordt in de verheuging uws harten.~ 315 13, 17| 17 Hebt de Here lief al uw leven lang, 316 13, 20| zondaar tegen degene, die de Here vreest.~ 317 13, 22| 22 Gelijk de wilde ezels der leeuwen 318 13, 22| der leeuwen jacht zijn in de woestijn, zo zijn de armen 319 13, 22| in de woestijn, zo zijn de armen der rijken weide.~ 320 13, 23| 23 Gelijk de nederigheid is der hovaardigen 321 13, 23| hovaardigen gruwel, zo is ook de arme voor de rijke een gruwel.~ 322 13, 23| zo is ook de arme voor de rijke een gruwel.~ 323 13, 27| 27 De rijke spreekt, en zij zwijgen 324 13, 27| verhogen zijn rede tot aan de wolken.~ 325 13, 28| 28 De arme spreekt, en men zegt: 326 13, 29| 29 De rijkdom is goed, bij welke 327 13, 29| welke geen zonde is, en de armoede is kwaad in de mond 328 13, 29| en de armoede is kwaad in de mond des goddelozen.~ 329 14, 1 | 1 ZALIG is de man die niet feilt met zijn 330 14, 1 | niet doorprikkeld wordt met de menigte der zonden.~ 331 14, 2 | van zijn hoop, die hij op de Here heeft.~ 332 14, 3 | 3 De rijkdom voegt geen karig 333 14, 8 | aangezicht afwendt, en veracht de zielen.~ 334 14, 9 | 9 Het oog van de gierigaard wordt met geen 335 14, 9 | geen deel verzadigd, en de ongerechtigheid van de boze 336 14, 9 | en de ongerechtigheid van de boze doet zijn ziel uitdrogen.~ 337 14, 11| dat gij vermoogt, en breng de Here offeranden toe, gelijk 338 14, 12| 12 Gedenk dat de dood niet zal vertoeven, 339 14, 14| 14 Onttrek uzelf niet van de goede dag, en laat het deel 340 14, 18| kleed, want het verbond van de eeuw aan is dit: Gij zult 341 14, 18| eeuw aan is dit: Gij zult de dood sterven.~ 342 14, 21| 21 Zalig is de man die met wijsheid betracht 343 14, 26| haar beschermd worden voor de hitte, en in haar heerlijkheid 344 15, 1 | 1 DIE de Here vreest zal zulks doen 345 15, 1 | vreest zal zulks doen en die de kennis der wet verkregen 346 15, 9 | 9 De lof in de mond des zondaars 347 15, 9 | 9 De lof in de mond des zondaars voegt 348 15, 9 | niet wel, omdat hij hem van de Here niet is gezonden.~ 349 15, 10| lof gesproken worden, en de Here zal die voorspoedig 350 15, 11| 11 Zeg niet: De Here is oorzaak, dat ik 351 15, 12| gemaakt, want hij heeft de zondaar niet van node.~ 352 15, 13| 13 De Here haat allerlei gruwel, 353 15, 14| Hij heeft van den beginne de mens gemaakt, en hem gelaten 354 15, 14| gemaakt, en hem gelaten in de hand zijns raads.~ 355 15, 15| Indien gij wilt, gij zult de geboden houden en het geloof 356 15, 17| 17 Het leven en de dood zijn voor de mens, 357 15, 17| leven en de dood zijn voor de mens, en hetgeen hem behagen 358 15, 18| 18 Want groot is de wijsheid des Heren, en hij 359 16, 1 | verheug u over hen niet, zo de vreze des Heren bij hen 360 16, 7 | 7 In de vergadering der zondaren 361 16, 8 | verzoend geworden over al de oude reuzen, die afgevallen 362 16, 8 | die afgevallen zijn door de kracht hunner dwaasheid.~ 363 16, 11| 11 En alzo heeft de Here zeshonderd duizend 364 16, 11| tezamen vergaderd waren in de hardigheid hunner harten, 365 16, 14| 14 De zondaar zal niet ontvlieden 366 16, 14| ontvlieden met zijn roof; en de verwachting van de godzalige 367 16, 14| roof; en de verwachting van de godzalige zal niet achterblijven.~ 368 16, 15| vinden naar zijn werken. De Here heeft Faraö verhard, 369 16, 15| worden bij het geslacht onder de hemel; zijn barmhartigheid 370 16, 16| Zeg niet: Ik zal mij voor de Here verbergen, en wie zal 371 16, 16| zal aan mij gedenken uit de hoogte?~ 372 16, 17| want wat is mijn ziel onder de onmetelijke schepselen?~ 373 16, 18| 18 Ziet, de hemel, en de de hemel des 374 16, 18| 18 Ziet, de hemel, en de de hemel des hemels, de 375 16, 18| 18 Ziet, de hemel, en de de hemel des hemels, de afgrond 376 16, 18| de de hemel des hemels, de afgrond en de aarde, en 377 16, 18| des hemels, de afgrond en de aarde, en hetgeen daarin 378 16, 18| bezoeking bewogen worden; de ganse wereld die geweest 379 16, 19| 19 De bergen en de fundamenten 380 16, 19| 19 De bergen en de fundamenten der aarde worden 381 16, 19| elkander door beving, als de Here daarop ziet.~ 382 16, 21| gelijk een storm wind, welke de mens niet zien kan; en het 383 16, 22| 22 Wie zal de werken zijner gerechtigheid 384 16, 29| 29 En na deze heeft de Here op aarde gezien, en 385 17, 1 | 1 DE Here heeft de mens uit aarde 386 17, 1 | 1 DE Here heeft de mens uit aarde geschapen, 387 17, 2 | heeft hun macht gegeven over de dingen die daarop zijn.~ 388 17, 4 | dat hij zou heersen over de dieren en vogels, naar zijn 389 17, 5 | gaven, en voor het zevende, de spraak, welke is een uitlegging 390 17, 8 | 8 En de uitverkorenen zullen de 391 17, 8 | de uitverkorenen zullen de naam zijner heiligmaking 392 17, 9 | toegelegd wetenschap, en hun de wet des levens tot een erfdeel 393 17, 11| en hun oor heeft gehoord de heerlijkheid zijner stem, 394 17, 13| maar ieder mens is van de jeugd af geneigd tot het 395 17, 14| 14 Want in de verdeling der volken van 396 17, 14| zijnde zijn eerstgeborene, de tucht op voedt, en hij deelt 397 17, 15| werken voor hem gelijk als de zon, en zijn ogen zien steeds 398 17, 16| al hun zonden zijn voor de Here, doch de Here zijnde 399 17, 16| zijn voor de Here, doch de Here zijnde goedertieren, 400 17, 17| 17 Want de barmhartigheid tegen de 401 17, 17| de barmhartigheid tegen de man is gelijk een zegel 402 17, 17| een zegel bij hem, en zal de genade tegen de mens bewaren 403 17, 17| en zal de genade tegen de mens bewaren als zijn oogappel, 404 17, 18| 18 Doch de boetvaardige heeft bij gegeven 405 17, 18| heeft tot zich geroepen die de lijdzaamheid verlieten.~ 406 17, 19| 19 Bekeer u dan tot de Here, en verlaat de zonden; 407 17, 19| tot de Here, en verlaat de zonden; smeek voor zijn 408 17, 19| aangezicht, en verminder de ergernis.~ 409 17, 20| 20 Ga weder tot de Allerhoogste, en keer u 410 17, 20| want hij zal u geleiden uit de duisternis in een verlichting 411 17, 21| 21 En haat zeer de gruwel.~ 412 17, 22| 22 Wie zal de Allerhoogste prijzen in 413 17, 23| een die niet meer is, gaat de dankzegging verloren.~ 414 17, 24| gezond van hart is, zal de Here prijzen.~ 415 17, 25| 25 Hoe groot is de ontferming des Heren onzes 416 17, 25| des Heren onzes Gods, en de verzoening voor degenen 417 17, 26| Want alle dingen kunnen in de mensen niet zijn, dewijl 418 17, 27| 27 Wat is klaarder dan de zon, en nochtans bezwijkt 419 17, 27| nochtans bezwijkt ze; zo ook de mens die vlees en bloed 420 17, 28| 28 Hij ziet aan de kracht des hogen hemels, 421 18, 2 | 2 De Here is alleen rechtvaardig, 422 18, 2 | ander dan hij; hij heeft de wereld gebouwd met de span 423 18, 2 | heeft de wereld gebouwd met de span zijner hand, en alle 424 18, 4 | 4 Wie zal de kracht van zijn majesteit 425 18, 5 | 5 De wonderen des Heren zijn 426 18, 6 | 6 Wanneer de mens zal hebben voleindigd, 427 18, 7 | 7 Wat is de mens? en waartoe is hij 428 18, 9 | rekenen tegen het water van de zee, en een greintje zand 429 18, 9 | zand tegen het zand aan de zee, zo zijn duizend jaren 430 18, 9 | zijn duizend jaren tegen de dagen der eeuwigheid.~ 431 18, 10| 10 Daarom is de Here lankmoedig over hen, 432 18, 12| 12 De barmhartigheid van de mens 433 18, 12| 12 De barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste, 434 18, 12| gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid. des Heren 435 18, 16| 16 Zal niet de dauw de hitte doen ophouden? 436 18, 16| 16 Zal niet de dauw de hitte doen ophouden? zo 437 18, 17| geschenk? en beide zijn ze bij de mens aangenaam.~ 438 18, 18| zijn weldaad onbeleefd, en de gift van een nijdig mens 439 18, 18| een nijdig mens doet hem de ogen uitdrogen.~ 440 18, 20| zult verzoening vinden in de ure der bezoeking.~ 441 18, 21| ziek wordt, en bewijs in de tijd der zonden uw bekering.~ 442 18, 22| en verwijl niet tot aan de dood rechtvaardig te worden.~ 443 18, 23| wees niet gelijk een die de Here verzoekt.~ 444 18, 24| 24 Gedenk aan de gramschap die komen zal 445 18, 24| gramschap die komen zal in de dagen van de dood, en aan 446 18, 24| komen zal in de dagen van de dood, en aan de tijd der 447 18, 24| dagen van de dood, en aan de tijd der wraak, als de Here 448 18, 24| aan de tijd der wraak, als de Here zijn aangezicht zal 449 18, 25| 25 Gedenk aan de tijd des hongers, in de 450 18, 25| de tijd des hongers, in de tijd der volheid, aan armoede 451 18, 25| aan armoede en gebrek in de dag des rijkdoms.~ 452 18, 26| s morgens vroeg tot op de avond verandert de tijd, 453 18, 26| tot op de avond verandert de tijd, en al deze dingen 454 18, 26| dingen zijn haastig voor de Here. Een wijs mens vreest 455 18, 26| mens vreest altijd, en in de dagen der zonden wacht hij 456 18, 26| mishandeling, maar een dwaas zal de tijd niet waarnemen.~ 457 18, 29| Beter is het betrouwen op de Here alleen, daar het dode 458 18, 31| Indien gij uw zielen toereikt de lust van haar welbehagen, 459 18, 32| 32 Verheug u niet in de veelheid uwer lekkernijen, 460 18, 33| daar gij niets hebt in de beurs, want anders zult 461 19, 2 | 2 Wijn en vrouwen doen de verstandigen afvallen, en 462 19, 2 | verstandigen afvallen, en wie de hoeren aanhangt, die wordt 463 19, 3 | 3 Die zullen de maden en wormen tot erfdeel 464 19, 5 | verdoemd worden, maar wie de wellusten wederstaat, die 465 19, 12| Gelijk een pijl, die in de heup van het vlees vaststeekt, 466 19, 12| vaststeekt, zo is een woord in de buik van een dwaas.~ 467 19, 17| eer gij dreigt, en geef de wet des Allerhoogsten plaats, 468 19, 18| 18 De vreze des Heren is een beginsel 469 19, 18| beginsel der aanneming, en de wijsheid die van hem komt 470 19, 18| hem behagelijk is, zullen de boom der onsterfelijkheid 471 19, 19| 19 De vreze van de Here komende, 472 19, 19| 19 De vreze van de Here komende, is de gehele 473 19, 19| van de Here komende, is de gehele wijsheid, en in alle 474 19, 19| en in alle wijsheid is de onderhouding der wet, en 475 19, 20| 20 De wetenschap der boosheid 476 19, 20| daar is geen kloekheid waar de raad der zondaren is.~ 477 19, 22| overvloedig is in kloekheid, en de wet des Allerhoogsten overtreedt.~ 478 19, 23| onrechtvaardig, en menigeen is er die de genade verandert, om het 479 19, 25| het aangezicht, en maakt de dove; indien gij hem niet 480 19, 27| een verstandige wordt aan de ontmoeting zijns aangezichts 481 19, 28| 28 De kleding des mans, en het 482 19, 28| het lachen der tanden, en de gang der mensen, verkondigen 483 20, 2 | 2 Gelijk de lust van een gesnedene is 484 20, 4 | is er die zwijgt, wetende de gelegen tijd.~ 485 20, 5 | een pocher en onwijze gaat de gelegen tijd voorbij.~ 486 20, 7 | bewijst? want zo zal hij de vrijwillige zonden vlieden.~ 487 20, 8 | 8 De zondaar heeft een welbehagen 488 20, 10| vernederd wordt uit oorzaak van de pracht; en menigeen is er 489 20, 10| en menigeen is er die uit de vernedering het hoofd opheft.~ 490 20, 12| 12 De wijze zal zichzelf met woorden 491 20, 12| woorden lieftallig maken, maar de aangenaamheid der dwazen 492 20, 13| 13 De gave van een onwijze zal 493 20, 15| lenen, en morgen wedereisen; de zodanige is van de Here 494 20, 15| wedereisen; de zodanige is van de Here en van de mensen gehaat.~ 495 20, 15| zodanige is van de Here en van de mensen gehaat.~ 496 20, 18| dan door een tong; zo zal de val der kwade mensen haastig 497 20, 19| een ontijdige klucht, in de mond der ongeschikten zal 498 20, 20| 20 Een spreuk komende uit de mond eens dwazen zal verworpen 499 20, 20| hij spreekt die niet op de bekwame tijd.~ 500 20, 22| en verliest het omdat hij de persoon aanneemt.~


1-500 | 501-1000 | 1001-1476

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License