1-500 | 501-1000 | 1001-1476
Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 ALLE wijsheid is van de Here, en is met hem in der
2 1, 2 | zal het zand der zee en de droppelen van de regen en
3 1, 2 | zee en de droppelen van de regen en de dagen der eeuwen
4 1, 2 | droppelen van de regen en de dagen der eeuwen tellen?~
5 1, 3 | 3 Wie zal de hoogte des hemels, en de
6 1, 3 | de hoogte des hemels, en de breedte der aarde, en de
7 1, 3 | de breedte der aarde, en de afgrond, en de wijsheid
8 1, 3 | aarde, en de afgrond, en de wijsheid naspeuren?~
9 1, 4 | 4 De wijsheid is eer dan alle
10 1, 4 | verstand der kloekheid is van de eeuwen af.~
11 1, 5 | 5 Het woord Gods, die in de allerhoogste plaatsen woont,
12 1, 5 | allerhoogste plaatsen woont, is de fontein der wijsheid, en
13 1, 6 | 6 Wie is de wortel der wijsheid ontdekt
14 1, 8 | 8 De Here zelf heeft haar geschapen,
15 1, 10| 10 De vreze des Heren is eer,
16 1, 11| 11 De vrees des Heren vermaakt
17 1, 12| 12 Die de Here vreest die zal het
18 1, 12| vreest die zal het welgaan in de laatste dagen, en in de
19 1, 12| de laatste dagen, en in de dag van zijn dood zal hij
20 1, 13| Het begin der wijsheid is de Here vrezen, en zij is met
21 1, 13| Here vrezen, en zij is met de gelovigen tezamen geschapen
22 1, 14| 14 Bij de mensen heeft zij een eeuwig
23 1, 15| 15 De verzadiging der wijsheid
24 1, 15| verzadiging der wijsheid is de Here vrezen, en zij maakt
25 1, 18| 18 De kroon der wijsheid is de
26 1, 18| De kroon der wijsheid is de Here vrezen, doende voort
27 1, 18| volkomen gezondheid, en de roem verbreidt hem voor
28 1, 19| 19 De wijsheid giet de wetenschap
29 1, 19| 19 De wijsheid giet de wetenschap en de kennis
30 1, 19| wijsheid giet de wetenschap en de kennis van het verstand
31 1, 19| een plasregen en verhoogt de heerlijkheid der genen,
32 1, 20| 20 De wortel der wijsheid is de
33 1, 20| De wortel der wijsheid is de Here vrezen, en haar takken
34 1, 21| 21 De vreze des Heren verdrijft
35 1, 21| vreze des Heren verdrijft de misdaden, en bijblijvende
36 1, 22| gerechtvaardigd worden, want de hevigheid zijns toorns is
37 1, 23| en ten laatste zal hem de vrolijkheid vergelden.~
38 1, 24| tijdlang verbergen, maar de lippen van velen zullen
39 1, 25| 25 In de schatten der wijsheid zijn
40 1, 25| gelijkenissen der wetenschap, maar de godsdienstigheid is de zondaar
41 1, 25| maar de godsdienstigheid is de zondaar een gruwel.~
42 1, 26| tot wijsheid, zo bewaar de geboden, en de Here zal
43 1, 26| zo bewaar de geboden, en de Here zal u deze verlenen,~
44 1, 27| 27 Want de vreze des Heren is wijsheid
45 1, 28| behoeftig zijt, zo wantrouw de vreze des Heren niet, en
46 1, 29| 29 Maar de geveinsden niet met monden
47 1, 31| 31 Want de Here zal al uw verborgen
48 1, 32| 32 Omdat gij tot de vreze des Heren niet met
49 2, 1 | kind, indien gij komt om de Here te dienen, zo bereid
50 2, 2 | verdraag, en haast niet in de tijd, als deze over u gebracht
51 2, 4 | zou mogen overkomen, en in de verandering van uw vernedering
52 2, 5 | en aangename mensen in de oven der vernedering.~
53 2, 7 | 7 Gij die de Here vreest, gelooft hem,
54 2, 8 | 8 Gij die de Here vreest, hoopt het goede
55 2, 9 | 9 Gij die de Here vreest, verbiedt zijn
56 2, 10| 10 Ziet de oude geslachten aan en merkt
57 2, 11| 11 Wie heeft op de Here betrouwd, en is beschaamd
58 2, 13| 13 Want de Here is een ontfermer en
59 2, 13| barmhartigheid, vergeeft de zonden, en behoedt in de
60 2, 13| de zonden, en behoedt in de tijd der verdrukking.~
61 2, 14| 14 Wee de bevreesde harten, en de
62 2, 14| de bevreesde harten, en de slappe handen en de zondaar
63 2, 14| en de slappe handen en de zondaar die twee paden ingaat.~
64 2, 16| 16 Wee ulieden die de lijdzaamheid verloren hebt.~
65 2, 17| Wat zult gij doen, als u de Here bezoeken zal?~
66 2, 18| 18 Die de Here vrezen, zullen zijn
67 2, 19| 19 Die de Here vrezen, zoeken dat
68 2, 21| 21 Die de Here vrezen, bereiden hun
69 2, 22| 22 Zeggende, laat ons in de handen Gods vallen, en niet
70 2, 22| Gods vallen, en niet in de handen der mensen.~
71 3, 2 | 2 Want de Here heeft de vader verheerlijkt
72 3, 2 | 2 Want de Here heeft de vader verheerlijkt over
73 3, 2 | vader verheerlijkt over de kinderen, en bevestigt het
74 3, 2 | oordeel der moeder boven de zonen.~
75 3, 5 | kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds verhoord
76 3, 6 | zal lang leven, en wie de Here gehoorzaam is, zal
77 3, 7 | 7 Wie de Here vreest zal zijn vader
78 3, 10| 10 Want de zegening des vaders onderstut
79 3, 10| zegening des vaders onderstut de huizen der kinderen, maar
80 3, 10| huizen der kinderen, maar de vervloeking der moeder ontwortelt
81 3, 10| vervloeking der moeder ontwortelt de fundamenten.~
82 3, 11| 11 Roem niet in de oneer uws vaders, want de
83 3, 11| de oneer uws vaders, want de oneer des vaders is u geen
84 3, 12| 12 Want de eer des mensen komt hem
85 3, 12| des mensen komt hem uit de eer zijns vaders, en een
86 3, 12| die in oneer is, die is de kinderen een verwijt.~
87 3, 15| 15 Want de barmhartigheid, die gij
88 3, 17| 17 In de dag der verdrukking zal
89 3, 18| verwekt, die is vervloekt van de Here.~
90 3, 20| te meer, en gij zult bij de Here genade vinden.~
91 3, 21| hoog en zeer vermaard, maar de zachtmoedigen worden de
92 3, 21| de zachtmoedigen worden de verborgenheden geopenbaard.~
93 3, 22| 22 Want de macht des Heren is groot,
94 3, 22| is groot, en wordt door de nederigen geëerd.~
95 3, 28| bezwaard worden met moeite, en de zon daar zal zonden, op
96 3, 29| 29 Als ongeluk over de hovaardigen gebracht wordt,
97 3, 31| door aalmoezen verzoent men de zonden.~
98 3, 32| 32 En de Here, die de weldaden vergeldt,
99 3, 32| 32 En de Here, die de weldaden vergeldt, gedenkt
100 3, 32| toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val een steunsel
101 4, 1 | geen gebrek lijden, en stel de behoeftige ogen niet uit.~
102 4, 2 | 2 Bedroef de hongerige ziel niet, en
103 4, 3 | niet verder, en onthoud de gave des behoeftigen niet.~
104 4, 4 | 4 Weiger de verdrukte niet die u smeekt,
105 4, 4 | uw aangezicht niet af van de arme.~
106 4, 5 | 5 Van de behoeftige keer uw ogen
107 4, 7 | Maak u zelf lieftallig in de vergadering, en verneder
108 4, 8 | 8 Neig uw oor tot de arme, zonder droefheid;
109 4, 9 | degene die onrecht lijdt uit de hand van hem die onrecht
110 4, 10| 10 Wees de wezen als een vader, en
111 4, 12| 12 De wijsheid verhoogt haar eigen
112 4, 14| waar zij ingaat, die zal de Here zegenen.~
113 4, 15| haar dienen, die zullen de heilige dienen, en die haar
114 4, 15| die haar liefhebben, heeft de Here lief.~
115 4, 16| haar gehoorzaam is, zal de volken richten; en die op
116 4, 22| verlaten, en hem overlaten in de handen van zijn ongeval.~
117 4, 23| 23 Neem de gelegenheid des tijds waar,
118 4, 26| 26 Neem de persoon niet aan tegen uw
119 4, 27| 27 Weer het woord niet in de geschikte tijd der behouding;~
120 4, 29| 29 Want de wijsheid zal in het woord
121 4, 29| woord bekend worden, en de onderwijzing in de woorden
122 4, 29| worden, en de onderwijzing in de woorden der tong.~
123 4, 30| 30 Spreek de waarheid niet tegen in enig
124 4, 30| en word schaamrood over de leugen van uw ongeschiktheid.~
125 4, 31| te belijden, en bedwing de vloed des strooms niet.~
126 4, 32| geen dwaas mens, en neem de persoon des machtigen niet
127 4, 33| 33 Kamp voor de waarheid tot in de dood,
128 4, 33| voor de waarheid tot in de dood, en God de Here zal
129 4, 33| waarheid tot in de dood, en God de Here zal voor u strijden.~
130 5, 2 | uw sterkte, om te gaan in de wegen uws harten.~
131 5, 3 | vanwege mijn werken? want de Here zal zeker uw moedwil
132 5, 4 | leed is mij geschied? want de Here is lankmoedig, hij
133 5, 5 | niet zonder vrees vanwege de verzoening, wanneer gij
134 5, 5 | verzoening, wanneer gij de volheid hebt, dat gij zonden
135 5, 6 | Zijn ontferming is groot, de menigte mijner zonden zal
136 5, 7 | zal bij hem haasten, en op de zondaars zal zijn gramschap
137 5, 8 | 8 Verbeid niet u tot de Here te bekeren, en stel
138 5, 9 | 9 Want de toorn des Heren zal schielijk
139 5, 9 | vermorzeld worden, en in de tijd der wraak verderven.~
140 5, 10| u geen voordeel doen in de dag, wanneer ongeluk over
141 5, 11| in allerlei pad, zo doet de zondaar die tweetongig is.~
142 5, 17| schadelijke verdoemenis over de tweetongige.~
143 6, 1 | verwijt beërven; zo zal ook de zondaar, die tweetongig
144 6, 2 | 2 Verhef u niet in de raad uwer ziel, opdat uw
145 6, 4 | bezit, en zal maken dat de vijanden over haar verblijd
146 6, 5 | welsprekende tong vermenigvuldigt de vriendelijke aanspraken.~
147 6, 7 | verkrijgen, zo krijg hem in de verzoeking en vertrouw uzelf
148 6, 8 | en blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking.~
149 6, 10| en blijft u niet bij in de dag uwer verdrukking.~
150 6, 16| medicijn des levens, en die de Here vrezen zullen hem vinden.~
151 6, 17| 17 Die de Here vreest, gedraagt zich
152 6, 18| 18 Mijn kind, verkies de onderwijzing van uw jeugd
153 6, 21| 21 Och hoe rauw is zij de ongeleerden! en de harteloze
154 6, 21| is zij de ongeleerden! en de harteloze blijft niet bij
155 6, 23| 23 Want de wijsheid is gelijk haar
156 6, 35| 35 Houd u onder de menigte der ouden, en is
157 6, 35| verklaring horen, en laat u de spreuken van het verstand
158 6, 36| uw voet betrede gestadig de trappen van zijn deuren.~
159 6, 37| 37 Overdenk de geboden des Heren volkomen,
160 6, 37| hij uw hart versterken, en de begeerde wijsheid zal u
161 7, 2 | 2 Wijk af van de ongerechtige, en de zonde
162 7, 2 | van de ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.~
163 7, 3 | Mijn zoon, zaai niet in de voren der ongerechtigheid,
164 7, 4 | 4 Begeer van de Here geen heerschappij,
165 7, 4 | geen heerschappij, en van de koning geen heerlijke zitplaats.~
166 7, 5 | Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd u niet voor
167 7, 5 | houd u niet voor wijs bij de koning.~
168 7, 6 | mocht niet sterk genoeg zijn de ongerechtigheden weg te
169 7, 7 | 7 Zondig niet tegen de menigte der stad, en begeef
170 7, 9 | 9 Zeg niet: Hij zal op de menigte mijner gaven zien,
171 7, 9 | gaven zien, en als ik God de Allerhoogste ofer, zo zal
172 7, 11| 11 Belach de mens niet die in bitterheid
173 7, 14| 14 Spreek niet veel in de menigte der ouden, en wederhaal
174 7, 15| 15 Haat de moeilijke arbeid niet, en
175 7, 15| moeilijke arbeid niet, en de landbouw, die door de Allerhoogste
176 7, 15| en de landbouw, die door de Allerhoogste geschapen is.~
177 7, 16| 16 Reken uzelf niet onder de menigte der zondaren; gedenk
178 7, 16| der zondaren; gedenk dat de toorn niet vertoeft.~
179 7, 17| Verneder uw ziel zeer, want de wraak des goddelozen zal
180 7, 20| 20 Die de huisknecht geen kwaad die
181 7, 20| getrouw zijn werk doet, noch de huurling die zijn ziel aan
182 7, 21| liefhebben, en onthoud hem de vrijheid niet.~
183 7, 23| ze, en buig hun hals van de jeugd aan.~
184 7, 27| ganser harte, en vergeet niet de smarten van uw moeder.~
185 7, 29| 29 Vrees de Here met uw gehele ziel,
186 7, 30| 30 Vrees de Here, en eer de priester.~
187 7, 30| 30 Vrees de Here, en eer de priester.~
188 7, 32| 32 Namelijk de eerstelingen, en het schuldoffer,~
189 7, 33| 33 En de gaven der schouderen, en
190 7, 33| gaven der schouderen, en de offerande der heiliging,
191 7, 33| offerande der heiliging, en de eerstelingen der heilige
192 7, 34| En steek uw hand uit tot de arme, opdat uw zegen volkomen
193 7, 35| en aan een dode verhinder de weldadigheid niet.~
194 7, 36| 36 Onttrek u niet van de wenende, en treur met degenen
195 7, 37| traag in het bezoeken van de kranke; want om zulke dingen
196 8, 3 | velen verdorven, en heeft de harten der koningen gebogen.~
197 8, 8 | 8 Verblijd u niet over de dood van uw grootste vijand,
198 8, 9 | Veracht niet hetgeen door de wijzen verteld wordt, en
199 8, 10| onderwijzing leren, om ook de groten gemakkelijk te dienen.~
200 8, 11| 11 Dwaal niet af van de onderwijzing der ouden,
201 8, 12| verstand leren, en hoe gij in de tijd als het nodig is zult
202 8, 13| 13 Ontsteek de kolen des zondaars niet,
203 8, 14| 14 Sta niet op tegen de smader, opdat hij uw mond
204 8, 17| 17 Richt niet tegen de rechter, want men zal hem
205 8, 19| en ga niet met hem door de woestijn, gelijk als niets
206 9, 1 | 1 ZIJT niet jaloers op de vrouw van uw schoot, en
207 9, 2 | 2 Geef uw ziel de vrouw niet, dat zij over
208 9, 6 | 6 Geef uw ziel de hoeren niet over, opdat
209 9, 7 | 7 Zie niet om in de straten der stad, en dwaal
210 9, 7 | stad, en dwaal niet om in de woeste plaatsen derzelve.~
211 9, 9 | 9 Want door de schoonheid der vrouw zijn
212 9, 9 | geworden, en uit deze wordt de liefde als een vuur aangestoken,
213 9, 9 | u niet neder met haar in de armen.~
214 9, 11| geen gelag met haar bij de wijn; dat niet te eniger
215 9, 12| een oude vriend niet, want de nieuwe is hem niet gelijk.~
216 9, 14| 14 Benijd de zondaar zijn eer niet, want
217 9, 15| welbehagen aan dat, waarin de goddelozen wel behagen hebben;
218 9, 15| hebben; gedenk dat zij tot in de hel toe niet, zullen gerechtvaardigd
219 9, 16| 16 Verwijder van de mens die macht heeft om
220 9, 16| om te doden, en gij zult de vrees des doods niet vermoeden.~
221 9, 18| strikken doorgaat, en op de tinnen der stad wandelt.~
222 9, 19| vermogen, en beraad u met de wijzen; spreek met de verstandigen,
223 9, 19| met de wijzen; spreek met de verstandigen, en al wat
224 9, 19| wat gij vertelt, zij naar de wet des Allerhoogsten.~
225 9, 20| en laat uw roem zijn in de vreze des Heren.~
226 9, 21| 21 Door de hand der kunstenaren zal
227 10, 1 | onderwijst zijn volk, en de heerschappij des verstandigen
228 10, 2 | 2 Gelijk als de rechter des volks is, zo
229 10, 2 | zijn dienaars; en gelijk de voorganger der stad is,
230 10, 4 | 4 De macht op aarde is in de
231 10, 4 | De macht op aarde is in de hand des Heren, en hij zal
232 10, 5 | 5 In de hand des Heren is des mensen
233 10, 7 | is hatelijk voor God en de mensen, en bij beide is
234 10, 7 | en bij beide is hatelijk de misdaad der ongerechtigheid.~
235 10, 11| 11 De medicijnmeester houdt een
236 10, 13| is, wanneer een mens van de Here afwijkt, en zijn hart
237 10, 15| 15 Daarom heeft de Here zeldzame straffen over
238 10, 16| 16 De Here heeft de tronen der
239 10, 16| 16 De Here heeft de tronen der regeerders ternedergedrukt,
240 10, 17| 17 De Here rukt de wortelen der
241 10, 17| 17 De Here rukt de wortelen der hovaardige
242 10, 17| hovaardige volken uit, en plant de nederigen in hun plaats
243 10, 18| 18 De landen der volken keert
244 10, 18| landen der volken keert de Here om, en verderft ze
245 10, 18| om, en verderft ze tot op de grond der aarde.~
246 10, 20| gedachtenis doen ophouden van de aarde.~
247 10, 21| 21 De hovaardigheid is niet geschapen
248 10, 21| hovaardigheid is niet geschapen in de mensen, noch de grimmige
249 10, 21| geschapen in de mensen, noch de grimmige toorn in degenen,
250 10, 22| 22 Die de Here vrezen zijn een gewis
251 10, 22| plant; daarentegen die op de wet niet achten, zijn een
252 10, 22| een schandelijk zaad; die de geboden overtreden een afdwalend
253 10, 23| hun leidsman is, en die de Here vrezen worden geëerd
254 10, 24| 24 De vreze des Heren is een heerschappij
255 10, 25| 25 De roem eens rijken, en heerlijken,
256 10, 25| heerlijken, en armen, is de vreze des Heren.~
257 10, 27| 27 De groten, en de rechters,
258 10, 27| 27 De groten, en de rechters, en de machtigen
259 10, 27| groten, en de rechters, en de machtigen worden geëerd,
260 10, 27| hunner is meerder dan die de Here vreest.~
261 10, 28| verstandige huisknecht zullen de vrijen dienen; en een man
262 10, 29| werk doet, en poch niet in de tijd uwer benauwdheid.~
263 11, 1 | 1 DE wijsheid van de nederige
264 11, 1 | 1 DE wijsheid van de nederige zal zijn hoofd
265 11, 3 | 3 De bij is klein onder de vliegende
266 11, 3 | 3 De bij is klein onder de vliegende gedierten, en
267 11, 4 | 4 Pronk niet met de klederen die gij aandoet,
268 11, 4 | klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid verhef
269 11, 4 | niet, want wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn
270 11, 4 | Heren en zijn werken zijn de mensen verborgen.~
271 11, 5 | Vele koningen hebben op de vloer gezeten en waar men
272 11, 5 | niet op verdacht was, heeft de kroon gedragen.~
273 11, 14| armoede en rijkdom zijn van de Here.~
274 11, 15| en kennis der wet is van de Here; liefde en wegen der
275 11, 16| Dwaling en duisternis zijn met de zondaren geschapen, en die
276 11, 16| pochen, met die veroudert de boosheid.~
277 11, 17| 17 De gave des Heren blijft bij
278 11, 17| gave des Heren blijft bij de godvrezenden, en zijn welbehagen
279 11, 21| 21 Verwonder u niet in de werken des zondaars, maar
280 11, 21| zondaars, maar vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.~
281 11, 22| 22 Want het is in de ogen des Heren licht, snel
282 11, 23| 23 De zegen des Heren is in het
283 11, 23| Heren is in het loon van de godvrezende; en in een korte
284 11, 26| 26 In de goede dagen vergeet men
285 11, 26| vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt aan het
286 11, 27| 27 Want het is voor de Here licht, in de dag des
287 11, 27| is voor de Here licht, in de dag des doods de mens te
288 11, 27| licht, in de dag des doods de mens te vergelden naar zijn
289 11, 28| kwaad uur maakt dat men de wellust vergeet, en aan
290 11, 28| vergeet, en aan het einde van de mens is de ontdekking zijner
291 11, 28| het einde van de mens is de ontdekking zijner werken.~
292 11, 30| een ieder in uw huis, want de lagen van de lasteraar zijn
293 11, 30| huis, want de lagen van de lasteraar zijn vele.~
294 11, 33| Van een kleine vonk wordt de gloeiende kool vermenigvuldigd,
295 12, 2 | 2 Doe wel aan de godvrezende, en gij zult
296 12, 2 | niet bij hem, immers bij de Allerhoogste.~
297 12, 4 | die God vreest, en neem u de zondaar niet aan.~
298 12, 5 | 5 Doe de nederige goed, en geef de
299 12, 5 | de nederige goed, en geef de goddeloze niet. Onthoud
300 12, 6 | 6 Want ook de Allerhoogste haat de zondaars,
301 12, 6 | ook de Allerhoogste haat de zondaars, en de godvrezende
302 12, 6 | Allerhoogste haat de zondaars, en de godvrezende zal hij wreken,
303 12, 6 | maar genen bewaart hij tot de krachtige dag der wraak.
304 12, 6 | die vroom is, en neem u de zondaar niet aan.~
305 12, 7 | 7 In voorspoed wordt de vriend niet uitgeworpen,
306 12, 7 | vriend niet uitgeworpen, en de vijand wordt niet verborgen
307 12, 8 | kwalijk gaat, dan scheidt ook de vriend van hem af.~
308 12, 13| is? en over allen die tot de wilde dieren naderen? zo
309 12, 15| 15 En de vijand zal wel met zijn
310 12, 18| zijn hoofd schudden, en met de handen klappen, en veel
311 13, 1 | daarmede besmet, en die met de hovaardige gemeenschap heeft,
312 13, 3 | 3 Wat gemeenschap zal de aarden pot met een ketel
313 13, 3 | deze zal daaraan stoten, en de andere zal verbrijzeld worden.~
314 13, 10| niet vernederd wordt in de verheuging uws harten.~
315 13, 17| 17 Hebt de Here lief al uw leven lang,
316 13, 20| zondaar tegen degene, die de Here vreest.~
317 13, 22| 22 Gelijk de wilde ezels der leeuwen
318 13, 22| der leeuwen jacht zijn in de woestijn, zo zijn de armen
319 13, 22| in de woestijn, zo zijn de armen der rijken weide.~
320 13, 23| 23 Gelijk de nederigheid is der hovaardigen
321 13, 23| hovaardigen gruwel, zo is ook de arme voor de rijke een gruwel.~
322 13, 23| zo is ook de arme voor de rijke een gruwel.~
323 13, 27| 27 De rijke spreekt, en zij zwijgen
324 13, 27| verhogen zijn rede tot aan de wolken.~
325 13, 28| 28 De arme spreekt, en men zegt:
326 13, 29| 29 De rijkdom is goed, bij welke
327 13, 29| welke geen zonde is, en de armoede is kwaad in de mond
328 13, 29| en de armoede is kwaad in de mond des goddelozen.~
329 14, 1 | 1 ZALIG is de man die niet feilt met zijn
330 14, 1 | niet doorprikkeld wordt met de menigte der zonden.~
331 14, 2 | van zijn hoop, die hij op de Here heeft.~
332 14, 3 | 3 De rijkdom voegt geen karig
333 14, 8 | aangezicht afwendt, en veracht de zielen.~
334 14, 9 | 9 Het oog van de gierigaard wordt met geen
335 14, 9 | geen deel verzadigd, en de ongerechtigheid van de boze
336 14, 9 | en de ongerechtigheid van de boze doet zijn ziel uitdrogen.~
337 14, 11| dat gij vermoogt, en breng de Here offeranden toe, gelijk
338 14, 12| 12 Gedenk dat de dood niet zal vertoeven,
339 14, 14| 14 Onttrek uzelf niet van de goede dag, en laat het deel
340 14, 18| kleed, want het verbond van de eeuw aan is dit: Gij zult
341 14, 18| eeuw aan is dit: Gij zult de dood sterven.~
342 14, 21| 21 Zalig is de man die met wijsheid betracht
343 14, 26| haar beschermd worden voor de hitte, en in haar heerlijkheid
344 15, 1 | 1 DIE de Here vreest zal zulks doen
345 15, 1 | vreest zal zulks doen en die de kennis der wet verkregen
346 15, 9 | 9 De lof in de mond des zondaars
347 15, 9 | 9 De lof in de mond des zondaars voegt
348 15, 9 | niet wel, omdat hij hem van de Here niet is gezonden.~
349 15, 10| lof gesproken worden, en de Here zal die voorspoedig
350 15, 11| 11 Zeg niet: De Here is oorzaak, dat ik
351 15, 12| gemaakt, want hij heeft de zondaar niet van node.~
352 15, 13| 13 De Here haat allerlei gruwel,
353 15, 14| Hij heeft van den beginne de mens gemaakt, en hem gelaten
354 15, 14| gemaakt, en hem gelaten in de hand zijns raads.~
355 15, 15| Indien gij wilt, gij zult de geboden houden en het geloof
356 15, 17| 17 Het leven en de dood zijn voor de mens,
357 15, 17| leven en de dood zijn voor de mens, en hetgeen hem behagen
358 15, 18| 18 Want groot is de wijsheid des Heren, en hij
359 16, 1 | verheug u over hen niet, zo de vreze des Heren bij hen
360 16, 7 | 7 In de vergadering der zondaren
361 16, 8 | verzoend geworden over al de oude reuzen, die afgevallen
362 16, 8 | die afgevallen zijn door de kracht hunner dwaasheid.~
363 16, 11| 11 En alzo heeft de Here zeshonderd duizend
364 16, 11| tezamen vergaderd waren in de hardigheid hunner harten,
365 16, 14| 14 De zondaar zal niet ontvlieden
366 16, 14| ontvlieden met zijn roof; en de verwachting van de godzalige
367 16, 14| roof; en de verwachting van de godzalige zal niet achterblijven.~
368 16, 15| vinden naar zijn werken. De Here heeft Faraö verhard,
369 16, 15| worden bij het geslacht onder de hemel; zijn barmhartigheid
370 16, 16| Zeg niet: Ik zal mij voor de Here verbergen, en wie zal
371 16, 16| zal aan mij gedenken uit de hoogte?~
372 16, 17| want wat is mijn ziel onder de onmetelijke schepselen?~
373 16, 18| 18 Ziet, de hemel, en de de hemel des
374 16, 18| 18 Ziet, de hemel, en de de hemel des hemels, de
375 16, 18| 18 Ziet, de hemel, en de de hemel des hemels, de afgrond
376 16, 18| de de hemel des hemels, de afgrond en de aarde, en
377 16, 18| des hemels, de afgrond en de aarde, en hetgeen daarin
378 16, 18| bezoeking bewogen worden; de ganse wereld die geweest
379 16, 19| 19 De bergen en de fundamenten
380 16, 19| 19 De bergen en de fundamenten der aarde worden
381 16, 19| elkander door beving, als de Here daarop ziet.~
382 16, 21| gelijk een storm wind, welke de mens niet zien kan; en het
383 16, 22| 22 Wie zal de werken zijner gerechtigheid
384 16, 29| 29 En na deze heeft de Here op aarde gezien, en
385 17, 1 | 1 DE Here heeft de mens uit aarde
386 17, 1 | 1 DE Here heeft de mens uit aarde geschapen,
387 17, 2 | heeft hun macht gegeven over de dingen die daarop zijn.~
388 17, 4 | dat hij zou heersen over de dieren en vogels, naar zijn
389 17, 5 | gaven, en voor het zevende, de spraak, welke is een uitlegging
390 17, 8 | 8 En de uitverkorenen zullen de
391 17, 8 | de uitverkorenen zullen de naam zijner heiligmaking
392 17, 9 | toegelegd wetenschap, en hun de wet des levens tot een erfdeel
393 17, 11| en hun oor heeft gehoord de heerlijkheid zijner stem,
394 17, 13| maar ieder mens is van de jeugd af geneigd tot het
395 17, 14| 14 Want in de verdeling der volken van
396 17, 14| zijnde zijn eerstgeborene, de tucht op voedt, en hij deelt
397 17, 15| werken voor hem gelijk als de zon, en zijn ogen zien steeds
398 17, 16| al hun zonden zijn voor de Here, doch de Here zijnde
399 17, 16| zijn voor de Here, doch de Here zijnde goedertieren,
400 17, 17| 17 Want de barmhartigheid tegen de
401 17, 17| de barmhartigheid tegen de man is gelijk een zegel
402 17, 17| een zegel bij hem, en zal de genade tegen de mens bewaren
403 17, 17| en zal de genade tegen de mens bewaren als zijn oogappel,
404 17, 18| 18 Doch de boetvaardige heeft bij gegeven
405 17, 18| heeft tot zich geroepen die de lijdzaamheid verlieten.~
406 17, 19| 19 Bekeer u dan tot de Here, en verlaat de zonden;
407 17, 19| tot de Here, en verlaat de zonden; smeek voor zijn
408 17, 19| aangezicht, en verminder de ergernis.~
409 17, 20| 20 Ga weder tot de Allerhoogste, en keer u
410 17, 20| want hij zal u geleiden uit de duisternis in een verlichting
411 17, 21| 21 En haat zeer de gruwel.~
412 17, 22| 22 Wie zal de Allerhoogste prijzen in
413 17, 23| een die niet meer is, gaat de dankzegging verloren.~
414 17, 24| gezond van hart is, zal de Here prijzen.~
415 17, 25| 25 Hoe groot is de ontferming des Heren onzes
416 17, 25| des Heren onzes Gods, en de verzoening voor degenen
417 17, 26| Want alle dingen kunnen in de mensen niet zijn, dewijl
418 17, 27| 27 Wat is klaarder dan de zon, en nochtans bezwijkt
419 17, 27| nochtans bezwijkt ze; zo ook de mens die vlees en bloed
420 17, 28| 28 Hij ziet aan de kracht des hogen hemels,
421 18, 2 | 2 De Here is alleen rechtvaardig,
422 18, 2 | ander dan hij; hij heeft de wereld gebouwd met de span
423 18, 2 | heeft de wereld gebouwd met de span zijner hand, en alle
424 18, 4 | 4 Wie zal de kracht van zijn majesteit
425 18, 5 | 5 De wonderen des Heren zijn
426 18, 6 | 6 Wanneer de mens zal hebben voleindigd,
427 18, 7 | 7 Wat is de mens? en waartoe is hij
428 18, 9 | rekenen tegen het water van de zee, en een greintje zand
429 18, 9 | zand tegen het zand aan de zee, zo zijn duizend jaren
430 18, 9 | zijn duizend jaren tegen de dagen der eeuwigheid.~
431 18, 10| 10 Daarom is de Here lankmoedig over hen,
432 18, 12| 12 De barmhartigheid van de mens
433 18, 12| 12 De barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste,
434 18, 12| gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid. des Heren
435 18, 16| 16 Zal niet de dauw de hitte doen ophouden?
436 18, 16| 16 Zal niet de dauw de hitte doen ophouden? zo
437 18, 17| geschenk? en beide zijn ze bij de mens aangenaam.~
438 18, 18| zijn weldaad onbeleefd, en de gift van een nijdig mens
439 18, 18| een nijdig mens doet hem de ogen uitdrogen.~
440 18, 20| zult verzoening vinden in de ure der bezoeking.~
441 18, 21| ziek wordt, en bewijs in de tijd der zonden uw bekering.~
442 18, 22| en verwijl niet tot aan de dood rechtvaardig te worden.~
443 18, 23| wees niet gelijk een die de Here verzoekt.~
444 18, 24| 24 Gedenk aan de gramschap die komen zal
445 18, 24| gramschap die komen zal in de dagen van de dood, en aan
446 18, 24| komen zal in de dagen van de dood, en aan de tijd der
447 18, 24| dagen van de dood, en aan de tijd der wraak, als de Here
448 18, 24| aan de tijd der wraak, als de Here zijn aangezicht zal
449 18, 25| 25 Gedenk aan de tijd des hongers, in de
450 18, 25| de tijd des hongers, in de tijd der volheid, aan armoede
451 18, 25| aan armoede en gebrek in de dag des rijkdoms.~
452 18, 26| s morgens vroeg tot op de avond verandert de tijd,
453 18, 26| tot op de avond verandert de tijd, en al deze dingen
454 18, 26| dingen zijn haastig voor de Here. Een wijs mens vreest
455 18, 26| mens vreest altijd, en in de dagen der zonden wacht hij
456 18, 26| mishandeling, maar een dwaas zal de tijd niet waarnemen.~
457 18, 29| Beter is het betrouwen op de Here alleen, daar het dode
458 18, 31| Indien gij uw zielen toereikt de lust van haar welbehagen,
459 18, 32| 32 Verheug u niet in de veelheid uwer lekkernijen,
460 18, 33| daar gij niets hebt in de beurs, want anders zult
461 19, 2 | 2 Wijn en vrouwen doen de verstandigen afvallen, en
462 19, 2 | verstandigen afvallen, en wie de hoeren aanhangt, die wordt
463 19, 3 | 3 Die zullen de maden en wormen tot erfdeel
464 19, 5 | verdoemd worden, maar wie de wellusten wederstaat, die
465 19, 12| Gelijk een pijl, die in de heup van het vlees vaststeekt,
466 19, 12| vaststeekt, zo is een woord in de buik van een dwaas.~
467 19, 17| eer gij dreigt, en geef de wet des Allerhoogsten plaats,
468 19, 18| 18 De vreze des Heren is een beginsel
469 19, 18| beginsel der aanneming, en de wijsheid die van hem komt
470 19, 18| hem behagelijk is, zullen de boom der onsterfelijkheid
471 19, 19| 19 De vreze van de Here komende,
472 19, 19| 19 De vreze van de Here komende, is de gehele
473 19, 19| van de Here komende, is de gehele wijsheid, en in alle
474 19, 19| en in alle wijsheid is de onderhouding der wet, en
475 19, 20| 20 De wetenschap der boosheid
476 19, 20| daar is geen kloekheid waar de raad der zondaren is.~
477 19, 22| overvloedig is in kloekheid, en de wet des Allerhoogsten overtreedt.~
478 19, 23| onrechtvaardig, en menigeen is er die de genade verandert, om het
479 19, 25| het aangezicht, en maakt de dove; indien gij hem niet
480 19, 27| een verstandige wordt aan de ontmoeting zijns aangezichts
481 19, 28| 28 De kleding des mans, en het
482 19, 28| het lachen der tanden, en de gang der mensen, verkondigen
483 20, 2 | 2 Gelijk de lust van een gesnedene is
484 20, 4 | is er die zwijgt, wetende de gelegen tijd.~
485 20, 5 | een pocher en onwijze gaat de gelegen tijd voorbij.~
486 20, 7 | bewijst? want zo zal hij de vrijwillige zonden vlieden.~
487 20, 8 | 8 De zondaar heeft een welbehagen
488 20, 10| vernederd wordt uit oorzaak van de pracht; en menigeen is er
489 20, 10| en menigeen is er die uit de vernedering het hoofd opheft.~
490 20, 12| 12 De wijze zal zichzelf met woorden
491 20, 12| woorden lieftallig maken, maar de aangenaamheid der dwazen
492 20, 13| 13 De gave van een onwijze zal
493 20, 15| lenen, en morgen wedereisen; de zodanige is van de Here
494 20, 15| wedereisen; de zodanige is van de Here en van de mensen gehaat.~
495 20, 15| zodanige is van de Here en van de mensen gehaat.~
496 20, 18| dan door een tong; zo zal de val der kwade mensen haastig
497 20, 19| een ontijdige klucht, in de mond der ongeschikten zal
498 20, 20| 20 Een spreuk komende uit de mond eens dwazen zal verworpen
499 20, 20| hij spreekt die niet op de bekwame tijd.~
500 20, 22| en verliest het omdat hij de persoon aanneemt.~
1-500 | 501-1000 | 1001-1476 |