Chapter, Verse
1 4, 26| Neem de persoon niet aan tegen uw ziel, en word niet schaamrood
2 4, 30| Spreek de waarheid niet tegen in enig stuk, en word schaamrood
3 6, 12| vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van
4 6, 15| Daar is geen verwisseling tegen een getrouwe vriend, en
5 7, 7 | 7 Zondig niet tegen de menigte der stad, en
6 7, 12| 12 Ploeg geen leugen tegen uw broeder, en doe uw vriend
7 7, 24| uw aangezicht niet blijde tegen haar.~
8 8, 14| 14 Sta niet op tegen de smader, opdat hij uw
9 8, 17| 17 Richt niet tegen de rechter, want men zal
10 9, 1 | uw schoot, en leer haar tegen uzelf geen boze onderwijzing.~
11 10, 32| zal die rechtvaardigen die tegen zijn ziel zondigt en wie
12 13, 8 | verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden.~
13 13, 20| een lam? zo is een zondaar tegen degene, die de Here vreest.~
14 14, 5 | 5 Die tegen zichzelf kwaad is, wie zal
15 17, 17| 17 Want de barmhartigheid tegen de man is gelijk een zegel
16 17, 17| bij hem, en zal de genade tegen de mens bewaren als zijn
17 18, 9 | droppel water is te rekenen tegen het water van de zee, en
18 18, 9 | zee, en een greintje zand tegen het zand aan de zee, zo
19 18, 9 | zee, zo zijn duizend jaren tegen de dagen der eeuwigheid.~
20 19, 4 | lichtvaardig van hart, en die tegen zijn ziel zondigt, zal zo
21 22, 21| 21 Palen omhoog gezet tegen de wind, kunnen niet blijven,~
22 22, 22| de gedachte van de dwaas tegen geen vrees bestaan.~
23 22, 25| het zwaard getrokken hebt tegen uw vriend, zo wanhoop niet,
24 22, 26| 26 Indien gij de mond tegen uw vriend opengedaan hebt,
25 23, 3 | valle voor degenen die mij tegen zijn, en mijn vijand over
26 25, 23| 23 Alle boosheid is klein tegen de boosheid van een vrouw;
27 26, 6 | van het volk, en leugen tegen iemand opgemaakt, al deze
28 26, 12| niet, indien zij verkeerd tegen u zou handelen.~
29 28, 3 | 3 De ene mens houdt tegen de andere mens toorn, en
30 28, 7 | 7 Pleeg geen vijandschap tegen uw naaste tot zijn verderf
31 28, 8 | en oefen geen vijandschap tegen de naaste, en aan het verbond
32 29, 16| meer dan een harde spies, tegen uw vijand voor u strijden.~
33 32, 21| lichtelijk valt, en gij zult tegen geen steenachtige plaatsen
34 33, 15| 15 Gelijk het goede staat tegen het kwade, en het leven
35 33, 15| het kwade, en het leven tegen de dood, zo staat de godvrezende
36 33, 15| zo staat de godvrezende tegen de zondaar, zo ook de zondaar
37 33, 15| zondaar, zo ook de zondaar tegen de godvrezende man; en ingelijks,
38 33, 15| zijn alle twee, het een tegen het ander.~
39 34, 3 | gelijkheid van het aangezicht tegen het aangezicht over.~
40 34, 17| steunsel; een bescherming tegen de hitte, en een bescherming
41 34, 17| hitte, en een bescherming tegen de middag; een bewaring
42 34, 17| de aanstoot, en een hulp tegen de val.~
43 35, 14| aangezicht desgenen die zich tegen de arme stelt niet aannemen,
44 35, 16| de wang? en haar geschrei tegen hem, die ze heeft doen nederkomen?~
45 37, 4 | verdrukking zal hij hem tegen zijn.~
46 37, 5 | wil, en neemt een schild tegen de vijand.~
47 38, 15| 15 Wie tegen degene zondigt, die hem
48 40, 9 | gesel; deze dingen alle zijn tegen de goddelozen geschapen,
49 43, 3 | zij het land, en wie zal tegen haar hitte bestaan?~
50 45, 22| 22 Vreemden zijn tegen hem opgestaan, en hebben
51 46, 2 | doen aan de vijanden die tegen hen opstonden, en om Israël
52 46, 3 | handen ophief, en het zwaard tegen de steden uittrok?~
53 46, 7 | Hij brak uit met oorlog tegen de volken, en in het afkomen
54 47, 8 | niet de Filistijnen die tegen hem waren, tot op de huidige
55 48, 20| Lachis, en verhief zijn hand tegen Sion, en pochte zeer in
56 51, 3 | die leugens oefenen; en tegen degenen die zich tegen mij
57 51, 3 | en tegen degenen die zich tegen mij stelden, zijt gij mij
58 51, 13| tijde als ik geen hulp had tegen de hovaardigen.~
|