Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
te 226
tegelijk 2
tegemoet 3
tegen 58
tegenover 4
tegenpartijder 1
tegenspoed 1
Frequency    [«  »]
60 heb
60 hen
59 vrouw
58 tegen
54 werken
52 1
52 10

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

tegen

   Chapter, Verse
1 4, 26| Neem de persoon niet aan tegen uw ziel, en word niet schaamrood 2 4, 30| Spreek de waarheid niet tegen in enig stuk, en word schaamrood 3 6, 12| vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van 4 6, 15| Daar is geen verwisseling tegen een getrouwe vriend, en 5 7, 7 | 7 Zondig niet tegen de menigte der stad, en 6 7, 12| 12 Ploeg geen leugen tegen uw broeder, en doe uw vriend 7 7, 24| uw aangezicht niet blijde tegen haar.~ 8 8, 14| 14 Sta niet op tegen de smader, opdat hij uw 9 8, 17| 17 Richt niet tegen de rechter, want men zal 10 9, 1 | uw schoot, en leer haar tegen uzelf geen boze onderwijzing.~ 11 10, 32| zal die rechtvaardigen die tegen zijn ziel zondigt en wie 12 13, 8 | verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden.~ 13 13, 20| een lam? zo is een zondaar tegen degene, die de Here vreest.~ 14 14, 5 | 5 Die tegen zichzelf kwaad is, wie zal 15 17, 17| 17 Want de barmhartigheid tegen de man is gelijk een zegel 16 17, 17| bij hem, en zal de genade tegen de mens bewaren als zijn 17 18, 9 | droppel water is te rekenen tegen het water van de zee, en 18 18, 9 | zee, en een greintje zand tegen het zand aan de zee, zo 19 18, 9 | zee, zo zijn duizend jaren tegen de dagen der eeuwigheid.~ 20 19, 4 | lichtvaardig van hart, en die tegen zijn ziel zondigt, zal zo 21 22, 21| 21 Palen omhoog gezet tegen de wind, kunnen niet blijven,~ 22 22, 22| de gedachte van de dwaas tegen geen vrees bestaan.~ 23 22, 25| het zwaard getrokken hebt tegen uw vriend, zo wanhoop niet, 24 22, 26| 26 Indien gij de mond tegen uw vriend opengedaan hebt, 25 23, 3 | valle voor degenen die mij tegen zijn, en mijn vijand over 26 25, 23| 23 Alle boosheid is klein tegen de boosheid van een vrouw; 27 26, 6 | van het volk, en leugen tegen iemand opgemaakt, al deze 28 26, 12| niet, indien zij verkeerd tegen u zou handelen.~ 29 28, 3 | 3 De ene mens houdt tegen de andere mens toorn, en 30 28, 7 | 7 Pleeg geen vijandschap tegen uw naaste tot zijn verderf 31 28, 8 | en oefen geen vijandschap tegen de naaste, en aan het verbond 32 29, 16| meer dan een harde spies, tegen uw vijand voor u strijden.~ 33 32, 21| lichtelijk valt, en gij zult tegen geen steenachtige plaatsen 34 33, 15| 15 Gelijk het goede staat tegen het kwade, en het leven 35 33, 15| het kwade, en het leven tegen de dood, zo staat de godvrezende 36 33, 15| zo staat de godvrezende tegen de zondaar, zo ook de zondaar 37 33, 15| zondaar, zo ook de zondaar tegen de godvrezende man; en ingelijks, 38 33, 15| zijn alle twee, het een tegen het ander.~ 39 34, 3 | gelijkheid van het aangezicht tegen het aangezicht over.~ 40 34, 17| steunsel; een bescherming tegen de hitte, en een bescherming 41 34, 17| hitte, en een bescherming tegen de middag; een bewaring 42 34, 17| de aanstoot, en een hulp tegen de val.~ 43 35, 14| aangezicht desgenen die zich tegen de arme stelt niet aannemen, 44 35, 16| de wang? en haar geschrei tegen hem, die ze heeft doen nederkomen?~ 45 37, 4 | verdrukking zal hij hem tegen zijn.~ 46 37, 5 | wil, en neemt een schild tegen de vijand.~ 47 38, 15| 15 Wie tegen degene zondigt, die hem 48 40, 9 | gesel; deze dingen alle zijn tegen de goddelozen geschapen, 49 43, 3 | zij het land, en wie zal tegen haar hitte bestaan?~ 50 45, 22| 22 Vreemden zijn tegen hem opgestaan, en hebben 51 46, 2 | doen aan de vijanden die tegen hen opstonden, en om Israël 52 46, 3 | handen ophief, en het zwaard tegen de steden uittrok?~ 53 46, 7 | Hij brak uit met oorlog tegen de volken, en in het afkomen 54 47, 8 | niet de Filistijnen die tegen hem waren, tot op de huidige 55 48, 20| Lachis, en verhief zijn hand tegen Sion, en pochte zeer in 56 51, 3 | die leugens oefenen; en tegen degenen die zich tegen mij 57 51, 3 | en tegen degenen die zich tegen mij stelden, zijt gij mij 58 51, 13| tijde als ik geen hulp had tegen de hovaardigen.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License