Chapter, Verse
1 1, 30| 30 Verhef uzelf niet, opdat gij niet valt, en schande
2 2, 3 | en wijk niet van hem af, opdat gij moogt vermeerderd worden
3 2, 9 | barmhartigheid en wijkt niet af, opdat gij niet valt.~
4 3, 1 | mij uw vader en doet alzo, opdat gij behouden wordt.~
5 3, 9 | 9 Opdat zegening van mensen over
6 6, 2 | niet in de raad uwer ziel, opdat uw ziel niet gelijk een
7 7, 34| uw hand uit tot de arme, opdat uw zegen volkomen worde.~
8 8, 2 | niet met een rijk mens, opdat hij u misschien niet overmag.~
9 8, 5 | niet met een ongeschikte, opdat uw voorouders van hem niet
10 8, 13| kolen des zondaars niet, opdat gij niet verbrand wordt
11 8, 14| niet op tegen de smader, opdat hij uw mond niet bespiede.~
12 8, 18| Wandel niet met een stoute, opdat hij u niet bezware, want
13 9, 3 | hoerachtige vrouw tegemoet opdat gij niet te eniger tijd
14 9, 6 | ziel de hoeren niet over, opdat gij uw erfdeel niet verliest.~
15 9, 17| komt zo vergrijp u niet, opdat bij u niet terstond uw leven
16 12, 5 | brood, en geef hem niet, opdat hij u daardoor niet overweldige,
17 12, 12| Stel hem niet nevens u, opdat hij niet te eniger tijd
18 13, 12| Val niet in iemands rede, opdat gij niet zonder kennis der
19 13, 12| sta ook niet te ver af, opdat gij niet vergeten wordt.~
20 16, 15| dat hij hem niet kende, opdat zijn werken zouden bekend
21 17, 7 | roemen in zijn wonderen, opdat zij zijn werken verstandig
22 17, 9 | tot een erfdeel gegeven, opdat zij zouden verstaan, dat
23 22, 15| 15 Hoed u voor hem, opdat gij geen moeite hebt, en
24 22, 27| naaste in zijn armoede; opdat gij u verheugen moogt als
25 22, 28| verdrukking blijf bij hem, opdat gij zijn erfdeel moogt erven,
26 22, 31| scherpzinnig zegel op mijn lippen, opdat ik niet schielijk valse
27 23, 2 | der wijsheid in mijn hart? opdat gij Here mijn onwetendheden
28 23, 3 | 3 Opdat mijn onwetendheden niet
29 24, 26| maar zijt sterk in de Here, opdat hij u krachtig make; kleeft
30 26, 11| onbeschaamde dochter zeer nauw, opdat zij niet, wanneer zij ruimte
31 28, 30| enigszins daarin struikelt, opdat gij niet valt in tegenwoordigheid
32 29, 27| kleine als aan het grote, opdat gij niet hoort het verwijt
33 30, 1 | altijd aan hem bezigen, opdat hij eindelijk van hem verheugd
34 30, 10| 10 Lach niet met hem, opdat u geen smart overkome, en
35 30, 12| terwijl hij nog een kind is, opdat hij niet te eniger tijd
36 30, 13| en maak uw werk van hem, opdat gij u niet stoot aan zijn
37 31, 18| zijt niet vraatzuchtig, opdat gij niet gehaat wordt.~
38 31, 19| zijt niet onverzadelijk, opdat gij niet te eniger tijd
39 32, 3 | geprezen zijn, zo rust, opdat gij van hunnentwege verheugd
40 33, 19| goederen aan geen ander, opdat gij niet berouw hebbende
41 33, 27| Drijf hem tot het i werk, opdat hij niet ledig ga, want
42 36, 7 | Verheerlijk uw hand en rechterarm, opdat zij uw wonderen mogen vertellen.~
43 37, 9 | zal zichzelf raad geven, opdat hij niet misschien het lot
44 37, 16| deze bid de Allerhoogste, opdat de waarheid uw weg recht
45 38, 5 | zoet geworden van een hout, opdat zijn kracht door de mens
46 43, 29| niet kunnen bereiken, en opdat ik mijn woorden voleindige,
47 44, 19| werden met hem opgericht, opdat niet alle vlees door de
48 45, 32| zijn volk in gerechtigheid, opdat hun goederen niet verdwijnen,
49 46, 8 | 8 Opdat de volken al hun wapentuig
50 46, 12| 12 Opdat al de kinderen Israëls zouden
51 47, 12| tijden volkomen versierd, opdat zij zouden prij zen zijn
52 47, 15| rondom hem rust gegeven had, opdat hij voor zijn naam een huis
|