bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 4| 4 De wijsheid is eer dan alle
2 2, 4| 4 Neem gaarne aan al wat u
3 3, 4| 4 En wie zijn moeder eert,
4 4 | 4~ ~
5 4, 4| 4 Weiger de verdrukte niet
6 5, 4| 4 Zeg niet: Ik heb gezondigd,
7 6, 4| 4 Een boze ziel zal verderven
8 7, 4| 4 Begeer van de Here geen
9 8, 4| 4 Strijd niet met een klapachtig
10 9, 4| 4 Ga niet om met een snarenspeelster,
11 10, 4| 4 De macht op aarde is in
12 11, 4| 4 Pronk niet met de klederen
13 12, 4| 4 Geef degene die God vreest,
14 13, 4| 4 Een rijke doet onrecht,
15 14, 4| 4 Wie vergadert onttrekkende
16 15, 4| 4 Hij zal op haar gevestigd
17 16, 4| 4 En het is beter zonder kinderen
18 17, 4| 4 Hij heeft hun vreze gelegd
19 18, 4| 4 Wie zal de kracht van zijn
20 19, 4| 4 Wie haar licht vertrouwt
21 20, 4| 4 Menigeen is er die zwijgt,
22 21, 4| 4 Alle ongerechtigheid is
23 22, 4| 4 Een voorzichtige dochter
24 23, 4| 4 O Here, Vader en God mijns
25 24, 4| 4 Ik heb mijn tent in de hoogste
26 25, 4| 4 Namelijk een arme, die hovaardig
27 26, 4| 4 En het hart van zo'n man
28 27, 4| 4 Als men een zeef schudt,
29 28, 4| 4 En hij heeft geen barmhartigheid
30 29, 4| 4 Velen menen dat het geleende
31 30, 4| 4 Is zijn vader gestorven,
32 31, 4| 4 De arme bemoeit zichzelf
33 32, 4| 4 Spreek, gij die oud zijt,
34 33, 4| 4 Gelijk de vraag klaar is,
35 34, 4| 4 Van het onreine, wat zal
36 35, 4| 4 Verschijn niet ledig voor
37 36, 4| 4 Gelijk gij voor hun ogen
38 37, 4| 4 Een metgezel leeft met zijn
39 38, 4| 4 De Here heeft de medicijnen
40 39, 4| 4 Midden onder de groten dient
41 40, 4| 4 Zo wel bij hem, die een
42 41, 4| 4 Voor een die in zijn uiterste
43 42, 4| 4 En schaam u niet, dat gij
44 43, 4| 4 Men blaast een oven aan
45 44, 4| 4 Die raad gaven met verstand,
46 45, 4| 4 Door zijn geloof en zachtmoedigheid
47 46, 4| 4 Wie heeft eer dan hij zo
48 47, 4| 4 In zijn jeugd bracht hij
49 48, 4| 4 En wie is u gelijk om te
50 49, 4| 4 Hij richtte zijn hart tot
51 50, 4| 4 Hij droeg zorg voor zijn
52 51, 4| 4 Gij hebt mij verlost naar
|