bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 18| 18 De kroon der wijsheid is
2 2, 18| 18 Die de Here vrezen, zullen
3 3, 18| 18 Wie zijn vader verlaat,
4 4, 18| 18 Want verkeerd zal zij in
5 5, 18| 18 Wees niet onwetende ook
6 6, 18| 18 Mijn kind, verkies de onderwijzing
7 7, 18| 18 Verwissel uw vriend niet
8 8, 18| 18 Wandel niet met een stoute,
9 9, 18| 18 Weet, dat gij in het midden
10 10, 18| 18 De landen der volken keert
11 11, 18| 18 Menigeen is er die rijk
12 12, 18| 18 Hij zal zijn hoofd schudden,
13 13, 18| 18 Ieder dier heeft zijns gelijke
14 14, 18| 18 Alle vlees veroudert gelijk
15 15, 18| 18 Want groot is de wijsheid
16 16, 18| 18 Ziet, de hemel, en de de
17 17, 18| 18 Doch de boetvaardige heeft
18 18 | 18~ ~
19 18, 18| 18 Een zot verwijt zijn weldaad
20 19, 18| 18 De vreze des Heren is een
21 20, 18| 18 Het is beter op een vloer
22 21, 18| 18 Heeft het een onverstandige
23 22, 18| 18 Zand en zout en een klomp
24 23, 18| 18 Een mens die gewend is tot
25 24, 18| 18 Ik heb mijn takken uitgestrekt
26 25, 18| 18 Alle inval, doch niet de
27 26, 18| 18 Gelijk het licht op de heilige
28 27, 18| 18 Maar indien gij zijn heimelijke
29 28, 18| 18 Wie naar haar luistert,
30 29, 18| 18 Vergeet de weldaden niet
31 30, 18| 18 Opgesloten goederen bij
32 31, 18| 18 Eet gelijk een mens van
33 32, 18| 18 Een goddeloos mens ontwijkt
34 33, 18| 18 Hoort gij groten, en gij
35 34, 18| 18 Hij verhoogt de ziel, en
36 35, 18| 18 Het gebed des nederigen
37 36, 18| 18 Geef loon degenen die u
38 37, 18| 18 Het aangezicht is een teken
39 38, 18| 18 En, maak de rouw naar zijn
40 39, 18| 18 En brengt een bloem voort
41 40, 18| 18 Kinderen, en opbouw der
42 41, 18| 18 De wijsheid, die verborgen
43 42, 18| 18 Nu zal ik gedenken de werken
44 43, 18| 18 Door zijn wil blaast de
45 44, 18| 18 Noach werd volkomen bevonden
46 45, 18| 18 Mozes heeft zijn handen
47 46, 18| 18 En hij riep de Here, de
48 47, 18| 18 Uw naam is verre tot in
49 48, 18| 18 Enigen hunner deden wel
50 49, 18| 18 Een steunsel des volks,
51 50, 18| 18 Dan haastte al het volk
52 51, 18| 18 Voor de tempel heb ik om
|