bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 16| 16 Haar gehele huis vervult
2 2, 16| 16 Wee ulieden die de lijdzaamheid
3 3, 16| 16 En in plaats der zonden
4 4, 16| 16 Die haar gehoorzaam is,
5 5, 16| 16 Laat u geen oorblazer noemen,
6 6, 16| 16 Een getrouw vriend is een
7 7, 16| 16 Reken uzelf niet onder de
8 8, 16| 16 Word geen borg boven uw
9 9, 16| 16 Verwijder van de mens die
10 10, 16| 16 De Here heeft de tronen
11 11, 16| 16 Dwaling en duisternis zijn
12 12, 16| 16 Met zijn ogen zal hij wenen,
13 13, 16| 16 Als gij deze dingen hoort,
14 14, 16| 16 Geef en neem, en heilig
15 15, 16| 16 Hij heeft u vuur en water
16 16 | 16~ ~
17 16, 16| 16 Zeg niet: Ik zal mij voor
18 17, 16| 16 Hun ongerechtigheden zijn
19 18, 16| 16 Zal niet de dauw de hitte
20 19, 16| 16 Laat uw hart niet elk woord
21 20, 16| 16 Een dwaas zal zeggen: Ik
22 21, 16| 16 Het binnenste van de dwaas
23 22, 16| 16 Wijk van hem, en gij zult
24 23, 16| 16 Gedenk aan uw vader en moeder;
25 24, 16| 16 Ik heb een goede reuk van
26 25, 16| 16 De vreze des Heren is het
27 26, 16| 16 Een schaamachtige en getrouwe
28 27, 16| 16 Wie heimelijke dingen openbaart,
29 28, 16| 16 En heeft vaste steden vernield,
30 29, 16| 16 Zij zal meer dan een sterk
31 30, 16| 16 Daar is geen rijkdom beter
32 31, 16| 16 Steek uw hand niet uit daar
33 32, 16| 16 Wie de wet zoekt, die zal
34 33, 16| 16 En ik ben de laatste ontwaakt
35 34, 16| 16 Zalig is de ziel desgenen,
36 35, 16| 16 Vlieten niet de tranen der
37 36, 16| 16 Vervul Sion om uw woorden
38 37, 16| 16 En in alle deze bid de Allerhoogste,
39 38, 16| 16 Mijn kind over een dode
40 39, 16| 16 Nog zal ik vertellen hetgeen
41 40, 16| 16 Weldadigheid is gelijk een
42 41, 16| 16 Een goed leven heeft een.
43 42, 16| 16 Want van de klederen komt
44 43, 16| 16 Door zijn grote heerlijkheid
45 44, 16| 16 De volken zullen hun wijsheid
46 45, 16| 16 En niemand deed ooit deze
47 46, 16| 16 Hij richtte de vergadering
48 47, 16| 16 Hoe wijs was hij in zijn
49 48, 16| 16 Door al deze dingen bekeerde
50 49, 16| 16 Zodanig is er geen geschapen
51 50, 16| 16 Uitgietende op de fundamenten
52 51, 16| 16 Daarom zal ik u belijden,
|