bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 13| 13 Het begin der wijsheid is
2 2, 13| 13 Want de Here is een ontfermer
3 3, 13| 13 Mijn kind, verzorg uw vader
4 4, 13| 13 Wie haar liefheeft, die
5 5, 13| 13 Zijt ras om wat goeds te
6 6, 13| 13 Scheid u af van uw vijanden,
7 7, 13| 13 Wil niet liegen enigerlei
8 8, 13| 13 Ontsteek de kolen des zondaars
9 9, 13| 13 Een nieuwe vriend is gelijk
10 10, 13| 13 Het beginsel der hovaardigheid
11 11, 13| 13 En verheft zijn hoofd van
12 12, 13| 13 Wie zal zich ontfermen over
13 13 | 13~ ~
14 13, 13| 13 Tracht niet met hem te spreken,
15 14, 13| 13 Doe uw vriend goed, eer
16 15, 13| 13 De Here haat allerlei gruwel,
17 16, 13| 13 Gelijk zijn barmhartigheid
18 17, 13| 13 Hun wegen zullen niet verborgen
19 18, 13| 13 Hij bestraft, en onderwijst,
20 19, 13| 13 Bestraf uw vriend, misschien
21 20, 13| 13 De gave van een onwijze
22 21, 13| 13 Maar de voleinding van de
23 22, 13| 13 De rouw over een dode duurt
24 23, 13| 13 Het is een wijze van spreken
25 24, 13| 13 Ik ben verhoogd geworden
26 25, 13| 13 Hoe groot is bij die wijsheid
27 26, 13| 13 Gelijk een reizende man
28 27, 13| 13 Het verhaal der zotten is
29 28, 13| 13 Indien gij in een vonk blaast,
30 29, 13| 13 Verlies uw geld om uws vriends
31 30, 13| 13 Onderwijs uw zoon, en maak
32 31, 13| 13 En zeg niet: Daar is veel
33 32, 13| 13 Speel aldaar, en doe wat
34 33, 13| 13 Zij zijn in zijn hand gelijk
35 34, 13| 13 De geest dergenen, die de
36 35, 13| 13 Want de Here is een rechter,
37 36, 13| 13 Vergader alle stammen Jakobs,
38 37, 13| 13 Acht op deze niet in een
39 38, 13| 13 Daar is mischien een tijd,
40 39, 13| 13 Zijn gedachtenis zal niet
41 40, 13| 13 Als hij de handen opendoet,
42 41, 13| 13 Al wat uit de aarde is,
43 42, 13| 13 Is zij maagd, dat zij niet
44 43, 13| 13 Hij omvat de hemel met een
45 44, 13| 13 Hun zaad is in de verbonden,
46 45, 13| 13 Gemaakt van getweernd scharlaken
47 46, 13| 13 En de richters, elk met
48 47, 13| 13 De Here heeft zijn zonden
49 48, 13| 13 Elia is het, die bedekt
50 49, 13| 13 Hoe zullen wij Zerubbabel
51 50, 13| 13 Rondom hem was een omstaande
52 51, 13| 13 Ik riep de Here de vader
|