bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 12| 12 Die de Here vreest die zal
2 2, 12| 12 Of wie is in zijn vreze
3 3, 12| 12 Want de eer des mensen komt
4 4, 12| 12 De wijsheid verhoogt haar
5 5, 12| 12 Als gij in uw mening zeker
6 6, 12| 12 Indien gij vernederd wordt,
7 7, 12| 12 Ploeg geen leugen tegen
8 8, 12| 12 Want van hen zult gij verstand
9 9, 12| 12 Verlaat een oude vriend
10 10, 12| 12 Want wanneer een mens sterft,
11 11, 12| 12 Menigeen is er die traag
12 12 | 12~ ~
13 12, 12| 12 Stel hem niet nevens u,
14 13, 12| 12 Val niet in iemands rede,
15 14, 12| 12 Gedenk dat de dood niet
16 15, 12| 12 Zeg niet, hij heeft mij
17 16, 12| 12 Want ontferming en toorn
18 17, 12| 12 Wacht u van alle ongerechtigheid,
19 18, 12| 12 De barmhartigheid van de
20 19, 12| 12 Gelijk een pijl, die in
21 20, 12| 12 De wijze zal zichzelf met
22 21, 12| 12 Wie de wet des Heren bewaart,
23 22, 12| 12 Want het leven van een dwaas
24 23, 12| 12 En zo hij ijdel gezworen
25 24, 12| 12 En ben ingeworteld in een
26 25, 12| 12 Hij is zalig die kloekheid
27 26, 12| 12 Neem acht op haar onbeschaamd
28 27, 12| 12 Neem onder de onverstandigen
29 28, 12| 12 Een haastige twist ontsteekt
30 29, 12| 12 Neem u de arme aan vanwege
31 30, 12| 12 Buig hem zijn hals in de
32 31, 12| 12 Als gij aan een grote tafel
33 32, 12| 12 Word bij tijds wakker, en
34 33, 12| 12 Enigen uit hen heeft hij
35 34, 12| 12 Menigmaal ben ik in gevaar
36 35, 12| 12 Besnoei uw gave niet, want
37 36, 12| 12 Verbrijzel de hoofden van
38 37, 12| 12 Noch met een vrouw, aangaande
39 38, 12| 12 Want de Here heeft hem geschapen,
40 39, 12| 12 Velen zullen zijn verstand
41 40, 12| 12 De goederen der onrechtvaardigen
42 41, 12| 12 Want indien gij vermenigvuldigt,
43 42, 12| 12 En in haar jeugd vreest
44 43, 12| 12 Zie de regenboog, en loof
45 44, 12| 12 Bij hun zaad blijft een
46 45, 12| 12 Met een heilige gouden,
47 46, 12| 12 Opdat al de kinderen Israëls
48 47, 12| 12 Hij heeft op de feesten
49 48, 12| 12 Want ook wij zullen zeker
50 49, 12| 12 Ook de gedachtenis der twaalf
51 50, 12| 12 En als hij de gedeelten
52 51, 12| 12 En heb van de aarde mijn
|