bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 10| 10 De vreze des Heren is eer,
2 2, 10| 10 Ziet de oude geslachten
3 3, 10| 10 Want de zegening des vaders
4 4, 10| 10 Wees de wezen als een vader,
5 5, 10| 10 Steun niet op onrechtvaardige
6 6, 10| 10 Daar is ook menig vriend
7 7, 10| 10 Wees niet kleinmoedig in
8 8, 10| 10 Want van hen zult gij onderwijzing
9 9, 10| 10 Bij een getrouwde vrouw
10 10 | 10~ ~
11 10, 10| 10 Want deze biedt ook zijn
12 11, 10| 10 Mijn kind, bemoei u niet
13 12, 10| 10 Want gelijk het koper verroest,
14 13, 10| 10 En niet vernederd wordt
15 14, 10| 10 Een boos oog is nijdig over
16 15, 10| 10 Want met wijsheid zal lof
17 16, 10| 10 Hij ontfermde zich niet
18 17, 10| 10 Een eeuwig verbond heeft
19 18, 10| 10 Daarom is de Here lankmoedig
20 19, 10| 10 Hebt gij wat gehoord, laat
21 20, 10| 10 Menigeen is er die vernederd
22 21, 10| 10 De vergadering der goddelozen
23 22, 10| 10 Ween over een dode, want
24 23, 10| 10 Een man die veel zweert,
25 24, 10| 10 Vóór de wereld, van den
26 25, 10| 10 Een mens die verheugd wordt
27 26, 10| 10 De hoererij van een vrouw
28 27, 10| 10 Een leeuw loert op de jacht,
29 28, 10| 10 Een zondaar ontroert vrienden,
30 29, 10| 10 Velen dan vanwege zulke
31 30, 10| 10 Lach niet met hem, opdat
32 31, 10| 10 Wie is daardoor beproefd
33 32, 10| 10 Zijnde onder de groten,
34 33, 10| 10 En alle mensen komen van
35 34, 10| 10 Die niet ervaren is, weet
36 35, 10| 10 Geef de Allerhoogste naar
37 36, 10| 10 Maak dat de tijd haast kome,
38 37, 10| 10 En zegge tot u: Uw weg is
39 38, 10| 10 Sta af van misdaden, en
40 39, 10| 10 Hij maakt zijn raadslag
41 40, 10| 10 Al wat van aarde is, keert
42 41, 10| 10 Een goddeloze vader schelden
43 42, 10| 10 En gij zult recht onderwezen,
44 43, 10| 10 De schoonheid des hemels
45 44, 10| 10 Doch enigen zijn er waarvan
46 45, 10| 10 Met onderbroeken, lange
47 46, 10| 10 En deze twee zijn behouden
48 47, 10| 10 Uit geheel zijn hart zong
49 48, 10| 10 Gij zijt opgeschreven om
50 49, 10| 10 Ezechiël is het, die een
51 50, 10| 10 Gelijk een schone olijfboom,
52 51, 10| 10 Toen gedacht ik aan uw barmhartigheid,
|