Chapter, Verse
1 1 | 1~
2 1, 1| 1 ALLE wijsheid is van de
3 2, 1| 1 MIJN kind, indien gij komt
4 3, 1| 1 MIJN kinderen hoort mij
5 4, 1| 1 MIJN kind, laat het leven
6 5, 1| 1 HOUD u niet aan uw rijkdom,
7 6, 1| 1 WORD geen vijand in plaats
8 7, 1| 1 DOE geen kwaad, en u zal
9 8, 1| 1 STRIJD met geen machtig
10 9, 1| 1 ZIJT niet jaloers op de
11 10, 1| 1 EEN wijs rechter onderwijst
12 11, 1| 1 DE wijsheid van de nederige
13 12, 1| 1 INDIEN gij weldoet, zo weet
14 13, 1| 1 DIE pek aanroert, wordt
15 14, 1| 1 ZALIG is de man die niet
16 15, 1| 1 DIE de Here vreest zal zulks
17 16, 1| 1 VERLANG niet naar een onnutte
18 17, 1| 1 DE Here heeft de mens uit
19 18, 1| 1 DIE in eeuwigheid leeft,
20 19, 1| 1 EEN arbeider, die een dronkaard
21 20, 1| 1 HOE veel beter is het te
22 21, 1| 1 MIJN kind, hebt gij gezondigd,
23 22, 1| 1 DE luiaard is te vergelijken
24 23, 1| 1 O Here, Vader en Heerser
25 24, 1| 1 DE wijsheid prijst zichzelf,
26 25, 1| 1 DOOR drie dingen word ik
27 26, 1| 1 GELUKKIG is de man, die
28 27, 1| 1 VELEN hebben gezondigd om
29 28, 1| 1 WIE zichzelf wreekt, die
30 29, 1| 1 WIE barmhartigheid oefent,
31 30, 1| 1 DIE zijn zoon liefheeft,
32 31, 1| 1 HET waken om des rijkdoms
33 32, 1| 1 HEBBEN zij u tot een overste
34 33, 1| 1 HEM die de Here vreest,
35 34, 1| 1 DE hoop van een onverstandige
36 35, 1| 1 WIE de wet bewaart, die
37 36, 1| 1 ONTFERM u over ons Here,
38 37, 1| 1 IEDER vriend zal wel zeggen:
39 38, 1| 1 EER de geneesheer tot uw
40 39, 1| 1 DEZE onderzoekt de wijsheid
41 40, 1| 1 VOOR een ieder mens is een
42 41, 1| 1 O dood, hoe bitter is de
43 42, 1| 1 SCHAAM u niet vanwege deze
44 43, 1| 1 HET zuivere firmament is
45 44, 1| 1 LAAT ons nu de heerlijke
46 45, 1| 1 NAMELIJK Mozes, door God
47 46, 1| 1 JOZUA de zoon van Nun, was
48 47, 1| 1 NA deze stond Nathan, de
49 48, 1| 1 DAARNA stond Elia de profeet
50 49, 1| 1 DE gedachtenis van Josia,
51 50, 1| 1 SIMON, de zoon van Onias,
52 51, 1| 1 <<Een Gebed van Jezus, de
|