Chapter, Verse
1 1, 9 | werken; zij is bij alle vlees naar zijn gave, en hij verleent
2 6, 17| in zijn vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook
3 7, 26| 26 Hebt gij een vrouw naar uw hart, werp haar niet
4 8, 17| want men zal hem oordelen, naar zijn mening.~
5 8, 18| niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen, en gij zoudt
6 9, 19| 19 Merk op uw naaste, naar al uw vermogen, en beraad
7 9, 19| al wat gij vertelt, zij naar de wet des Allerhoogsten.~
8 10, 31| zachtmoedigheid, en geeft haar eer naar haar waardigheid.~
9 11, 27| doods de mens te vergelden naar zijn werken.~
10 13, 19| Alle vlees vergadert zich naar zijn geslacht, en een man
11 14, 11| Mijn kind, doe uzelf goed naar dat gij vermoogt, en breng
12 14, 13| eer gij sterft, en strek naar uw vermogen uw hand uit
13 14, 24| paal slaat, zijn tabernakel naar haar hand stelt,~
14 16, 1 | 1 VERLANG niet naar een onnutte menigte van
15 16, 13| hij zal een ieder oordelen naar zijn werken.~
16 16, 15| want een ieder zal vinden naar zijn werken. De Here heeft
17 17, 3 | hen bekleed met sterkte, naar hun gelegenheid, en heeft
18 17, 3 | gelegenheid, en heeft hen naar zijn evenbeeld gemaakt.~
19 17, 4 | over de dieren en vogels, naar zijn gelijkenis.~
20 18, 32| lekkernijen, en wees niet begerig naar haar raad.~
21 24, 25| 25 Die naar mij luistert zal nimmermeer
22 24, 25| beschaamd worden, en die naar mij arbeiden zullen niet
23 25, 31| 31 Gaat zij niet naar uw hand, zo snijd haar af
24 27, 16| en zal geen vriend vinden naar zijn hart.~
25 28, 18| 18 Wie naar haar luistert, die zal geen
26 29, 14| 14 Leg uw schat naar de geboden des Allerhoogsten,
27 29, 24| 24 Neem u des naasten aan naar uw vermogen, en heb acht
28 31, 8 | onberispelijk gevonden wordt, en die naar het goud niet gaat.~
29 32, 12| van de laatsten; loop heen naar huis, en vertraag niet.~
30 32, 18| ontwijkt de bestraffing, en naar zijn wil vindt hij uit hetgeen
31 33, 13| pottenbakkers, al zijn wegen zijn naar zijn welbehagen.~
32 33, 14| heeft, dat hij hen vergelde naar zijn oordeel.~
33 33, 21| kinderen u smeken, dan dat gij naar de handen uwer zonen ziet.~
34 34, 2 | 2 Gelijk een die naar de schaduw grijpt, en de
35 35, 10| 10 Geef de Allerhoogste naar hetgeen hij u gegeven heeft,
36 35, 21| Totdat hij de mens vergelde naar zijn handelingen, en de
37 35, 21| en de werken der mensen naar hun gedachten.~
38 36, 14| over uw volk, Here, dat naar uw naam genoemd is; en over
39 36, 19| smekingen uwer knechten, naar de zegen van Aäron over
40 38, 16| doch omwind zijn lichaam naar behoren, en veracht zijn
41 38, 18| 18 En, maak de rouw naar zijn waardigheid, een dag
42 40, 10| water is, wendt zich weder naar de zee.~
43 40, 29| 29 Een man die naar een vreemde tafel ziet,
44 41, 13| gelijk gaan de goddelozen naar het verderf.~
45 43, 8 | De maand heeft haar naam naar haar; wassende is zij wonderbaar
46 46, 16| Hij richtte de vergadering naar de wet des Heren, en de
47 50, 23| en die riet ons handelt naar zijn barmhartigheid.~
48 51, 4 | 4 Gij hebt mij verlost naar de menigte der barmhartigheid
49 51, 9 | was geen helper; ik zag om naar bijstand der mensen, en
50 51, 27| 27 Ik heb mijn ziel naar haar gericht, en in reiniging
|