bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 22| 22 Een toornig man zal niet
2 2, 22| 22 Zeggende, laat ons in de
3 3, 22| 22 Want de macht des Heren
4 4, 22| 22 Indien hij zou afdwalen,
5 6, 22| 22 Zij is bij hem gelijk een
6 7, 22| 22 Hebt gij vee, zo heb opzicht
7 8, 22| 22 Verklaar uw hart niet aan
8 9, 22| 22 Een klapachtig man is verschrikkelijk
9 10, 22| 22 Die de Here vrezen zijn
10 11, 22| 22 Want het is in de ogen des
11 13, 22| 22 Gelijk de wilde ezels der
12 14, 22| 22 Die zijn wegen in zijn hart
13 16, 22| 22 Wie zal de werken zijner
14 17, 22| 22 Wie zal de Allerhoogste
15 18, 22| 22 Laat u niet hinderen uw
16 19, 22| 22 Die het aan verstand ontbreekt,
17 20, 22| 22 Menigeen verliest zijn leven
18 21, 22| 22 De tucht is de onwetende
19 22 | 22~ ~
20 22, 22| 22 Zo kan een bevreesd hart
21 23, 22| 22 Een hoereerder is allerlei
22 24, 22| 22 Komt herwaarts tot mij,
23 25, 22| 22 In het midden van zijn naasten
24 26, 22| 22 Zo zullen uw vruchten overblijvende,
25 27, 22| 22 Want een wond kan men verbinden,
26 28, 22| 22 Die haar juk niet getrokken
27 29, 22| 22 Machtige mannen heeft zij
28 30, 22| 22 Vreugde des harten is des
29 31, 22| 22 Moeilijk waken, en buikpijn,
30 32, 22| 22 Vertrouw op de weg niet,
31 33, 22| 22 Maak, dat gij in al uw werken
32 34, 22| 22 Het brood der behoeftigen
33 35, 22| 22 Totdat hij zal hebben geoordeeld
34 36, 22| 22 Een verdraaid hart zal droefheid
35 37, 22| 22 Want hem is door de Here
36 38, 22| 22 Vergeet dat niet, want vandaar
37 39, 22| 22 Al zijn welbehagen is in
38 40, 22| 22 Een vriend en zijn gezel
39 41, 22| 22 Voor een rechter en overste
40 42, 22| 22 De afgrond en het hart onderzoekt
41 43, 22| 22 Wanneer de koude noordenwind
42 44, 22| 22 Daarom heeft hij hem met
43 45, 22| 22 Vreemden zijn tegen hem
44 46, 22| 22 En nadat hij ontslapen was
45 47, 22| 22 Zo hebt gij uw heerlijkheid
46 48, 22| 22 En zij riepen de Here, de
47 50, 22| 22 En zij baden ten tweeden
48 51, 22| 22 En heb voor mijzelf veel
|