Chapter, Verse
1 3, 23| te zwaar zijn, onderzoek ze niet onbedacht, en die u
2 3, 23| te sterk zijn ondertast ze niet uit dwaasheid. Wat
3 7, 23| gij kinderen, onderwijs ze, en buig hun hals van de
4 10, 18| de Here om, en verderft ze tot op de grond der aarde.~
5 10, 19| 19 Hij heeft ze daaruit weggenomen, en heeft
6 10, 19| daaruit weggenomen, en heeft ze verdorven.~
7 11, 10| onschuldig zijn; en indien gij ze najaagt, zo zult gij ze
8 11, 10| ze najaagt, zo zult gij ze niet bereiken; en gij zult
9 11, 19| overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten en sterven.~
10 15, 13| haat allerlei gruwel, en ze is niet bemind van degenen
11 16, 22| verkondigen, of wie zal ze verdragen? Want het verbond
12 16, 29| op aarde gezien, en heeft ze vervuld met zijn goederen.~
13 17, 27| zon, en nochtans bezwijkt ze; zo ook de mens die vlees
14 18, 17| geschenk? en beide zijn ze bij de mens aangenaam.~
15 18, 28| 28 En wie ze vindt, die zal zij geven
16 19, 23| vlijtige arglistigheid, en ze is onrechtvaardig, en menigeen
17 20, 13| van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt niet bevorderlijk
18 22, 24| vogelen werpt, die jaagt ze weg, en wie zijn vriend
19 23, 27| bekend geweest; zo ook, nadat ze zijn voleindigd, doorziet
20 23, 27| voleindigd, doorziet hij ze alle.~
21 24, 36| als de dageraad, en doe ze schijnen tot in verre landen.~
22 24, 37| gelijk een profetie, en laat ze, na tot eeuwige geslachten.~
23 24, 38| maar voor al degenen die ze zoeken.~ ~ ~ ~
24 25, 9 | dingen heb ik gedacht, en ze zalig geprezen in mijn hart,
25 25, 12| kloekheid gevonden heeft, en ze verhaalt in de oren der
26 25, 15| 15 Wie ze houdt, bij wie zal hij vergeleken
27 26, 8 | weer bewogen wordt; wie ze neemt, is gelijk degene,
28 28, 27| gelijk een luipaard zal zij ze verwoesten.~
29 29, 15| aalmoes in uw schatkamers, en ze zal u redden uit alle jammer.~
30 31, 16| daar hij heenziet, en wrijf ze met hem niet in de schotel.~
31 33, 12| vervloekt en vernederd en ze van hun staat af gestort.~
32 34, 6 | 6 Indien ze door de Allerhoogste u niet
33 35, 12| gave niet, want hij zou ze niet aannemen, en bemoei
34 35, 16| geschrei tegen hem, die ze heeft doen nederkomen?~
35 38, 4 | voorzichtig man verontwaardigt ze niet.~
36 38, 8 | 8 De apotheker mengt ze ondereen, en zijn werken
37 38, 21| niet tot droefheid, zet ze van u, gedachtig zijnde
38 38, 33| te voleinden, en waakt om ze te versieren, wanneer zij
39 39, 31| 31 Alle deze gelijk ze de godvrezende goede dingen
40 39, 31| goede dingen zijn, zo worden ze de zondaar in kwaad verkeerd.~
41 39, 32| de gramschap desgenen die ze gemaakt heeft.~
42 43, 5 | 5 De Here is groot, die ze gemaakt heeft, en die haar
43 43, 19| nederwaarts vliegen, en ze daalt af gelijk de sprinkhanen,
44 43, 24| hitte ontstaat, verblijdt ze.~
45 48, 28| de verborgen dingen eer ze geschiedden.~ ~
46 50, 28| dingen. oefenen zal, en die ze ter harte neemt, zal wijs
47 50, 29| 29 Want indien hij ze doet, zal hij tot alle dingen
|