Chapter, Verse
1 1, 26| 26 Hebt gij lust tot wijsheid, zo
2 2, 16| de lijdzaamheid verloren hebt.~
3 3, 26| als gij geen oogappelen hebt zult gij aan het licht gebrek
4 5, 5 | wanneer gij de volheid hebt, dat gij zonden op zonden
5 5, 14| 14 Indien gij verstand hebt, zo antwoord uw naasten;
6 7, 22| 22 Hebt gij vee, zo heb opzicht
7 7, 23| 23 Hebt gij kinderen, onderwijs
8 7, 24| 24 Hebt gij dochters, neem acht
9 7, 26| 26 Hebt gij een vrouw naar uw hart,
10 8, 15| als een die het verloren hebt.~
11 11, 7 | niet eer gij onderzocht hebt, verneem eerst en bestraf
12 11, 8 | Antwoord niet eer gij gehoord hebt, en in het midden der woorden
13 13, 7 | spreken, en zeggen: Wat hebt gij nodig?~
14 13, 17| 17 Hebt de Here lief al uw leven
15 18, 33| ontleend geld, daar gij niets hebt in de beurs, want anders
16 19, 10| 10 Hebt gij wat gehoord, laat het
17 20, 13| zal u, die ze ontvangen hebt niet bevorderlijk zijn,
18 21, 1 | 1 MIJN kind, hebt gij gezondigd, doe daar
19 22, 15| hem, opdat gij geen moeite hebt, en niet bezoedeld wordt,
20 22, 25| gij het zwaard getrokken hebt tegen uw vriend, zo wanhoop
21 22, 26| tegen uw vriend opengedaan hebt, zo vrees niet, want daar
22 25, 5 | 5 In uw jeugd hebt gij niet vergaderd, en hoe
23 27, 20| hand losgelaten hadt, zo hebt gij uw naaste verlaten,
24 29, 30| de tafel, en zo gij wat hebt, spijs mij.~
25 32, 13| doe wat gij voorgenomen hebt, maar niet met zonden en
26 32, 20| raad, en als gij het gedaan hebt, laat het u niet berouwen.~
27 33, 30| 30 Hebt gij een huisknecht, dat
28 33, 30| hem door bloed verkregen hebt; zo gij een huisknecht hebt,
29 33, 30| hebt; zo gij een huisknecht hebt, behandel hem gelijk een
30 36, 14| uw eerstgeborene genoemd hebt.~
31 37, 6 | vergetelheid, wanneer gij geld hebt.~
32 37, 12| die gij een jaar gehuurd hebt over de voleinding van het
33 37, 14| raadslag uws harten, want gij hebt niemand getrouwer dan hem.~
34 38, 16| die zware dingen geleden hebt; doch omwind zijn lichaam
35 41, 11| des Allerhoogsten verlaten hebt.~
36 41, 28| als gij hem wat gegeven hebt verwijt hem dat niet.~
37 41, 29| zeggen hetgeen gij gehoord hebt, en te openbaren verborgen
38 47, 20| gij, het zilver; maar gij hebt uw hart geneigd tot de vrouwen;~
39 47, 22| 22 Zo hebt gij uw heerlijkheid een
40 48, 5 | die een dode uit de dood hebt opgewekt, en een ziel uit
41 48, 6 | 6 Gij hebt koningen afgevoerd in het
42 48, 7 | Gij, die op Sinaï gehoord hebt de bestraffing des Heren,
43 48, 8 | 8 Gij, die koningen hebt gezalfd, dat zij het zouden
44 50, 5 | 5 Gij hebt de stad sterk gemaakt en
45 51, 2 | helper geweest zijt, en hebt mijn lichaam uit de verderfenis
46 51, 4 | 4 Gij hebt mij verlost naar de menigte
47 51, 15| 15 Want gij hebt ons verlost uit het verderf,
|