Chapter, Verse
1 3, 31| door aalmoezen verzoent men de zonden.~
2 8, 17| niet tegen de rechter, want men zal hem oordelen, naar zijn
3 10, 26| 26 Het is niet recht dat men een arme onteert die verstandig
4 10, 26| en het betaamt niet dat men een zondaar eert.~
5 11, 5 | de vloer gezeten en waar men niet op verdacht was, heeft
6 11, 26| In de goede dagen vergeet men het kwade, en in de kwade
7 11, 28| Een kwaad uur maakt dat men de wellust vergeet, en aan
8 13, 4 | Een rijke doet onrecht, en men smeekt hem; een arme doet
9 13, 25| onbetamelijke dingen gesproken, men recht vaardigt hem evenwel.~
10 13, 26| Een nederige struikelt, en men bekijft hem nog daartoe;
11 13, 26| verstandige rede gesproken, en men geeft hem geen plaats.~
12 13, 28| 28 De arme spreekt, en men zegt: Wie is deze? en indien
13 13, 28| en indien hij aanstoot, men zal hem voorts omstoten.~
14 14, 17| 17 Want men behoeft in het graf geen
15 16, 17| Onder een groot volk zal men aan mij niet gedenken, want
16 18, 33| van uw eigen leven, waar men van spreken zal.~ ~
17 20, 6 | woorden heeft, van die heeft men een gruwel, en die zichzelf
18 21, 21| anders dan woorden, die men niet onderzoeken kan.~
19 24, 29| Gihon in de tijd wanneer men de druiven leest.~
20 26, 15| daar is niets waartegen men een wel onderwezen ziel
21 27, 4 | 4 Als men een zeef schudt, zo blijft
22 27, 6 | de boom doet blijken hoe men die heeft verpleegd, zo
23 27, 14| en hun strijd maakt dat men de oren toestoppen moet.~
24 27, 22| 22 Want een wond kan men verbinden, en voor een scheldwoord
25 28, 11| 11 Hoe meer hout men in het vuur legt, hoe meer
26 29, 20| 20 De zondaar, wanneer men voor hem borg geworden is,
27 32, 5 | 5 Waar men toeluistert, giet daar uw
28 32, 21| Ga niet op de weg waarop men lichtelijk valt, en gij
29 34, 3 | 3 Wat men in de dromen ziet, is dit
30 35, 3 | des Heren welbehagen dat men afsta van boosheid, en afstaan
31 35, 5 | Want al deze dingen moet men doen vanwege het gebod.~
32 36, 27| heining is, daar wordt hetgeen men bezit verscheurd, en waar
33 36, 28| andere sluipt; zo betrouwt men een mens niet, die geen
34 38, 38| stad gebouwd worden, en men zal daar niet in wonen noch
35 39, 20| geschiedt in zijn tijd; men mag niet zeggen: Wat is
36 39, 25| 25 Men mag niet zeggen: Wat is
37 39, 39| 39 En men mag niet zeggen: Dit is
38 41, 18| komt, wat nuttigheid heeft men van beide?~
39 41, 20| 20 Dat men zich dan ontzie voor, mijn
40 42, 14| over u vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke
41 42, 18| de woorden des Heren ziet men zijn werken.~
42 43, 2 | 2 De zon wanneer men haar aanschouwt, verkondigt
43 43, 4 | 4 Men blaast een oven aan tot
44 43, 7 | 7 Van de maan heeft men een teken van het feest,
45 45, 11| een gerucht te maken dat men horen kon in de tempel,
|