Chapter, Verse
1 1, 28| 28 Als gij behoeftig zijt, zo wantrouw de vreze des
2 1, 32| Heren niet met waarheid zijt gekomen, en uw hart vol
3 2, 4 | verandering van uw vernedering zijt lankmoedig.~
4 3, 20| 20 Hoe groter gij zijt, verneder uzelf des te meer,
5 3, 25| 25 Zijt niet ijdel bezig in overvloedigheid
6 4, 9 | hem die onrecht doet, en zijt niet kleinmoedig als gij
7 4, 34| 34 Zijt niet stout met uw tong,
8 4, 35| 35 Zijt niet als een leeuw in uw
9 5, 12| Als gij in uw mening zeker zijt, zo blijf vast daarbij,
10 5, 13| 13 Zijt ras om wat goeds te horen,
11 6, 28| gij haar machtig geworden zijt, zo laat haar niet van u.~
12 7, 28| gij door hen voortgebracht zijt, en wat zult gij hun daarvoor
13 8, 15| geleend zult hebben, zo zijt als een die het verloren
14 8, 16| indien gij borg geworden zijt, draag zorg alsof gij betalen
15 9, 1 | 1 ZIJT niet jaloers op de vrouw
16 19, 10| laat het bij u sterven, en zijt welgemoed, want het zal
17 24, 26| zeggende: Bezwijkt niet, maar zijt sterk in de Here, opdat
18 27, 17| vriend hartelijk lief en zijt hem getrouw.~
19 29, 3 | 3 Bevestig uw woord en zijt hem getrouw en gij zult
20 29, 11| vernedering uws naasten zijt lankmoedig, en stel hem
21 31, 18| hetgeen u voorgezet wordt, en zijt niet vraatzuchtig, opdat
22 31, 19| op, omdat gij onderwezen zijt, en zijt niet onverzadelijk,
23 31, 19| gij onderwezen zijt, en zijt niet onverzadelijk, opdat
24 31, 23| zo gij met kost overladen zijt, sta op midden door heengaande;
25 31, 25| 25 Zijt in al uw werken wakker,
26 32, 3 | van hunnentwege verheugd zijt, en om wel versierd te wezen
27 32, 4 | 4 Spreek, gij die oud zijt, want dat betaamt u, doch
28 32, 5 | daar uw rede niet uit, en zijt niet wijs buiten tijds.~
29 32, 12| Word bij tijds wakker, en zijt niet van de laatsten; loop
30 36, 4 | voor hun ogen geheiligd zijt geweest in ons, dat gij
31 36, 19| gij een Here der eeuwen zijt.~
32 37, 30| 30 Zijt niet onverzadelijk in alle
33 47, 18| eilanden gekomen, en gij zijt bemind geweest in uw vrede.~
34 47, 21| 21 En zijt met uw lichaam in haar macht
35 48, 3 | de hemel nederkomen. Hoe zijt gij verheerlijkt geworden
36 48, 9 | 9 Gij, die opgenomen zijt geweest door een vurige
37 48, 10| 10 Gij zijt opgeschreven om te doen
38 50, 5 | gemaakt en omgekeerd, gij zijt verheerlijkt door uw verkeer
39 51, 1 | God, die mijn zaligmaker zijt.~
40 51, 2 | beschermer en helper geweest zijt, en hebt mijn lichaam uit
41 51, 3 | zich tegen mij stelden, zijt gij mij een helper geweest.~
42 51, 31| gij die niet onderwezen zijt, en overnacht in het huis
|