bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 26| 26 Hebt gij lust tot wijsheid,
2 3, 26| 26 Velen heeft hun ijdel vermoeden
3 4, 26| 26 Neem de persoon niet aan
4 6, 26| 26 Leg uw schouder onder haar,
5 7, 26| 26 Hebt gij een vrouw naar
6 10, 26| 26 Het is niet recht dat men
7 11, 26| 26 In de goede dagen vergeet
8 13, 26| 26 Een nederige struikelt,
9 14, 26| 26 Hij zal van haar beschermd
10 16, 26| 26 Want door des Heren oordeel
11 17, 26| 26 Want alle dingen kunnen
12 18, 26| 26 Van 's morgens vroeg tot
13 19, 26| 26 En indien hij bij gebrek
14 20, 26| 26 De manieren van een leugenachtig
15 21, 26| 26 De onwijze zal over de deur
16 22, 26| 26 Indien gij de mond tegen
17 23, 26| 26 Welke zien op alle wegen
18 24, 26| 26 Al deze dingen leert het
19 25, 26| 26 Toorn en onbeschaamdheid
20 26 | 26~ ~
21 26, 26| 26 Een onbeschaamde vrouw zal
22 27, 26| 26 Wie een steen in de hoogte
23 28, 26| 26 Die de Here verlaten, zullen
24 29, 26| 26 Het leven des armen onder
25 30, 26| 26 Een lustig en goed hart
26 31, 26| 26 Degene die heerlijk is in
27 33, 26| 26 Het juk en touw buigen voor
28 34, 26| 26 Als de een bidt en de andere
29 36, 26| 26 Die een goede vrouw krijgt,
30 37, 26| 26 Het leven van een man heeft
31 38, 26| 26 Wat zou hij wijs worden,
32 39, 26| 26 Zijn zegen bedekt de aarde
33 40, 26| 26 Daar is in de vreze des
34 41, 26| 26 Schaamt u iemands deel weg
35 42, 26| 26 Hij heeft de heerlijke werken
36 43, 26| 26 Die de zee bevaren vertellen
37 44, 26| 26 En heeft uit hem voortgebracht
38 45, 26| 26 Vooral heeft hij hem brood
39 47, 26| 26 En Salomo rustte met de
40 48, 26| 26 In zijn dagen ging de zon
41 50, 26| 26 Die hun zitplaats hebben
42 51, 26| 26 Ik heb mijn handen uitgerekt
|