Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dathan 1
dauw 2
david 7
de 1476
deden 2
deed 8
deel 16
Frequency    [«  »]
-----
-----
1650 en
1476 de
828 een
692 zijn
634 is

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

de

1-500 | 501-1000 | 1001-1476

     Chapter, Verse
501 20, 24| 24 De leugen is een lelijke schandvlek 502 20, 24| schandvlek in een mens, en in de mond der ongeschikten is 503 20, 25| maar beiden zullen zij de verderfenis beërven.~ 504 20, 26| 26 De manieren van een leugenachtig 505 20, 27| voorzichtig mens behaagt de groten.~ 506 20, 28| verhoogt zijn hoop, en die de groten behaagt, verzoent 507 20, 29| en geschenken verblinden de ogen der wijzen, en gelijk 508 20, 29| wijzen, en gelijk een toom in de mond, keren zij de bestraffingen 509 20, 29| toom in de mond, keren zij de bestraffingen af.~ 510 20, 31| verdraagzaamheid in degene, die de Here zoekt, dan zonder Here 511 21, 1 | geen zonde meer bij, en bid de vorige af.~ 512 21, 2 | 2 Vlied voor de zonde gelijk voor een slang, 513 21, 3 | leeuwentanden, en doden de zielen der mensen.~ 514 21, 6 | 6 De smeking van de arme gaat 515 21, 6 | 6 De smeking van de arme gaat uit de mond tot 516 21, 6 | smeking van de arme gaat uit de mond tot aan zijn oren, 517 21, 7 | bestraffing haat, die staat in de voetstappen van de zondaar, 518 21, 7 | staat in de voetstappen van de zondaar, en wie de Here 519 21, 7 | voetstappen van de zondaar, en wie de Here vreest, die bekeert 520 21, 8 | 8 Wie machtig is met de tong, die is van verre bekend, 521 21, 10| 10 De vergadering der goddelozen 522 21, 11| 11 De weg van de zondaar is van 523 21, 11| 11 De weg van de zondaar is van stenen geëffend, 524 21, 11| het uiterste daarvan is de gracht der hel.~ 525 21, 12| 12 Wie de wet des Heren bewaart, die 526 21, 13| 13 Maar de voleinding van de vreze 527 21, 13| 13 Maar de voleinding van de vreze des Heren is de aanneming 528 21, 13| van de vreze des Heren is de aanneming der wijsheid.~ 529 21, 15| 15 De kennis van een wijze zal 530 21, 16| 16 Het binnenste van de dwaas is gelijk een gebroken 531 21, 17| 17 Indien de verstandige een wijs woord 532 21, 19| 19 De vertelling van een dwaas 533 21, 19| dwaas is gelijk een last op de weg, maar op de lippen van 534 21, 19| last op de weg, maar op de lippen van de verstandige 535 21, 19| weg, maar op de lippen van de verstandige wordt aangenaamheid 536 21, 20| 20 De mond van de voorzichtige 537 21, 20| 20 De mond van de voorzichtige wordt in de 538 21, 20| de voorzichtige wordt in de gemeente gezocht, en elkeen 539 21, 21| huis dat vergaan is, zo is de vrijheid van de dwaas, en 540 21, 21| is, zo is de vrijheid van de dwaas, en de kennis van 541 21, 21| vrijheid van de dwaas, en de kennis van de onverstandige 542 21, 21| dwaas, en de kennis van de onverstandige niets anders 543 21, 22| 22 De tucht is de onwetende als 544 21, 22| 22 De tucht is de onwetende als boeien aan 545 21, 22| onwetende als boeien aan de voeten, en als duimijzers 546 21, 22| voeten, en als duimijzers aan de rechterhand.~ 547 21, 24| 24 De tucht is de voorzichtige 548 21, 24| 24 De tucht is de voorzichtige man gelijk 549 21, 24| en gelijk een armband aan de rechterarm.~ 550 21, 25| 25 De voet van de dwaas is haastig 551 21, 25| 25 De voet van de dwaas is haastig tot een 552 21, 26| 26 De onwijze zal over de deur 553 21, 26| 26 De onwijze zal over de deur in het huis kijken, 554 21, 27| mensen te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige 555 21, 28| 28 De lippen der veelsprekers 556 21, 28| die hun niet aangaan, maar de woorden der voorzichtigen 557 21, 28| der voorzichtigen zijn op de waag gewogen.~ 558 21, 29| dwazen is in hun mond, maar de mond der wijzen is in hun 559 21, 30| 30 Wanneer een goddeloze de Satan vervloekt, zo vervloekt 560 22, 1 | 1 DE luiaard is te vergelijken 561 22, 2 | luie is gelijk koedrek op de mesthoop; wie hem op neemt, 562 22, 2 | wie hem op neemt, schudt de hand af.~ 563 22, 7 | worden opgevoed, verbergen de slechte afkomst van hun 564 22, 7 | beroemen, die bevlekken de edele afkomst van hun geslacht.~ 565 22, 8 | scherven aaneen, en wekt de slapende uit een diepe slaap.~ 566 22, 12| leven van een dwaas is boven de dood.~ 567 22, 13| 13 De rouw over een dode duurt 568 22, 13| een dwaas en goddeloze al de dagen zijns levens.~ 569 22, 20| versierd pleisterwerk aan de muur van een pand.~ 570 22, 21| Palen omhoog gezet tegen de wind, kunnen niet blijven,~ 571 22, 22| kan een bevreesd hart in de gedachte van de dwaas tegen 572 22, 22| hart in de gedachte van de dwaas tegen geen vrees bestaan.~ 573 22, 24| 24 Wie een steen onder de vogelen werpt, die jaagt 574 22, 24| vriend scheldt, die maakt de vriendschap los.~ 575 22, 26| 26 Indien gij de mond tegen uw vriend opengedaan 576 22, 28| 28 In de tijd der verdrukking blijf 577 22, 28| erfdeel moogt erven, want de geringe staat is niet altijd 578 22, 28| altijd te verachten, noch de rijke, die geen verstand 579 22, 29| 29 Gelijk de damp des ovens en de rook 580 22, 29| Gelijk de damp des ovens en de rook gaan voor het vuur, 581 22, 29| gaan scheldwoorden voor de doodslag.~ 582 23, 2 | onwetendheden niet verschoont, en de moedwil der openbare zondaren 583 23, 3 | verblijd worde, van welke de hoop van uw barmhartigheid 584 23, 5 | altijd wil dienen; laat mij de begeerte des buiks, en de 585 23, 5 | de begeerte des buiks, en de bij slaap niet innemen, 586 23, 6 | 6 Hoort, mijn kinderen, de onderwijzing van een waarachtige 587 23, 7 | 7 De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid 588 23, 8 | zweren, en gewen u niet de heilige te noemen.~ 589 23, 9 | die zweert en doorgaans de heilige noemt, van de zonde 590 23, 9 | doorgaans de heilige noemt, van de zonde niet gereinigd.~ 591 23, 10| vol ongerechtigheid, en de gesel zal van zijn huis 592 23, 13| wijze van spreken rondom met de dood bekleed; laat die niet 593 23, 14| dingen zullen verre zijn van de godvrezende, en zij zullen 594 23, 14| godvrezende, en zij zullen in de zonden niet ingewikkeld 595 23, 17| waart geweest, en zoudt de dag uwer geboorte vervloeken.~ 596 23, 18| scheldwoorden, die zal al de dagen zijns levens niet 597 23, 19| mensen vermenigvuldigen de zonden, en de derde brengt 598 23, 19| vermenigvuldigen de zonden, en de derde brengt de toorn mede.~ 599 23, 19| zonden, en de derde brengt de toorn mede.~ 600 23, 24| Duisternis is rondom mij, en de muren bedekken mij, en niemand 601 23, 24| ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste zal aan mijn 602 23, 24| zonden niet gedenken, en de ogen der mensen zijn alleen 603 23, 25| En hij verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste 604 23, 25| verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste Here tienduizend 605 23, 25| tienduizend maal klaarder zijn den de zon.~ 606 23, 26| der mensen, en merken op de verborgene delen.~ 607 23, 28| 28 Deze zal op de straten der stad gewroken 608 23, 30| 30 Want vooreerst is zij de wet des Allerhoogsten ongehoorzaam 609 23, 31| 31 Deze zal in de gemeente uitgestoten worden, 610 23, 32| geen wortel uitspreiden, en de takken van haar zullen geen 611 23, 34| 34 En de nagelatenen zullen bekennen, 612 23, 34| dat er niets beter is dan de vreze des Heren, en niets 613 23, 34| dat iemand acht neemt op de geboden Gods.~ 614 24, 1 | 1 DE wijsheid prijst zichzelf, 615 24, 2 | Zij doet haar mond open in de gemeente des Allerhoogsten, 616 24, 3 | 3 Ik ben van de mond des Allerhoogsten uitgegaan, 617 24, 3 | gelijk een nevel heb ik de aarde bedekt.~ 618 24, 4 | 4 Ik heb mijn tent in de hoogste plaatsen opgeslagen, 619 24, 5 | 5 Ik alleen heb de rondte des hemels omgegaan, 620 24, 5 | hemels omgegaan, en heb in de diepte der afgronden gewandeld.~ 621 24, 6 | 6 In de baren der zee, en op de 622 24, 6 | de baren der zee, en op de ganse aarde, en bij alle 623 24, 8 | 8 Toen beval mij de schepper aller dingen, en 624 24, 10| 10 Vóór de wereld, van den beginne 625 24, 13| gelijk een cypresseboom op de bergen van Hermon.~ 626 24, 15| een fraai veld, en gelijk de boom Platanus ben ik uit 627 24, 17| Onyx, en Stacte, en gelijk de damp des wierooks in de 628 24, 17| de damp des wierooks in de tabernakel.~ 629 24, 26| boek des verbonds van God de Allerhoogste, de wet, welke 630 24, 26| van God de Allerhoogste, de wet, welke Mozes bevolen 631 24, 26| heeft tot een erfdeel in de vergaderingen van Jakob, 632 24, 26| niet, maar zijt sterk in de Here, opdat hij u krachtig 633 24, 26| krachtig make; kleeft hem aan; de Almachtige Here is alleen 634 24, 27| met zijn wijsheid, gelijk de Pison, en gelijk de Tigris 635 24, 27| gelijk de Pison, en gelijk de Tigris in de dagen der nieuwe 636 24, 27| en gelijk de Tigris in de dagen der nieuwe vruchten.~ 637 24, 28| vervult het verstand gelijk de Eufraat, en gelijk de Jordaan 638 24, 28| gelijk de Eufraat, en gelijk de Jordaan in de dagen van 639 24, 28| en gelijk de Jordaan in de dagen van de oogst.~ 640 24, 28| Jordaan in de dagen van de oogst.~ 641 24, 29| 29 Die de leer der kennis doet uitschijnen 642 24, 29| gelijk een licht, en gelijk de Gihon in de tijd wanneer 643 24, 29| licht, en gelijk de Gihon in de tijd wanneer men de druiven 644 24, 29| Gihon in de tijd wanneer men de druiven leest.~ 645 24, 30| 30 De eerste heeft haar niet volkomen 646 24, 30| volkomen gekend, en zo heeft de laatste haar niet uitgespeurd.~ 647 24, 31| 31 Want meer dan de zee zijn haar gedachten 648 24, 32| 32 Ik, de Wijsheid, ben gelijk een 649 24, 35| 35 En ziet de gedolven gracht is mij geworden 650 24, 36| 36 Want ik doe de onderwijzing jichten als 651 24, 36| onderwijzing jichten als de dageraad, en doe ze schijnen 652 25, 1 | schoon, en sta schoon voor de Here, ja voor de Here en 653 25, 1 | schoon voor de Here, ja voor de Here en de mensen.~ 654 25, 1 | Here, ja voor de Here en de mensen.~ 655 25, 7 | 7 Hoe schoon staat de ouden wijsheid, en degenen 656 25, 8 | der ouden, en hun roem is de vreze des Heren.~ 657 25, 10| terwijl hij nog leeft, en die de val zijner vijanden ziet.~ 658 25, 11| vrouw woont, en die met de tong niet struikelt, en 659 25, 12| heeft, en ze verhaalt in de oren der toehoorders.~ 660 25, 13| is niet boven degene, die de Here vreest.~ 661 25, 14| 14 Maar de liefde des Heren overtreft 662 25, 16| 16 De vreze des Heren is het begin 663 25, 17| te verdragen, maar niet de plaag des harten, en alle 664 25, 17| alle boosheid, doch niet de boosheid van een vrouw;~ 665 25, 18| 18 Alle inval, doch niet de inval dergenen die haten, 666 25, 18| en alle wraak, doch niet de wraak der vijanden.~ 667 25, 19| is geen gramschap boven de gramschap des vijands.~ 668 25, 21| 21 De boosheid van een vrouw verandert 669 25, 23| boosheid is klein tegen de boosheid van een vrouw; 670 25, 24| zandachtige opgang voor de voeten van een oud man, 671 25, 25| 25 Geef u niet over aan de schoonheid van een vrouw, 672 25, 29| 29 Van de vrouw is het begin der zonde, 673 25, 30| water geen doortocht, noch de boze vrouw vrijheid om uit 674 26, 1 | 1 GELUKKIG is de man, die een goede vrouw 675 26, 2 | verheugt haar man, en vervult de jaren zijns levens met vrede.~ 676 26, 3 | deel gegeven degenen, die de Here vrezen.~ 677 26, 4 | van zo'n man is goed tot de Here. hetzij dat hij rijk 678 26, 6 | 6 De lastering ener stad, en 679 26, 6 | lastering ener stad, en de vergadering van het volk, 680 26, 6 | deze zijn bezwaarlijker dan de dood.~ 681 26, 7 | vrouw jaloers is, en met de tong geselt, en bij allen 682 26, 10| 10 De hoererij van een vrouw wordt 683 26, 10| een vrouw wordt bekend aan de verheffingen der ogen en 684 26, 13| reizende man dorstende, de mond opent als hij een fontein 685 26, 13| elke paal nederzetten en de pijlkoker voor de pijl opendoen.~ 686 26, 13| nederzetten en de pijlkoker voor de pijl opendoen.~ 687 26, 14| 14 De bevalligheid der vrouw vermaakt 688 26, 17| 17 Gelijk de zon opgaande in de hoogste 689 26, 17| Gelijk de zon opgaande in de hoogste plaatsen des Heren, 690 26, 17| plaatsen des Heren, zo is ook de schoonheid van een goede 691 26, 18| 18 Gelijk het licht op de heilige kandelaar glinstert, 692 26, 18| kandelaar glinstert, zo is ook de schoonheid van haar aangezicht 693 26, 18| schoonheid van haar aangezicht in de staande ouderdom.~ 694 26, 20| 20 Mijn kind, bewaar de beste kracht van uw leven 695 26, 20| in gezond heid, en geef de vreemde uw sterkte niet.~ 696 26, 24| Een goddeloze vrouw zal de onrechtvaardige tot een 697 26, 24| vrouw wordt gegeven hem, die de Here vreest.~ 698 26, 25| eerbare dochter zal ook de man ontzien.~ 699 26, 26| die schaamte heeft, zal de Here vrezen.~ 700 26, 27| gehouden worden, maar die de man onteert, zal van allen 701 26, 28| 28 Gelukzalig is de man die een goede vrouw 702 26, 29| die groot getier maakt, en de tong dapper weet te roeren, 703 26, 29| gelijk is, zal zijn leven in de oproeren des krijgs overbrengen.~ 704 26, 32| 32 Als iemand van de gerechtigheid wederkeert 705 26, 32| gerechtigheid wederkeert tot zonde; de Here zal hem tot het zwaard 706 27, 2 | Gelijk een nagel tussen de voegen der stenen vastgestoken 707 27, 2 | vastgestoken wordt, zo ook zal de zonde tussen verkopen en 708 27, 3 | iemand zich niet naarstig aan de vreze des Heren houdt, zo 709 27, 4 | een zeef schudt, zo blijft de vuiligheid daarin; zo blijft 710 27, 5 | 5 De oven proeft de vaten van 711 27, 5 | 5 De oven proeft de vaten van de pottenbakker, 712 27, 5 | oven proeft de vaten van de pottenbakker, maar de mens 713 27, 5 | van de pottenbakker, maar de mens wordt beproefd in zijn 714 27, 6 | 6 Gelijk de vrucht van de boom doet 715 27, 6 | 6 Gelijk de vrucht van de boom doet blijken hoe men 716 27, 6 | heeft verpleegd, zo doet ook de uitspraak der gedachten 717 27, 7 | spreekt, want hieraan worden de mensen beproefd.~ 718 27, 9 | nestelt bij zijns gelijken, en de waarheid komt weder tot 719 27, 10| 10 Een leeuw loert op de jacht, zo loert de zonde 720 27, 10| loert op de jacht, zo loert de zonde op degenen, die boosheid 721 27, 11| 11 Het verhaal van de godvrezende is altijd wijs, 722 27, 11| godvrezende is altijd wijs, maar de dwaas verandert gelijk de 723 27, 11| de dwaas verandert gelijk de maan.~ 724 27, 12| 12 Neem onder de onverstandigen de tijd waar, 725 27, 12| onder de onverstandigen de tijd waar, maar houd u steeds 726 27, 12| maar houd u steeds onder de bedachtzamen.~ 727 27, 14| 14 De spraak desgenen die veel 728 27, 14| desgenen die veel zweert, doet de haren overeind staan, en 729 27, 14| hun strijd maakt dat men de oren toestoppen moet.~ 730 27, 15| 15 De twist der hovaardigen brengt 731 27, 21| ontvloden gelijk een ree uit de strik.~ 732 27, 25| vergelijk niemand bij hem, en de Here zal hem haten.~ 733 27, 26| 26 Wie een steen in de hoogte werpt, die werpt 734 27, 26| ook een bedriegelijke slag de wond wijd.~ 735 27, 29| 29 De hovaardigen bespotten en 736 27, 29| bespotten en verwijten, en de wraak loert op hen gelijk 737 27, 30| 30 Die zich verheugen in de val der godvrezenden zullen 738 28, 1 | zichzelf wreekt, die zal van de Here wraak vinden, en hij 739 28, 3 | 3 De ene mens houdt tegen de 740 28, 3 | De ene mens houdt tegen de andere mens toorn, en bij 741 28, 3 | andere mens toorn, en bij de Here zoekt hij genezing.~ 742 28, 7 | verderf en dood, maar blijf in de geboden.~ 743 28, 8 | 8 Gedenk aan de geboden, en oefen geen vijandschap 744 28, 8 | oefen geen vijandschap tegen de naaste, en aan het verbond 745 28, 9 | van strijd, en gij zult de zonden verminderen, want 746 28, 9 | een toornig mens ontsteekt de strijd.~ 747 28, 11| vuur toeneemt; hoe sterker de mens is, hoe sterker zijn 748 28, 11| gramschap is; en hoe rijker de mens is, hoe meer hij zijn 749 28, 15| 15 De dubbele tong heeft velen 750 28, 17| 17 De dubbele tong heeft mannelijke 751 28, 19| 19 De slag van de gesel maakt 752 28, 19| 19 De slag van de gesel maakt striemen, maar 753 28, 19| gesel maakt striemen, maar de slag der tong vermorzelt 754 28, 20| Velen zijn gevallen door de scherpte des zwaards, doch 755 28, 20| als er gevallen zijn door de tong.~ 756 28, 25| 25 Zij zal over de godvrezenden gans geen macht 757 28, 26| 26 Die de Here verlaten, zullen in 758 29, 1 | met zijn hand, die houdt de geboden.~ 759 29, 2 | 2 Leen uw naaste in de tijd zijner behoefte, en 760 29, 4 | als gevonden is, en doen de genen moeite aan, die hen 761 29, 6 | te geven, dan stelt hij de tijd uit, en geeft reden 762 29, 6 | zorgeloosheid en wijt het de tijd.~ 763 29, 7 | geven, zo zal hij nauwelijks de helft brengen, en zal het 764 29, 10| boosheid, wenden zich van de mens af, en vrezen dat zij 765 29, 11| 11 Evenwel in de vernedering uws naasten 766 29, 12| 12 Neem u de arme aan vanwege het gebod, 767 29, 14| 14 Leg uw schat naar de geboden des Allerhoogsten, 768 29, 17| naaste borg worden, maar die de schaamte verloren heeft, 769 29, 18| 18 Vergeet de weldaden niet van hen, die 770 29, 19| 19 De zondaar keert een goede 771 29, 20| 20 De zondaar, wanneer men voor 772 29, 23| Een zondaar overtredende de geboden des Heren zal in 773 29, 26| dan heerlijke spijs onder de vreemden.~ 774 29, 28| wonen zult, daar zult gij de mond niet durven opendoen.~ 775 29, 29| hebben en te drinken geven de ondankbaren, en nog daartoe 776 29, 30| inwoner ga heen, bereid de tafel, en zo gij wat hebt, 777 29, 32| een die verstand heeft. De bestraffing vanwege het 778 30, 1 | zoon liefheeft, die zal de roeden altijd aan hem bezigen, 779 30, 6 | nagelaten, die zich aan de vijanden wreken zal, en 780 30, 6 | vijanden wreken zal, en de vrienden weder dankbaar 781 30, 11| 11 Geef hem geen macht in de jeugd, en overzie zijn onwetend 782 30, 12| 12 Buig hem zijn hals in de jeugd, en breek zijn lendenen, 783 30, 17| 17 De dood is beter dan een bittere 784 30, 19| 19 Wat is het brandoffer de afgod nut? want hij eet 785 30, 19| zo gaat het hem die door de Here vervolgd wordt.~ 786 30, 20| 20 Hij ziet de ogen, en zucht gelijk een 787 30, 24| 24 Want de droefheid heeft er velen 788 30, 25| en gramschap verminderen de dagen, en bekommernis brengt 789 30, 25| bekommernis brengt ouderdom voor de tijd.~ 790 30, 26| goed hart is bezorgd over de spijzen, die hij eten zal.~ ~ 791 31, 1 | bekommerd zijn, vermindert de slaap.~ 792 31, 2 | vereist sluimeren, maar de slaap ontnuchtert een zware 793 31, 3 | 3 De rijke bemoeit zich met veel 794 31, 4 | 4 De arme bemoeit zichzelf als 795 31, 8 | 8 Zalig is de rijke, die onberispelijk 796 31, 11| goederen bevestigd worden, en de gemeente zal zijn aalmoezen 797 31, 16| wrijf ze met hem niet in de schotel.~ 798 31, 22| en buikpijn, en pijn in de darmen, is bij een onverzadelijk 799 31, 24| en gij zult ten laatste de waarheid mijner woorden 800 31, 26| heerlijk is in spijs, zegenen de lippen, en de getuigenis 801 31, 26| spijs, zegenen de lippen, en de getuigenis zijner heerlijkheid 802 31, 27| spijs, over die murmureert de stad, en de getuigenis zijner 803 31, 27| die murmureert de stad, en de getuigenis zijner karigheid 804 31, 28| 28 Toon u geen man in de wijn, want de wijn heeft 805 31, 28| geen man in de wijn, want de wijn heeft er velen in het 806 31, 29| 29 De oven beproeft hetgeen door 807 31, 29| verstaald is, zo doet ook de wijn in het hart der hovaardigen 808 31, 30| 30 De wijn is de mensen gelijk 809 31, 30| 30 De wijn is de mensen gelijk het leven; 810 31, 31| Want hij is geschapen om de mensen te verheugen.~ 811 31, 32| 32 De wijn maakt vrolijkheid des 812 31, 34| 34 De dronkenschap des onwijzen 813 32, 6 | 6 De samenstemming der muzikanten 814 32, 10| 10 Zijnde onder de groten, maak u hun niet 815 32, 11| 11 De bliksem gaat haast voor 816 32, 11| bliksem gaat haast voor de donder heen, en voor een 817 32, 12| wakker, en zijt niet van de laatsten; loop heen naar 818 32, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal zijn 819 32, 16| 16 Wie de wet zoekt, die zal daarvan 820 32, 17| 17 Die de Here vrezen, zullen vinden 821 32, 18| goddeloos mens ontwijkt de bestraffing, en naar zijn 822 32, 19| Een welberaden man veracht de bedenking niet, maar een 823 32, 21| 21 Ga niet op de weg waarop men lichtelijk 824 32, 22| 22 Vertrouw op de weg niet, die zonder aanstoot 825 32, 24| 24 Wie de Here gelooft, die let op 826 33, 1 | 1 HEM die de Here vreest, zal geen kwaad 827 33, 2 | 2 Een wijs man zal de wet niet haten maar wie 828 33, 3 | verstandig mens vertrouwt de wet, en de wet is hem getrouw.~ 829 33, 3 | mens vertrouwt de wet, en de wet is hem getrouw.~ 830 33, 4 | 4 Gelijk de vraag klaar is, zo bereid 831 33, 4 | vraag klaar is, zo bereid de rede, en zo zult gij gehoord 832 33, 4 | gij gehoord worden; bind de onderwijzing tezamen en 833 33, 5 | 5 Het binnenste van de zot is gelijk het rad aan 834 33, 7 | 7 Waarom overtreft de ene dag de andere dag, zo 835 33, 7 | Waarom overtreft de ene dag de andere dag, zo toch al het 836 33, 7 | der dagen in het jaar van de zon komt?~ 837 33, 8 | 8 Zij zijn in de kennis des Heren onderscheiden, 838 33, 8 | onderscheiden, en hij heeft de tijden en de feesten veranderd.~ 839 33, 8 | en hij heeft de tijden en de feesten veranderd.~ 840 33, 10| En alle mensen komen van de aardbodem, en uit de aarde 841 33, 10| van de aardbodem, en uit de aarde is Adam geschapen.~ 842 33, 11| 11 Evenwel heeft hen de Here door zijn grote wetenschap 843 33, 14| 14 Zo is ook de mens in de hand desgenen, 844 33, 14| 14 Zo is ook de mens in de hand desgenen, die hem gemaakt 845 33, 15| kwade, en het leven tegen de dood, zo staat de godvrezende 846 33, 15| tegen de dood, zo staat de godvrezende tegen de zondaar, 847 33, 15| staat de godvrezende tegen de zondaar, zo ook de zondaar 848 33, 15| tegen de zondaar, zo ook de zondaar tegen de godvrezende 849 33, 15| zo ook de zondaar tegen de godvrezende man; en ingelijks, 850 33, 15| ingelijks, aanschouw al de werken des Allerhoogsten, 851 33, 16| 16 En ik ben de laatste ontwaakt gelijk 852 33, 16| ontwaakt gelijk een die achter de wijnlezers de druiven naleest, 853 33, 16| die achter de wijnlezers de druiven naleest, nochtans 854 33, 16| naleest, nochtans ben ik door de zegen des Heren bevorderd, 855 33, 16| Heren bevorderd, en heb de wijnpers gevuld gelijk een 856 33, 18| Hoort gij groten, en gij die de gemeente regeert, laat het 857 33, 21| 21 Want het is beter dat de kinderen u smeken, dan dat 858 33, 21| smeken, dan dat gij naar de handen uwer zonen ziet.~ 859 33, 23| 23 Verdeel uw erfgoed in de dag van de voleinding der 860 33, 23| uw erfgoed in de dag van de voleinding der dagen van 861 33, 23| dagen van uw leven, en in de tijd uws doods.~ 862 33, 25| zal rust zoeken; laat hem de handen ledig zijn, en hij 863 33, 26| juk en touw buigen voor de hals van een os, maar de 864 33, 26| de hals van een os, maar de pijnbank en pijniging zijn 865 33, 27| hij niet ledig ga, want de ledigheid leert veel kwaads.~ 866 34, 1 | 1 DE hoop van een onverstandige 867 34, 1 | dromen maken vleugelen voor de onwijze.~ 868 34, 2 | 2 Gelijk een die naar de schaduw grijpt, en de winden 869 34, 2 | naar de schaduw grijpt, en de winden najaagt, zo is hij 870 34, 2 | winden najaagt, zo is hij die de dromen gadeslaat.~ 871 34, 3 | 3 Wat men in de dromen ziet, is dit na dat, 872 34, 3 | is dit na dat, evenals de gelijkheid van het aangezicht 873 34, 4 | gereinigd worden? en van de leugenaar, welke waarheid 874 34, 6 | 6 Indien ze door de Allerhoogste u niet zijn 875 34, 7 | 7 Want de dromen hebben velen verleid, 876 34, 8 | 8 Zonder leugen wordt de wet volbracht, en wijsheid 877 34, 12| ik in gevaar geweest tot de dood toe, en om deze dingen 878 34, 13| 13 De geest dergenen, die de Here 879 34, 13| 13 De geest dergenen, die de Here vrezen, zal leven.~ 880 34, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal geen 881 34, 16| 16 Zalig is de ziel desgenen, die de Here 882 34, 16| is de ziel desgenen, die de Here vreest, aan wie houdt 883 34, 17| 17 De ogen des Heren zien op degenen 884 34, 17| steunsel; een bescherming tegen de hitte, en een bescherming 885 34, 17| en een bescherming tegen de middag; een bewaring voor 886 34, 17| middag; een bewaring voor de aanstoot, en een hulp tegen 887 34, 17| aanstoot, en een hulp tegen de val.~ 888 34, 18| 18 Hij verhoogt de ziel, en verlicht de ogen, 889 34, 18| verhoogt de ziel, en verlicht de ogen, hij geeft genezing, 890 34, 19| offerande is bespottelijk, en de gaven der goddelozen behagen 891 34, 20| 20 De Allerhoogste heeft geen 892 34, 20| heeft geen welbehagen aan de offeran den der goddelozen, 893 34, 20| goddelozen, en wordt over de zonde door menigte der slachtoffers 894 34, 21| 21 Hij slacht de zoon in tegenwoordigheid 895 34, 24| bloed, die het loon van de dagloner rooft.~ 896 34, 25| 25 Als de een bouwt en de andere afbreekt, 897 34, 25| 25 Als de een bouwt en de andere afbreekt, wat winnen 898 34, 26| 26 Als de een bidt en de andere vloekt, 899 34, 26| 26 Als de een bidt en de andere vloekt, wiens stem 900 34, 26| andere vloekt, wiens stem zal de Here verhoren?~ 901 35, 1 | 1 WIE de wet bewaart, die doet offeranden 902 35, 1 | offeranden genoeg; wie op de geboden acht heeft, die 903 35, 6 | 6 De offerande van de rechtvaardige 904 35, 6 | 6 De offerande van de rechtvaardige maakt het 905 35, 6 | maakt het altaar vet, en de goede reuk daarvan komt 906 35, 6 | goede reuk daarvan komt voor de Allerhoogste.~ 907 35, 7 | rechtvaardigen mans is aangenaam, en de gedachtenis daarvan zal 908 35, 8 | 8 Verheerlijk de Here met een goed oog, en 909 35, 8 | een goed oog, en verminder de eerstelingen uwer handen 910 35, 10| 10 Geef de Allerhoogste naar hetgeen 911 35, 11| 11 Want de Here is een vergelden, en 912 35, 13| 13 Want de Here is een rechter, en 913 35, 14| 14 De Here zal het aangezicht 914 35, 14| desgenen die zich tegen de arme stelt niet aannemen, 915 35, 14| stelt niet aannemen, maar de smeking desgenen die onrecht 916 35, 15| wezen niet verachten, noch de weduwe indien zij haar klaag 917 35, 16| 16 Vlieten niet de tranen der weduwe af op 918 35, 16| tranen der weduwe af op de wang? en haar geschrei tegen 919 35, 17| en zijn gebed zal tot aan de wolken raken.~ 920 35, 18| des nederigen gaat door de wolken, en hij wordt niet 921 35, 18| en laat niet af totdat de Allerhoogste het zal ingezien 922 35, 18| zal ingezien hebben, welke de rechtvaardige zal oordelen 923 35, 19| 19 Ook zal de Here niet vertragen, en 924 35, 19| Here niet vertragen, en de machtige zal niet lankmoedig 925 35, 19| zijn over hen, totdat hij de lendenen der onbarmhartigen 926 35, 20| 20 Ja, hij zal de volken wraak vergelden, 927 35, 20| wraak vergelden, totdat hij de menigte der smaders zal 928 35, 20| smaders zal weggenomen, en de scepters der onrecht vaardigen 929 35, 21| 21 Totdat hij de mens vergelde naar zijn 930 35, 21| naar zijn handelingen, en de werken der mensen naar hun 931 35, 23| 23 Hoe tijdig is de barmhartigheid in de tijd 932 35, 23| is de barmhartigheid in de tijd der verdrukking; zij 933 35, 23| verdrukking; zij is gelijk de wolken in de tijd der droogte.~ ~ 934 35, 23| zij is gelijk de wolken in de tijd der droogte.~ ~ 935 36, 2 | En zend uw vrees over al de volken die u niet zoeken.~ 936 36, 3 | 3 Verhef uw hand over de vreemde volken, laat hun 937 36, 9 | 9 Neem de tegenpartijder weg, en verbrijzel 938 36, 9 | tegenpartijder weg, en verbrijzel de vijand.~ 939 36, 10| 10 Maak dat de tijd haast kome, en gedenk 940 36, 10| haast kome, en gedenk aan de toorn, en laat uw wonderen 941 36, 12| 12 Verbrijzel de hoofden van de oversten 942 36, 12| Verbrijzel de hoofden van de oversten der volken, die 943 36, 15| heilige stad Jeruzalem, welke de plaats uwer rust is.~ 944 36, 19| 19 Verhoor, Here, de smekingen uwer knechten, 945 36, 19| smekingen uwer knechten, naar de zegen van Aäron over uw 946 36, 20| 20 De buik eet alle spijs, toch 947 36, 20| eet alle spijs, toch is de ene spijs beter dan de andere.~ 948 36, 20| is de ene spijs beter dan de andere.~ 949 36, 21| 21 De keel smaakt de spijs van 950 36, 21| 21 De keel smaakt de spijs van het wildbraad, 951 36, 23| neemt iedere man aan, maar de ene dochter is schoner dan 952 36, 23| ene dochter is schoner dan de andere.~ 953 36, 24| 24 De schoonheid der vrouw verblijdt 954 36, 27| geen vrouw is, daar zal de man zuchten en dwalen.~ 955 36, 28| moordenaar betrouwen, die uit de ene stad in de andere sluipt; 956 36, 28| die uit de ene stad in de andere sluipt; zo betrouwt 957 37, 1 | vriend is alleen vriend met de naam.~ 958 37, 2 | 2 Blijft de droefheid niet tot de dood 959 37, 2 | Blijft de droefheid niet tot de dood toe wanneer een metgezel 960 37, 3 | vanwaar komt gij gerold om de aarde met bedriegerij te 961 37, 4 | vriend in verheuging, en in de tijd van verdrukking zal 962 37, 5 | en neemt een schild tegen de vijand.~ 963 37, 9 | 9 Bewaar uw ziel voor de raadgever, en verneem eerst 964 37, 12| met een vreesachtige over de oorlog; noch met een koopman 965 37, 12| noch met een koopman over de wissel; noch met degene, 966 37, 12| met degene, die koopt over de verkoop; noch met een nijdig 967 37, 12| met een nijdig mens over de dankbaarheid, noch met een 968 37, 12| met een onbarmhartige over de weldadigheid; noch met een 969 37, 12| een jaar gehuurd hebt over de voleinding van het werk, 970 37, 13| van wie gij weet dat hij de geboden des Heren bewaart, 971 37, 14| 14 Blijf vast bij de raadslag uws harten, want 972 37, 15| 15 Want de ziel van de man pleegt somtijds 973 37, 15| 15 Want de ziel van de man pleegt somtijds wat 974 37, 16| 16 En in alle deze bid de Allerhoogste, opdat de waarheid 975 37, 16| bid de Allerhoogste, opdat de waarheid uw weg recht make.~ 976 37, 17| Het begin van het werk is de rede, en beraadslaging gaat 977 37, 18| aangezicht is een teken van de verandering der vreugde.~ 978 37, 19| het kwade, het leven en de dood en de tong is het, 979 37, 19| het leven en de dood en de tong is het, die gedurig 980 37, 22| 22 Want hem is door de Here die genade niet gegeven, 981 37, 23| is wijs voor zichzelf, en de vruchten van zijn verstand 982 37, 24| onderwijst zijn eigen volk, en de vruchten van zijn verstand 983 37, 26| een getal der dagen, maar de dagen van Israël zijn ontelbaar.~ 984 37, 30| en stort u niet heen op de spijzen.~ 985 37, 31| veel spijs komt ziekte, en de onverzadelijkheid nadert 986 37, 32| 32 Door de onverzadelijkheid zijn er 987 38, 1 | 1 EER de geneesheer tot uw behoeften, 988 38, 1 | geneesheer tot uw behoeften, met de eer die hem toekomt; want 989 38, 1 | toekomt; want ook hem heeft de Here geschapen.~ 990 38, 2 | 2 Want de genezing is van de Allerhoogste, 991 38, 2 | Want de genezing is van de Allerhoogste, en door de 992 38, 2 | de Allerhoogste, en door de koning wordt de geneesheer 993 38, 2 | en door de koning wordt de geneesheer geëerd.~ 994 38, 3 | 3 De wetenschap van de geneesheer 995 38, 3 | 3 De wetenschap van de geneesheer verhoogt zijn 996 38, 3 | verhoogt zijn hoofd, en bij de groten is hij in bewondering.~ 997 38, 4 | 4 De Here heeft de medicijnen 998 38, 4 | 4 De Here heeft de medicijnen uit de aarde 999 38, 4 | heeft de medicijnen uit de aarde geschapen, en een 1000 38, 5 | opdat zijn kracht door de mens zou gekend worden?~


1-500 | 501-1000 | 1001-1476

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License