1-500 | 501-1000 | 1001-1476
Chapter, Verse
501 20, 24| 24 De leugen is een lelijke schandvlek
502 20, 24| schandvlek in een mens, en in de mond der ongeschikten is
503 20, 25| maar beiden zullen zij de verderfenis beërven.~
504 20, 26| 26 De manieren van een leugenachtig
505 20, 27| voorzichtig mens behaagt de groten.~
506 20, 28| verhoogt zijn hoop, en die de groten behaagt, verzoent
507 20, 29| en geschenken verblinden de ogen der wijzen, en gelijk
508 20, 29| wijzen, en gelijk een toom in de mond, keren zij de bestraffingen
509 20, 29| toom in de mond, keren zij de bestraffingen af.~
510 20, 31| verdraagzaamheid in degene, die de Here zoekt, dan zonder Here
511 21, 1 | geen zonde meer bij, en bid de vorige af.~
512 21, 2 | 2 Vlied voor de zonde gelijk voor een slang,
513 21, 3 | leeuwentanden, en doden de zielen der mensen.~
514 21, 6 | 6 De smeking van de arme gaat
515 21, 6 | 6 De smeking van de arme gaat uit de mond tot
516 21, 6 | smeking van de arme gaat uit de mond tot aan zijn oren,
517 21, 7 | bestraffing haat, die staat in de voetstappen van de zondaar,
518 21, 7 | staat in de voetstappen van de zondaar, en wie de Here
519 21, 7 | voetstappen van de zondaar, en wie de Here vreest, die bekeert
520 21, 8 | 8 Wie machtig is met de tong, die is van verre bekend,
521 21, 10| 10 De vergadering der goddelozen
522 21, 11| 11 De weg van de zondaar is van
523 21, 11| 11 De weg van de zondaar is van stenen geëffend,
524 21, 11| het uiterste daarvan is de gracht der hel.~
525 21, 12| 12 Wie de wet des Heren bewaart, die
526 21, 13| 13 Maar de voleinding van de vreze
527 21, 13| 13 Maar de voleinding van de vreze des Heren is de aanneming
528 21, 13| van de vreze des Heren is de aanneming der wijsheid.~
529 21, 15| 15 De kennis van een wijze zal
530 21, 16| 16 Het binnenste van de dwaas is gelijk een gebroken
531 21, 17| 17 Indien de verstandige een wijs woord
532 21, 19| 19 De vertelling van een dwaas
533 21, 19| dwaas is gelijk een last op de weg, maar op de lippen van
534 21, 19| last op de weg, maar op de lippen van de verstandige
535 21, 19| weg, maar op de lippen van de verstandige wordt aangenaamheid
536 21, 20| 20 De mond van de voorzichtige
537 21, 20| 20 De mond van de voorzichtige wordt in de
538 21, 20| de voorzichtige wordt in de gemeente gezocht, en elkeen
539 21, 21| huis dat vergaan is, zo is de vrijheid van de dwaas, en
540 21, 21| is, zo is de vrijheid van de dwaas, en de kennis van
541 21, 21| vrijheid van de dwaas, en de kennis van de onverstandige
542 21, 21| dwaas, en de kennis van de onverstandige niets anders
543 21, 22| 22 De tucht is de onwetende als
544 21, 22| 22 De tucht is de onwetende als boeien aan
545 21, 22| onwetende als boeien aan de voeten, en als duimijzers
546 21, 22| voeten, en als duimijzers aan de rechterhand.~
547 21, 24| 24 De tucht is de voorzichtige
548 21, 24| 24 De tucht is de voorzichtige man gelijk
549 21, 24| en gelijk een armband aan de rechterarm.~
550 21, 25| 25 De voet van de dwaas is haastig
551 21, 25| 25 De voet van de dwaas is haastig tot een
552 21, 26| 26 De onwijze zal over de deur
553 21, 26| 26 De onwijze zal over de deur in het huis kijken,
554 21, 27| mensen te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige
555 21, 28| 28 De lippen der veelsprekers
556 21, 28| die hun niet aangaan, maar de woorden der voorzichtigen
557 21, 28| der voorzichtigen zijn op de waag gewogen.~
558 21, 29| dwazen is in hun mond, maar de mond der wijzen is in hun
559 21, 30| 30 Wanneer een goddeloze de Satan vervloekt, zo vervloekt
560 22, 1 | 1 DE luiaard is te vergelijken
561 22, 2 | luie is gelijk koedrek op de mesthoop; wie hem op neemt,
562 22, 2 | wie hem op neemt, schudt de hand af.~
563 22, 7 | worden opgevoed, verbergen de slechte afkomst van hun
564 22, 7 | beroemen, die bevlekken de edele afkomst van hun geslacht.~
565 22, 8 | scherven aaneen, en wekt de slapende uit een diepe slaap.~
566 22, 12| leven van een dwaas is boven de dood.~
567 22, 13| 13 De rouw over een dode duurt
568 22, 13| een dwaas en goddeloze al de dagen zijns levens.~
569 22, 20| versierd pleisterwerk aan de muur van een pand.~
570 22, 21| Palen omhoog gezet tegen de wind, kunnen niet blijven,~
571 22, 22| kan een bevreesd hart in de gedachte van de dwaas tegen
572 22, 22| hart in de gedachte van de dwaas tegen geen vrees bestaan.~
573 22, 24| 24 Wie een steen onder de vogelen werpt, die jaagt
574 22, 24| vriend scheldt, die maakt de vriendschap los.~
575 22, 26| 26 Indien gij de mond tegen uw vriend opengedaan
576 22, 28| 28 In de tijd der verdrukking blijf
577 22, 28| erfdeel moogt erven, want de geringe staat is niet altijd
578 22, 28| altijd te verachten, noch de rijke, die geen verstand
579 22, 29| 29 Gelijk de damp des ovens en de rook
580 22, 29| Gelijk de damp des ovens en de rook gaan voor het vuur,
581 22, 29| gaan scheldwoorden voor de doodslag.~
582 23, 2 | onwetendheden niet verschoont, en de moedwil der openbare zondaren
583 23, 3 | verblijd worde, van welke de hoop van uw barmhartigheid
584 23, 5 | altijd wil dienen; laat mij de begeerte des buiks, en de
585 23, 5 | de begeerte des buiks, en de bij slaap niet innemen,
586 23, 6 | 6 Hoort, mijn kinderen, de onderwijzing van een waarachtige
587 23, 7 | 7 De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid
588 23, 8 | zweren, en gewen u niet de heilige te noemen.~
589 23, 9 | die zweert en doorgaans de heilige noemt, van de zonde
590 23, 9 | doorgaans de heilige noemt, van de zonde niet gereinigd.~
591 23, 10| vol ongerechtigheid, en de gesel zal van zijn huis
592 23, 13| wijze van spreken rondom met de dood bekleed; laat die niet
593 23, 14| dingen zullen verre zijn van de godvrezende, en zij zullen
594 23, 14| godvrezende, en zij zullen in de zonden niet ingewikkeld
595 23, 17| waart geweest, en zoudt de dag uwer geboorte vervloeken.~
596 23, 18| scheldwoorden, die zal al de dagen zijns levens niet
597 23, 19| mensen vermenigvuldigen de zonden, en de derde brengt
598 23, 19| vermenigvuldigen de zonden, en de derde brengt de toorn mede.~
599 23, 19| zonden, en de derde brengt de toorn mede.~
600 23, 24| Duisternis is rondom mij, en de muren bedekken mij, en niemand
601 23, 24| ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste zal aan mijn
602 23, 24| zonden niet gedenken, en de ogen der mensen zijn alleen
603 23, 25| En hij verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste
604 23, 25| verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste Here tienduizend
605 23, 25| tienduizend maal klaarder zijn den de zon.~
606 23, 26| der mensen, en merken op de verborgene delen.~
607 23, 28| 28 Deze zal op de straten der stad gewroken
608 23, 30| 30 Want vooreerst is zij de wet des Allerhoogsten ongehoorzaam
609 23, 31| 31 Deze zal in de gemeente uitgestoten worden,
610 23, 32| geen wortel uitspreiden, en de takken van haar zullen geen
611 23, 34| 34 En de nagelatenen zullen bekennen,
612 23, 34| dat er niets beter is dan de vreze des Heren, en niets
613 23, 34| dat iemand acht neemt op de geboden Gods.~
614 24, 1 | 1 DE wijsheid prijst zichzelf,
615 24, 2 | Zij doet haar mond open in de gemeente des Allerhoogsten,
616 24, 3 | 3 Ik ben van de mond des Allerhoogsten uitgegaan,
617 24, 3 | gelijk een nevel heb ik de aarde bedekt.~
618 24, 4 | 4 Ik heb mijn tent in de hoogste plaatsen opgeslagen,
619 24, 5 | 5 Ik alleen heb de rondte des hemels omgegaan,
620 24, 5 | hemels omgegaan, en heb in de diepte der afgronden gewandeld.~
621 24, 6 | 6 In de baren der zee, en op de
622 24, 6 | de baren der zee, en op de ganse aarde, en bij alle
623 24, 8 | 8 Toen beval mij de schepper aller dingen, en
624 24, 10| 10 Vóór de wereld, van den beginne
625 24, 13| gelijk een cypresseboom op de bergen van Hermon.~
626 24, 15| een fraai veld, en gelijk de boom Platanus ben ik uit
627 24, 17| Onyx, en Stacte, en gelijk de damp des wierooks in de
628 24, 17| de damp des wierooks in de tabernakel.~
629 24, 26| boek des verbonds van God de Allerhoogste, de wet, welke
630 24, 26| van God de Allerhoogste, de wet, welke Mozes bevolen
631 24, 26| heeft tot een erfdeel in de vergaderingen van Jakob,
632 24, 26| niet, maar zijt sterk in de Here, opdat hij u krachtig
633 24, 26| krachtig make; kleeft hem aan; de Almachtige Here is alleen
634 24, 27| met zijn wijsheid, gelijk de Pison, en gelijk de Tigris
635 24, 27| gelijk de Pison, en gelijk de Tigris in de dagen der nieuwe
636 24, 27| en gelijk de Tigris in de dagen der nieuwe vruchten.~
637 24, 28| vervult het verstand gelijk de Eufraat, en gelijk de Jordaan
638 24, 28| gelijk de Eufraat, en gelijk de Jordaan in de dagen van
639 24, 28| en gelijk de Jordaan in de dagen van de oogst.~
640 24, 28| Jordaan in de dagen van de oogst.~
641 24, 29| 29 Die de leer der kennis doet uitschijnen
642 24, 29| gelijk een licht, en gelijk de Gihon in de tijd wanneer
643 24, 29| licht, en gelijk de Gihon in de tijd wanneer men de druiven
644 24, 29| Gihon in de tijd wanneer men de druiven leest.~
645 24, 30| 30 De eerste heeft haar niet volkomen
646 24, 30| volkomen gekend, en zo heeft de laatste haar niet uitgespeurd.~
647 24, 31| 31 Want meer dan de zee zijn haar gedachten
648 24, 32| 32 Ik, de Wijsheid, ben gelijk een
649 24, 35| 35 En ziet de gedolven gracht is mij geworden
650 24, 36| 36 Want ik doe de onderwijzing jichten als
651 24, 36| onderwijzing jichten als de dageraad, en doe ze schijnen
652 25, 1 | schoon, en sta schoon voor de Here, ja voor de Here en
653 25, 1 | schoon voor de Here, ja voor de Here en de mensen.~
654 25, 1 | Here, ja voor de Here en de mensen.~
655 25, 7 | 7 Hoe schoon staat de ouden wijsheid, en degenen
656 25, 8 | der ouden, en hun roem is de vreze des Heren.~
657 25, 10| terwijl hij nog leeft, en die de val zijner vijanden ziet.~
658 25, 11| vrouw woont, en die met de tong niet struikelt, en
659 25, 12| heeft, en ze verhaalt in de oren der toehoorders.~
660 25, 13| is niet boven degene, die de Here vreest.~
661 25, 14| 14 Maar de liefde des Heren overtreft
662 25, 16| 16 De vreze des Heren is het begin
663 25, 17| te verdragen, maar niet de plaag des harten, en alle
664 25, 17| alle boosheid, doch niet de boosheid van een vrouw;~
665 25, 18| 18 Alle inval, doch niet de inval dergenen die haten,
666 25, 18| en alle wraak, doch niet de wraak der vijanden.~
667 25, 19| is geen gramschap boven de gramschap des vijands.~
668 25, 21| 21 De boosheid van een vrouw verandert
669 25, 23| boosheid is klein tegen de boosheid van een vrouw;
670 25, 24| zandachtige opgang voor de voeten van een oud man,
671 25, 25| 25 Geef u niet over aan de schoonheid van een vrouw,
672 25, 29| 29 Van de vrouw is het begin der zonde,
673 25, 30| water geen doortocht, noch de boze vrouw vrijheid om uit
674 26, 1 | 1 GELUKKIG is de man, die een goede vrouw
675 26, 2 | verheugt haar man, en vervult de jaren zijns levens met vrede.~
676 26, 3 | deel gegeven degenen, die de Here vrezen.~
677 26, 4 | van zo'n man is goed tot de Here. hetzij dat hij rijk
678 26, 6 | 6 De lastering ener stad, en
679 26, 6 | lastering ener stad, en de vergadering van het volk,
680 26, 6 | deze zijn bezwaarlijker dan de dood.~
681 26, 7 | vrouw jaloers is, en met de tong geselt, en bij allen
682 26, 10| 10 De hoererij van een vrouw wordt
683 26, 10| een vrouw wordt bekend aan de verheffingen der ogen en
684 26, 13| reizende man dorstende, de mond opent als hij een fontein
685 26, 13| elke paal nederzetten en de pijlkoker voor de pijl opendoen.~
686 26, 13| nederzetten en de pijlkoker voor de pijl opendoen.~
687 26, 14| 14 De bevalligheid der vrouw vermaakt
688 26, 17| 17 Gelijk de zon opgaande in de hoogste
689 26, 17| Gelijk de zon opgaande in de hoogste plaatsen des Heren,
690 26, 17| plaatsen des Heren, zo is ook de schoonheid van een goede
691 26, 18| 18 Gelijk het licht op de heilige kandelaar glinstert,
692 26, 18| kandelaar glinstert, zo is ook de schoonheid van haar aangezicht
693 26, 18| schoonheid van haar aangezicht in de staande ouderdom.~
694 26, 20| 20 Mijn kind, bewaar de beste kracht van uw leven
695 26, 20| in gezond heid, en geef de vreemde uw sterkte niet.~
696 26, 24| Een goddeloze vrouw zal de onrechtvaardige tot een
697 26, 24| vrouw wordt gegeven hem, die de Here vreest.~
698 26, 25| eerbare dochter zal ook de man ontzien.~
699 26, 26| die schaamte heeft, zal de Here vrezen.~
700 26, 27| gehouden worden, maar die de man onteert, zal van allen
701 26, 28| 28 Gelukzalig is de man die een goede vrouw
702 26, 29| die groot getier maakt, en de tong dapper weet te roeren,
703 26, 29| gelijk is, zal zijn leven in de oproeren des krijgs overbrengen.~
704 26, 32| 32 Als iemand van de gerechtigheid wederkeert
705 26, 32| gerechtigheid wederkeert tot zonde; de Here zal hem tot het zwaard
706 27, 2 | Gelijk een nagel tussen de voegen der stenen vastgestoken
707 27, 2 | vastgestoken wordt, zo ook zal de zonde tussen verkopen en
708 27, 3 | iemand zich niet naarstig aan de vreze des Heren houdt, zo
709 27, 4 | een zeef schudt, zo blijft de vuiligheid daarin; zo blijft
710 27, 5 | 5 De oven proeft de vaten van
711 27, 5 | 5 De oven proeft de vaten van de pottenbakker,
712 27, 5 | oven proeft de vaten van de pottenbakker, maar de mens
713 27, 5 | van de pottenbakker, maar de mens wordt beproefd in zijn
714 27, 6 | 6 Gelijk de vrucht van de boom doet
715 27, 6 | 6 Gelijk de vrucht van de boom doet blijken hoe men
716 27, 6 | heeft verpleegd, zo doet ook de uitspraak der gedachten
717 27, 7 | spreekt, want hieraan worden de mensen beproefd.~
718 27, 9 | nestelt bij zijns gelijken, en de waarheid komt weder tot
719 27, 10| 10 Een leeuw loert op de jacht, zo loert de zonde
720 27, 10| loert op de jacht, zo loert de zonde op degenen, die boosheid
721 27, 11| 11 Het verhaal van de godvrezende is altijd wijs,
722 27, 11| godvrezende is altijd wijs, maar de dwaas verandert gelijk de
723 27, 11| de dwaas verandert gelijk de maan.~
724 27, 12| 12 Neem onder de onverstandigen de tijd waar,
725 27, 12| onder de onverstandigen de tijd waar, maar houd u steeds
726 27, 12| maar houd u steeds onder de bedachtzamen.~
727 27, 14| 14 De spraak desgenen die veel
728 27, 14| desgenen die veel zweert, doet de haren overeind staan, en
729 27, 14| hun strijd maakt dat men de oren toestoppen moet.~
730 27, 15| 15 De twist der hovaardigen brengt
731 27, 21| ontvloden gelijk een ree uit de strik.~
732 27, 25| vergelijk niemand bij hem, en de Here zal hem haten.~
733 27, 26| 26 Wie een steen in de hoogte werpt, die werpt
734 27, 26| ook een bedriegelijke slag de wond wijd.~
735 27, 29| 29 De hovaardigen bespotten en
736 27, 29| bespotten en verwijten, en de wraak loert op hen gelijk
737 27, 30| 30 Die zich verheugen in de val der godvrezenden zullen
738 28, 1 | zichzelf wreekt, die zal van de Here wraak vinden, en hij
739 28, 3 | 3 De ene mens houdt tegen de
740 28, 3 | De ene mens houdt tegen de andere mens toorn, en bij
741 28, 3 | andere mens toorn, en bij de Here zoekt hij genezing.~
742 28, 7 | verderf en dood, maar blijf in de geboden.~
743 28, 8 | 8 Gedenk aan de geboden, en oefen geen vijandschap
744 28, 8 | oefen geen vijandschap tegen de naaste, en aan het verbond
745 28, 9 | van strijd, en gij zult de zonden verminderen, want
746 28, 9 | een toornig mens ontsteekt de strijd.~
747 28, 11| vuur toeneemt; hoe sterker de mens is, hoe sterker zijn
748 28, 11| gramschap is; en hoe rijker de mens is, hoe meer hij zijn
749 28, 15| 15 De dubbele tong heeft velen
750 28, 17| 17 De dubbele tong heeft mannelijke
751 28, 19| 19 De slag van de gesel maakt
752 28, 19| 19 De slag van de gesel maakt striemen, maar
753 28, 19| gesel maakt striemen, maar de slag der tong vermorzelt
754 28, 20| Velen zijn gevallen door de scherpte des zwaards, doch
755 28, 20| als er gevallen zijn door de tong.~
756 28, 25| 25 Zij zal over de godvrezenden gans geen macht
757 28, 26| 26 Die de Here verlaten, zullen in
758 29, 1 | met zijn hand, die houdt de geboden.~
759 29, 2 | 2 Leen uw naaste in de tijd zijner behoefte, en
760 29, 4 | als gevonden is, en doen de genen moeite aan, die hen
761 29, 6 | te geven, dan stelt hij de tijd uit, en geeft reden
762 29, 6 | zorgeloosheid en wijt het de tijd.~
763 29, 7 | geven, zo zal hij nauwelijks de helft brengen, en zal het
764 29, 10| boosheid, wenden zich van de mens af, en vrezen dat zij
765 29, 11| 11 Evenwel in de vernedering uws naasten
766 29, 12| 12 Neem u de arme aan vanwege het gebod,
767 29, 14| 14 Leg uw schat naar de geboden des Allerhoogsten,
768 29, 17| naaste borg worden, maar die de schaamte verloren heeft,
769 29, 18| 18 Vergeet de weldaden niet van hen, die
770 29, 19| 19 De zondaar keert een goede
771 29, 20| 20 De zondaar, wanneer men voor
772 29, 23| Een zondaar overtredende de geboden des Heren zal in
773 29, 26| dan heerlijke spijs onder de vreemden.~
774 29, 28| wonen zult, daar zult gij de mond niet durven opendoen.~
775 29, 29| hebben en te drinken geven de ondankbaren, en nog daartoe
776 29, 30| inwoner ga heen, bereid de tafel, en zo gij wat hebt,
777 29, 32| een die verstand heeft. De bestraffing vanwege het
778 30, 1 | zoon liefheeft, die zal de roeden altijd aan hem bezigen,
779 30, 6 | nagelaten, die zich aan de vijanden wreken zal, en
780 30, 6 | vijanden wreken zal, en de vrienden weder dankbaar
781 30, 11| 11 Geef hem geen macht in de jeugd, en overzie zijn onwetend
782 30, 12| 12 Buig hem zijn hals in de jeugd, en breek zijn lendenen,
783 30, 17| 17 De dood is beter dan een bittere
784 30, 19| 19 Wat is het brandoffer de afgod nut? want hij eet
785 30, 19| zo gaat het hem die door de Here vervolgd wordt.~
786 30, 20| 20 Hij ziet de ogen, en zucht gelijk een
787 30, 24| 24 Want de droefheid heeft er velen
788 30, 25| en gramschap verminderen de dagen, en bekommernis brengt
789 30, 25| bekommernis brengt ouderdom voor de tijd.~
790 30, 26| goed hart is bezorgd over de spijzen, die hij eten zal.~ ~
791 31, 1 | bekommerd zijn, vermindert de slaap.~
792 31, 2 | vereist sluimeren, maar de slaap ontnuchtert een zware
793 31, 3 | 3 De rijke bemoeit zich met veel
794 31, 4 | 4 De arme bemoeit zichzelf als
795 31, 8 | 8 Zalig is de rijke, die onberispelijk
796 31, 11| goederen bevestigd worden, en de gemeente zal zijn aalmoezen
797 31, 16| wrijf ze met hem niet in de schotel.~
798 31, 22| en buikpijn, en pijn in de darmen, is bij een onverzadelijk
799 31, 24| en gij zult ten laatste de waarheid mijner woorden
800 31, 26| heerlijk is in spijs, zegenen de lippen, en de getuigenis
801 31, 26| spijs, zegenen de lippen, en de getuigenis zijner heerlijkheid
802 31, 27| spijs, over die murmureert de stad, en de getuigenis zijner
803 31, 27| die murmureert de stad, en de getuigenis zijner karigheid
804 31, 28| 28 Toon u geen man in de wijn, want de wijn heeft
805 31, 28| geen man in de wijn, want de wijn heeft er velen in het
806 31, 29| 29 De oven beproeft hetgeen door
807 31, 29| verstaald is, zo doet ook de wijn in het hart der hovaardigen
808 31, 30| 30 De wijn is de mensen gelijk
809 31, 30| 30 De wijn is de mensen gelijk het leven;
810 31, 31| Want hij is geschapen om de mensen te verheugen.~
811 31, 32| 32 De wijn maakt vrolijkheid des
812 31, 34| 34 De dronkenschap des onwijzen
813 32, 6 | 6 De samenstemming der muzikanten
814 32, 10| 10 Zijnde onder de groten, maak u hun niet
815 32, 11| 11 De bliksem gaat haast voor
816 32, 11| bliksem gaat haast voor de donder heen, en voor een
817 32, 12| wakker, en zijt niet van de laatsten; loop heen naar
818 32, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal zijn
819 32, 16| 16 Wie de wet zoekt, die zal daarvan
820 32, 17| 17 Die de Here vrezen, zullen vinden
821 32, 18| goddeloos mens ontwijkt de bestraffing, en naar zijn
822 32, 19| Een welberaden man veracht de bedenking niet, maar een
823 32, 21| 21 Ga niet op de weg waarop men lichtelijk
824 32, 22| 22 Vertrouw op de weg niet, die zonder aanstoot
825 32, 24| 24 Wie de Here gelooft, die let op
826 33, 1 | 1 HEM die de Here vreest, zal geen kwaad
827 33, 2 | 2 Een wijs man zal de wet niet haten maar wie
828 33, 3 | verstandig mens vertrouwt de wet, en de wet is hem getrouw.~
829 33, 3 | mens vertrouwt de wet, en de wet is hem getrouw.~
830 33, 4 | 4 Gelijk de vraag klaar is, zo bereid
831 33, 4 | vraag klaar is, zo bereid de rede, en zo zult gij gehoord
832 33, 4 | gij gehoord worden; bind de onderwijzing tezamen en
833 33, 5 | 5 Het binnenste van de zot is gelijk het rad aan
834 33, 7 | 7 Waarom overtreft de ene dag de andere dag, zo
835 33, 7 | Waarom overtreft de ene dag de andere dag, zo toch al het
836 33, 7 | der dagen in het jaar van de zon komt?~
837 33, 8 | 8 Zij zijn in de kennis des Heren onderscheiden,
838 33, 8 | onderscheiden, en hij heeft de tijden en de feesten veranderd.~
839 33, 8 | en hij heeft de tijden en de feesten veranderd.~
840 33, 10| En alle mensen komen van de aardbodem, en uit de aarde
841 33, 10| van de aardbodem, en uit de aarde is Adam geschapen.~
842 33, 11| 11 Evenwel heeft hen de Here door zijn grote wetenschap
843 33, 14| 14 Zo is ook de mens in de hand desgenen,
844 33, 14| 14 Zo is ook de mens in de hand desgenen, die hem gemaakt
845 33, 15| kwade, en het leven tegen de dood, zo staat de godvrezende
846 33, 15| tegen de dood, zo staat de godvrezende tegen de zondaar,
847 33, 15| staat de godvrezende tegen de zondaar, zo ook de zondaar
848 33, 15| tegen de zondaar, zo ook de zondaar tegen de godvrezende
849 33, 15| zo ook de zondaar tegen de godvrezende man; en ingelijks,
850 33, 15| ingelijks, aanschouw al de werken des Allerhoogsten,
851 33, 16| 16 En ik ben de laatste ontwaakt gelijk
852 33, 16| ontwaakt gelijk een die achter de wijnlezers de druiven naleest,
853 33, 16| die achter de wijnlezers de druiven naleest, nochtans
854 33, 16| naleest, nochtans ben ik door de zegen des Heren bevorderd,
855 33, 16| Heren bevorderd, en heb de wijnpers gevuld gelijk een
856 33, 18| Hoort gij groten, en gij die de gemeente regeert, laat het
857 33, 21| 21 Want het is beter dat de kinderen u smeken, dan dat
858 33, 21| smeken, dan dat gij naar de handen uwer zonen ziet.~
859 33, 23| 23 Verdeel uw erfgoed in de dag van de voleinding der
860 33, 23| uw erfgoed in de dag van de voleinding der dagen van
861 33, 23| dagen van uw leven, en in de tijd uws doods.~
862 33, 25| zal rust zoeken; laat hem de handen ledig zijn, en hij
863 33, 26| juk en touw buigen voor de hals van een os, maar de
864 33, 26| de hals van een os, maar de pijnbank en pijniging zijn
865 33, 27| hij niet ledig ga, want de ledigheid leert veel kwaads.~
866 34, 1 | 1 DE hoop van een onverstandige
867 34, 1 | dromen maken vleugelen voor de onwijze.~
868 34, 2 | 2 Gelijk een die naar de schaduw grijpt, en de winden
869 34, 2 | naar de schaduw grijpt, en de winden najaagt, zo is hij
870 34, 2 | winden najaagt, zo is hij die de dromen gadeslaat.~
871 34, 3 | 3 Wat men in de dromen ziet, is dit na dat,
872 34, 3 | is dit na dat, evenals de gelijkheid van het aangezicht
873 34, 4 | gereinigd worden? en van de leugenaar, welke waarheid
874 34, 6 | 6 Indien ze door de Allerhoogste u niet zijn
875 34, 7 | 7 Want de dromen hebben velen verleid,
876 34, 8 | 8 Zonder leugen wordt de wet volbracht, en wijsheid
877 34, 12| ik in gevaar geweest tot de dood toe, en om deze dingen
878 34, 13| 13 De geest dergenen, die de Here
879 34, 13| 13 De geest dergenen, die de Here vrezen, zal leven.~
880 34, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal geen
881 34, 16| 16 Zalig is de ziel desgenen, die de Here
882 34, 16| is de ziel desgenen, die de Here vreest, aan wie houdt
883 34, 17| 17 De ogen des Heren zien op degenen
884 34, 17| steunsel; een bescherming tegen de hitte, en een bescherming
885 34, 17| en een bescherming tegen de middag; een bewaring voor
886 34, 17| middag; een bewaring voor de aanstoot, en een hulp tegen
887 34, 17| aanstoot, en een hulp tegen de val.~
888 34, 18| 18 Hij verhoogt de ziel, en verlicht de ogen,
889 34, 18| verhoogt de ziel, en verlicht de ogen, hij geeft genezing,
890 34, 19| offerande is bespottelijk, en de gaven der goddelozen behagen
891 34, 20| 20 De Allerhoogste heeft geen
892 34, 20| heeft geen welbehagen aan de offeran den der goddelozen,
893 34, 20| goddelozen, en wordt over de zonde door menigte der slachtoffers
894 34, 21| 21 Hij slacht de zoon in tegenwoordigheid
895 34, 24| bloed, die het loon van de dagloner rooft.~
896 34, 25| 25 Als de een bouwt en de andere afbreekt,
897 34, 25| 25 Als de een bouwt en de andere afbreekt, wat winnen
898 34, 26| 26 Als de een bidt en de andere vloekt,
899 34, 26| 26 Als de een bidt en de andere vloekt, wiens stem
900 34, 26| andere vloekt, wiens stem zal de Here verhoren?~
901 35, 1 | 1 WIE de wet bewaart, die doet offeranden
902 35, 1 | offeranden genoeg; wie op de geboden acht heeft, die
903 35, 6 | 6 De offerande van de rechtvaardige
904 35, 6 | 6 De offerande van de rechtvaardige maakt het
905 35, 6 | maakt het altaar vet, en de goede reuk daarvan komt
906 35, 6 | goede reuk daarvan komt voor de Allerhoogste.~
907 35, 7 | rechtvaardigen mans is aangenaam, en de gedachtenis daarvan zal
908 35, 8 | 8 Verheerlijk de Here met een goed oog, en
909 35, 8 | een goed oog, en verminder de eerstelingen uwer handen
910 35, 10| 10 Geef de Allerhoogste naar hetgeen
911 35, 11| 11 Want de Here is een vergelden, en
912 35, 13| 13 Want de Here is een rechter, en
913 35, 14| 14 De Here zal het aangezicht
914 35, 14| desgenen die zich tegen de arme stelt niet aannemen,
915 35, 14| stelt niet aannemen, maar de smeking desgenen die onrecht
916 35, 15| wezen niet verachten, noch de weduwe indien zij haar klaag
917 35, 16| 16 Vlieten niet de tranen der weduwe af op
918 35, 16| tranen der weduwe af op de wang? en haar geschrei tegen
919 35, 17| en zijn gebed zal tot aan de wolken raken.~
920 35, 18| des nederigen gaat door de wolken, en hij wordt niet
921 35, 18| en laat niet af totdat de Allerhoogste het zal ingezien
922 35, 18| zal ingezien hebben, welke de rechtvaardige zal oordelen
923 35, 19| 19 Ook zal de Here niet vertragen, en
924 35, 19| Here niet vertragen, en de machtige zal niet lankmoedig
925 35, 19| zijn over hen, totdat hij de lendenen der onbarmhartigen
926 35, 20| 20 Ja, hij zal de volken wraak vergelden,
927 35, 20| wraak vergelden, totdat hij de menigte der smaders zal
928 35, 20| smaders zal weggenomen, en de scepters der onrecht vaardigen
929 35, 21| 21 Totdat hij de mens vergelde naar zijn
930 35, 21| naar zijn handelingen, en de werken der mensen naar hun
931 35, 23| 23 Hoe tijdig is de barmhartigheid in de tijd
932 35, 23| is de barmhartigheid in de tijd der verdrukking; zij
933 35, 23| verdrukking; zij is gelijk de wolken in de tijd der droogte.~ ~
934 35, 23| zij is gelijk de wolken in de tijd der droogte.~ ~
935 36, 2 | En zend uw vrees over al de volken die u niet zoeken.~
936 36, 3 | 3 Verhef uw hand over de vreemde volken, laat hun
937 36, 9 | 9 Neem de tegenpartijder weg, en verbrijzel
938 36, 9 | tegenpartijder weg, en verbrijzel de vijand.~
939 36, 10| 10 Maak dat de tijd haast kome, en gedenk
940 36, 10| haast kome, en gedenk aan de toorn, en laat uw wonderen
941 36, 12| 12 Verbrijzel de hoofden van de oversten
942 36, 12| Verbrijzel de hoofden van de oversten der volken, die
943 36, 15| heilige stad Jeruzalem, welke de plaats uwer rust is.~
944 36, 19| 19 Verhoor, Here, de smekingen uwer knechten,
945 36, 19| smekingen uwer knechten, naar de zegen van Aäron over uw
946 36, 20| 20 De buik eet alle spijs, toch
947 36, 20| eet alle spijs, toch is de ene spijs beter dan de andere.~
948 36, 20| is de ene spijs beter dan de andere.~
949 36, 21| 21 De keel smaakt de spijs van
950 36, 21| 21 De keel smaakt de spijs van het wildbraad,
951 36, 23| neemt iedere man aan, maar de ene dochter is schoner dan
952 36, 23| ene dochter is schoner dan de andere.~
953 36, 24| 24 De schoonheid der vrouw verblijdt
954 36, 27| geen vrouw is, daar zal de man zuchten en dwalen.~
955 36, 28| moordenaar betrouwen, die uit de ene stad in de andere sluipt;
956 36, 28| die uit de ene stad in de andere sluipt; zo betrouwt
957 37, 1 | vriend is alleen vriend met de naam.~
958 37, 2 | 2 Blijft de droefheid niet tot de dood
959 37, 2 | Blijft de droefheid niet tot de dood toe wanneer een metgezel
960 37, 3 | vanwaar komt gij gerold om de aarde met bedriegerij te
961 37, 4 | vriend in verheuging, en in de tijd van verdrukking zal
962 37, 5 | en neemt een schild tegen de vijand.~
963 37, 9 | 9 Bewaar uw ziel voor de raadgever, en verneem eerst
964 37, 12| met een vreesachtige over de oorlog; noch met een koopman
965 37, 12| noch met een koopman over de wissel; noch met degene,
966 37, 12| met degene, die koopt over de verkoop; noch met een nijdig
967 37, 12| met een nijdig mens over de dankbaarheid, noch met een
968 37, 12| met een onbarmhartige over de weldadigheid; noch met een
969 37, 12| een jaar gehuurd hebt over de voleinding van het werk,
970 37, 13| van wie gij weet dat hij de geboden des Heren bewaart,
971 37, 14| 14 Blijf vast bij de raadslag uws harten, want
972 37, 15| 15 Want de ziel van de man pleegt somtijds
973 37, 15| 15 Want de ziel van de man pleegt somtijds wat
974 37, 16| 16 En in alle deze bid de Allerhoogste, opdat de waarheid
975 37, 16| bid de Allerhoogste, opdat de waarheid uw weg recht make.~
976 37, 17| Het begin van het werk is de rede, en beraadslaging gaat
977 37, 18| aangezicht is een teken van de verandering der vreugde.~
978 37, 19| het kwade, het leven en de dood en de tong is het,
979 37, 19| het leven en de dood en de tong is het, die gedurig
980 37, 22| 22 Want hem is door de Here die genade niet gegeven,
981 37, 23| is wijs voor zichzelf, en de vruchten van zijn verstand
982 37, 24| onderwijst zijn eigen volk, en de vruchten van zijn verstand
983 37, 26| een getal der dagen, maar de dagen van Israël zijn ontelbaar.~
984 37, 30| en stort u niet heen op de spijzen.~
985 37, 31| veel spijs komt ziekte, en de onverzadelijkheid nadert
986 37, 32| 32 Door de onverzadelijkheid zijn er
987 38, 1 | 1 EER de geneesheer tot uw behoeften,
988 38, 1 | geneesheer tot uw behoeften, met de eer die hem toekomt; want
989 38, 1 | toekomt; want ook hem heeft de Here geschapen.~
990 38, 2 | 2 Want de genezing is van de Allerhoogste,
991 38, 2 | Want de genezing is van de Allerhoogste, en door de
992 38, 2 | de Allerhoogste, en door de koning wordt de geneesheer
993 38, 2 | en door de koning wordt de geneesheer geëerd.~
994 38, 3 | 3 De wetenschap van de geneesheer
995 38, 3 | 3 De wetenschap van de geneesheer verhoogt zijn
996 38, 3 | verhoogt zijn hoofd, en bij de groten is hij in bewondering.~
997 38, 4 | 4 De Here heeft de medicijnen
998 38, 4 | 4 De Here heeft de medicijnen uit de aarde
999 38, 4 | heeft de medicijnen uit de aarde geschapen, en een
1000 38, 5 | opdat zijn kracht door de mens zou gekend worden?~
1-500 | 501-1000 | 1001-1476 |