1-500 | 501-1000 | 1001-1476
Chapter, Verse
1001 38, 6 | 6 Hij heeft de mensen wetenschap gegeven,
1002 38, 7 | 7 Door deze heelt hij de mens en neemt zijn krankheid
1003 38, 8 | 8 De apotheker mengt ze ondereen,
1004 38, 8 | van hem komt gezondheid op de aardbodem.~
1005 38, 9 | verzuim het niet, maar bid de Here, en hij zal u genezen.~
1006 38, 10| af van misdaden, en houd de hand recht, en reinig uw
1007 38, 11| 11 Geef de Here een welriekende reuk,
1008 38, 11| niet eerst begint, en geef de geneesheer plaats.~
1009 38, 12| 12 Want de Here heeft hem geschapen,
1010 38, 14| Want ook zij zelf bidden de Here, dat hij hun geve,
1011 38, 15| gemaakt heeft, die zal in de handen van de geneesheer
1012 38, 15| die zal in de handen van de geneesheer vallen.~
1013 38, 18| 18 En, maak de rouw naar zijn waardigheid,
1014 38, 18| wil, en troost u vanwege de droefenis.~
1015 38, 19| Want van droefheid komt de dood, en droefheid des harten
1016 38, 19| droefheid des harten kromt de sterken.~
1017 38, 20| wordt ingevoerd, blijft ook de droefheid, en het leven
1018 38, 24| 24 Als de dode rust, zo laat ook zijn
1019 38, 25| 25 De wijsheid van een schriftgeleerde
1020 38, 25| schriftgeleerde wordt verkregen door de goede gelegenheid van de
1021 38, 25| de goede gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig
1022 38, 26| zou hij wijs worden, die de ploeg houdt, en roem draagt
1023 38, 26| houdt, en roem draagt in de prikkel, die de ossen drijft,
1024 38, 26| draagt in de prikkel, die de ossen drijft, en opgevoed
1025 38, 26| drijft, en opgevoed wordt in de werken derzelve, en die
1026 38, 27| te maken, en zal waken om de koeien voeder te geven.~
1027 38, 28| schrijnwerker en timmerman, die de nacht gelijk de dag met
1028 38, 28| timmerman, die de nacht gelijk de dag met zijn werk doorbrengt.~
1029 38, 29| 29 Zo ook met hem die de zegelen uitsteekt, en die
1030 38, 30| een begeeft zijn hart om de schilderij na te maken,
1031 38, 31| slaat het ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt
1032 38, 31| vlees, en hij heeft met de hitte des ovens te strijden.~
1033 38, 32| 32 De klank van de hamer en het
1034 38, 32| 32 De klank van de hamer en het aanbeeld vernieuwt
1035 38, 32| zijn ogen zijn tegenover de gelijkenis van het vat.~
1036 38, 36| wel verglaze, en waakt om de oven te reinigen.~
1037 38, 38| noch wandelen, doch tot de raad van het volk zullen
1038 38, 38| gevorderd worden, en in de vergadering zullen zij niet
1039 38, 39| 39 Op de stoel der rechters zitten
1040 38, 41| zijn betrachting heeft in de wet des Allerhoogsten.~c~
1041 39, 1 | 1 DEZE onderzoekt de wijsheid aller ouden, en
1042 39, 1 | aller ouden, en is bezig in de profetieën.~
1043 39, 2 | 2 De vertelling der vermaarde
1044 39, 4 | 4 Midden onder de groten dient hij, en onder
1045 39, 4 | groten dient hij, en onder de vorsten wordt hij gezien.~
1046 39, 5 | wat goed en kwaad is onder de mensen beproefd.~
1047 39, 6 | Hij begeeft zijn hart tot de Here, om vroeg te komen
1048 39, 6 | hem gemaakt heeft, en tot de Allerhoogste smeekt hij.~
1049 39, 8 | Here wil, zo zal hij met de geest des verstands vervuld
1050 39, 9 | 9 Hij zal de woorden zijner wijsheid
1051 39, 9 | in zijn gebed dankt hij de Here.~
1052 39, 11| 11 Hij brengt de onderwijzing zijner leer
1053 39, 11| leer te voorschijn, en in de wet van het verbond des
1054 39, 14| Zijn wijsheid vertellen de volken, en de gemeente verkondigt
1055 39, 14| vertellen de volken, en de gemeente verkondigt zijn
1056 39, 16| want ik ben vervuld gelijk de volle maan.~
1057 39, 19| 19 Looft de Here over al zijn werken
1058 39, 20| 20 De werken des Heren zijn alle
1059 39, 21| het woord van zijn mond de boezem der wateren.~
1060 39, 23| 23 De werken van alle vlees zijn
1061 39, 26| 26 Zijn zegen bedekt de aarde gelijk een rivier,
1062 39, 27| 27 Zo erven de volken zijn toorn, gelijk
1063 39, 27| volken zijn toorn, gelijk hij de wateren in pekel verkeert.~
1064 39, 28| 28 Zijn wegen zijn de heiligen recht, gelijkerwijs
1065 39, 28| recht, gelijkerwijs zij de goddelozen tot aanstoot
1066 39, 29| dingen zijn in het begin voor de goede mensen geschapen,
1067 39, 29| goede mensen geschapen, zo de kwade dingen voor de zondaars.~
1068 39, 29| zo de kwade dingen voor de zondaars.~
1069 39, 31| 31 Alle deze gelijk ze de godvrezende goede dingen
1070 39, 31| dingen zijn, zo worden ze de zondaar in kwaad verkeerd.~
1071 39, 32| 32 Daar zijn de geesten die tot wraak geschapen
1072 39, 32| bevestigt God hun geselen, als de tijd voleindigd is, dan
1073 39, 32| sterkte uit, en stillen de gramschap desgenen die ze
1074 39, 33| 33 Het vuur en de zee, en de honger, en de
1075 39, 33| 33 Het vuur en de zee, en de honger, en de dood; al deze
1076 39, 33| de zee, en de honger, en de dood; al deze dingen zijn
1077 39, 34| 34 De tanden der wilde dieren,
1078 39, 34| tanden der wilde dieren, en de schorpioenen, en adders,
1079 39, 34| zwaard doende wraak aan de goddelozen tot hun verderf.~
1080 39, 36| 36 En op de aarde zijn zij gereed tot
1081 39, 38| 38 Al de werken des Heren zijn goed,
1082 39, 40| ganse hart en mond, en looft de naam des Heren.~ ~ ~ ~
1083 40, 1 | geschapen en een zwaar juk op de kinderen van Adam; van die
1084 40, 1 | lichaam gekomen zijn, tot op de dag dat zij wederkeren in
1085 40, 1 | dag dat zij wederkeren in de moeder van allen.~
1086 40, 2 | Aangaande hun gedachten, en de vrees des harten, zo is
1087 40, 2 | vrees des harten, zo is de betrachting van hetgeen
1088 40, 2 | zij te verwachten hebben, de dag des doods;~
1089 40, 3 | 3 Zo wel bij hem, die op de troon der heerlijkheid zit,
1090 40, 5 | rusten op het bed verandert de slaap van de nacht zijn
1091 40, 5 | bed verandert de slaap van de nacht zijn kennis.~
1092 40, 6 | daarna slaapt hij gelijk in de dagen der schildwacht.~
1093 40, 7 | hart, gelijk een die uit de krijg ontvloden is, en ontwakende
1094 40, 7 | ontvloden is, en ontwakende in de tijd zijner behoudenis,
1095 40, 8 | het met alle vlees, van de mens af tot op het vee,
1096 40, 8 | tot op het vee, doch over de zondaars komt tot deze dingen
1097 40, 9 | en bloed; invoering van de honger, en der verplettering,
1098 40, 9 | der verplettering, en van de gesel; deze dingen alle
1099 40, 9 | deze dingen alle zijn tegen de goddelozen geschapen, en
1100 40, 9 | geschapen, en om hunnentwil is de zondvloed gekomen.~
1101 40, 10| is, wendt zich weder naar de zee.~
1102 40, 12| 12 De goederen der onrechtvaardigen
1103 40, 13| 13 Als hij de handen opendoet, zo wordt
1104 40, 13| handen opendoet, zo wordt de rechtvaardige verheugd;
1105 40, 14| 14 De nakomelingen der goddelozen
1106 40, 14| takken uitschieten, want de onreine wortelen liggen
1107 40, 18| opbouw der stad onderstutten de naam.~
1108 40, 19| verheugen het hart, maar de liefde tot wijsheid meer
1109 40, 20| 20 De fluit en het snarenspel
1110 40, 21| aangenaam en schoon is, maar in de groente van het gezaaide
1111 40, 23| Broeders en hulp zijn goed in de tijd der verdrukking, maar
1112 40, 24| 24 Goud en zilver stellen de voet vast, maar raad wordt
1113 40, 25| verhogen het hart, maar de vreze des Heren meer dan
1114 40, 26| 26 Daar is in de vreze des Heren geen vermindering,
1115 40, 27| 27 De vreze des Heren is gelijk
1116 40, 31| 31 In de mond des onbeschaamden is
1117 40, 31| mond des onbeschaamden is de bedelarij zoet, maar in
1118 41, 1 | 1 O dood, hoe bitter is de gedachtenis van u, voor
1119 41, 4 | en zichzelf mistrouwt, en de lijdzaamheid verloren heeft.~
1120 41, 5 | oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.~
1121 41, 6 | weigerend zijn in hetgeen de Allerhoogste wel behaagt?~
1122 41, 8 | gruwelijke kinderen, en die in de gebuurschappen der goddelozen
1123 41, 9 | 9 Het erfdeel van de kinderen der zondaars vergaat,
1124 41, 11| goddeloze mannen, gij die de wet des Allerhoogsten verlaten
1125 41, 12| gij sterft, zo wordt gij de vloek tot een deel.~
1126 41, 13| 13 Al wat uit de aarde is, zal weder in de
1127 41, 13| de aarde is, zal weder in de aarde keren; gelijk gaan
1128 41, 13| aarde keren; gelijk gaan de goddelozen naar het verderf.~
1129 41, 14| 14 De mensen dragen rouw vanwege
1130 41, 14| vanwege hun lichamen, doch de boze naam der mensen zal
1131 41, 17| 17 Mijn kinderen, bewaart de tucht in vrede.~
1132 41, 18| 18 De wijsheid, die verborgen
1133 41, 21| vorst en machtige vanwege de leugen;~
1134 41, 23| ongerechtigheid, en voor de plaats, waar gij als vreemdeling
1135 41, 24| waarheid en verbond; en met de elleboog te liggen op het
1136 42, 2 | 2 Vanwege de wet des Allerhoogsten en
1137 42, 3 | u over weg reizen; noch de vrienden hun erfdeel te
1138 42, 4 | niet, dat gij nauw let op de waag en het gewicht; noch
1139 42, 5 | 5 Noch dat gij aan de kooplieden verscheidenlijk
1140 42, 5 | verscheidenlijk verkoopt, en dat gij de kinderen wel tuchtigt;~
1141 42, 9 | een geheel oude, die met de jonge lieden twist;~
1142 42, 11| zijn zorg voor haar beneemt de slaap.~
1143 42, 14| vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke en het
1144 42, 14| naroepe, en zij u beschame in de menigte van lieden.~
1145 42, 15| 15 Zie niet op de schoonheid van enig mens,
1146 42, 16| 16 Want van de klederen komt de mot voort,
1147 42, 16| Want van de klederen komt de mot voort, en van de vrouw
1148 42, 16| komt de mot voort, en van de vrouw de boosheid der vrouw.~
1149 42, 16| mot voort, en van de vrouw de boosheid der vrouw.~
1150 42, 17| 17 De boosheid van een man is
1151 42, 18| 18 Nu zal ik gedenken de werken des Heren, en hetgeen
1152 42, 18| heb zal ik vertellen: in de woorden des Heren ziet men
1153 42, 19| 19 De zon verlichtende ziet op
1154 42, 19| en haar werk is vol van de heerlijkheid des Heren.~
1155 42, 20| 20 De Here heeft zijn heiligen
1156 42, 21| 21 De Here, de Almachtige heeft
1157 42, 21| 21 De Here, de Almachtige heeft de gehele
1158 42, 21| Here, de Almachtige heeft de gehele wereld gevestigd,
1159 42, 22| 22 De afgrond en het hart onderzoekt
1160 42, 22| onderzoekt hij, en is bedacht op de boze aanslagen derzelve.~
1161 42, 23| 23 Want de Allerhoogste kent alle wetenschap,
1162 42, 23| alle wetenschap, en ziet op de tekenen der eeuw.~
1163 42, 24| 24 Hij verkondigt de dingen die voorbijgegaan
1164 42, 24| worden zullen, en hij ontdekt de voetstappen der verborgen
1165 42, 26| 26 Hij heeft de heerlijke werken door zijn
1166 42, 26| versierd; hij die is vóór de wereld en in der eeuwigheid.~
1167 42, 31| verzadigd worden aanschouwende de heerlijkheid Gods?~ ~
1168 43, 1 | is een roem der hoogte; de gedaante des hemels is heerlijk
1169 43, 2 | 2 De zon wanneer men haar aanschouwt,
1170 43, 3 | 3 Als zij op de middag is, verdroogt zij
1171 43, 4 | tot werken der hitte, maar de zon verhit driemaal meer;
1172 43, 4 | verhit driemaal meer; die de bergen aansteekt, en vurige
1173 43, 4 | glinsteren van haar stralen de ogen verduistert.~
1174 43, 5 | 5 De Here is groot, die ze gemaakt
1175 43, 6 | 6 Ook heeft hij de maan gemaakt, dat zij staan
1176 43, 7 | 7 Van de maan heeft men een teken
1177 43, 8 | 8 De maand heeft haar naam naar
1178 43, 9 | hetwelk legerplaats heeft in de hoogte, schijnende in het
1179 43, 10| 10 De schoonheid des hemels is
1180 43, 10| een sieraad lichtende in de hoogste plaatsen des Heren.~
1181 43, 11| 11 Door de woorden van de heilige worden
1182 43, 11| 11 Door de woorden van de heilige worden zij gesteld
1183 43, 12| 12 Zie de regenboog, en loof hem die
1184 43, 13| 13 Hij omvat de hemel met een heerlijke
1185 43, 13| met een heerlijke kring, de handen des Allerhoogsten
1186 43, 14| Door zijn bevel doet hij de sneeuw ophouden, en verhaast
1187 43, 14| sneeuw ophouden, en verhaast de bliksem zijns oordeels.~
1188 43, 15| 15 Daarom worden de schatten geopend, en de
1189 43, 15| de schatten geopend, en de wolken vliegen uit, gelijk
1190 43, 15| wolken vliegen uit, gelijk de vogelen.~
1191 43, 16| heerlijkheid versterkt hij de wolken, en de hagelstenen
1192 43, 16| versterkt hij de wolken, en de hagelstenen worden verbroken.~
1193 43, 17| 17 De stem van zijn donder brengt
1194 43, 17| stem van zijn donder brengt de aarde in barensnood, en
1195 43, 17| zijn aanschouwen worden de bergen bewogen.~
1196 43, 18| 18 Door zijn wil blaast de zuidenwind, en de buiige
1197 43, 18| blaast de zuidenwind, en de buiige noorden wind, en
1198 43, 18| buiige noorden wind, en de wervelwind.~
1199 43, 19| 19 Hij verspreidt de sneeuw gelijk vogelen, die
1200 43, 19| vliegen, en ze daalt af gelijk de sprinkhanen, die zich neder
1201 43, 20| Het oog is verwonderd over de schoonheid van haar witheid,
1202 43, 21| 21 En hij giet de rijm op de aarde gelijk
1203 43, 21| 21 En hij giet de rijm op de aarde gelijk zout, welke
1204 43, 21| bevroren zijnde wordt gelijk de punten der palen.~
1205 43, 22| 22 Wanneer de koude noordenwind blaast,
1206 43, 23| 23 Hij verteert de bergen en verbrandt de woestijn,
1207 43, 23| verteert de bergen en verbrandt de woestijn, en blust het groene
1208 43, 24| genezing van al deze dingen is de nevel, de dauw die door
1209 43, 24| deze dingen is de nevel, de dauw die door de hitte ontstaat,
1210 43, 24| nevel, de dauw die door de hitte ontstaat, verblijdt
1211 43, 25| 25 Door de raad des Heren staat de
1212 43, 25| de raad des Heren staat de afgrond stil, en die heeft
1213 43, 26| 26 Die de zee bevaren vertellen het
1214 43, 31| 31 Verschrikkelijk is de Here, en zeer groot, en
1215 43, 32| 32 Verheerlijkt de Here en verhoogt hem zoveel
1216 43, 36| 36 Want de Here heeft alle dingen gemaakt,
1217 43, 36| dingen gemaakt, en heeft de god vrezende wijsheid gegeven.~ ~
1218 44, 1 | 1 LAAT ons nu de heerlijke mannen prijzen,
1219 44, 2 | 2 De Here heeft door hen voor
1220 44, 2 | eer teweeg gebracht van de eeuwen af.~
1221 44, 5 | Leiders van het volk in de raadslagen, en in het verstand
1222 44, 12| hun nakomelingen zijn in de verbonden.~
1223 44, 13| 13 Hun zaad is in de verbonden, en hun kinderen
1224 44, 16| 16 De volken zullen hun wijsheid
1225 44, 16| hun wijsheid vertellen, en de gemeente zal hun lof verkondigen.~
1226 44, 17| 17 Henoch behaagde God de Here, en werd weggenomen,
1227 44, 18| bevonden en rechtvaardig, in de tijd des toorns geschiedde
1228 44, 19| 19 Daarom geschiedde de zondvloed, en eeuwige verbonden
1229 44, 19| opdat niet alle vlees door de zond vloed zou verdelgd
1230 44, 20| zijn heerlijkheid, welke de wet des Allerhoogsten bewaard
1231 44, 21| 21 In zijn vlees heeft de Here het verbond opgericht,
1232 44, 21| verbond opgericht, en in de verzoeking werd hij getrouw
1233 44, 22| een eed beloofd, dat hij de vol ken zou zegenen in zijn
1234 44, 23| erfdeel zouden bezitten van de ene zee tot aan de andere,
1235 44, 23| bezitten van de ene zee tot aan de andere, en van de rivier
1236 44, 23| tot aan de andere, en van de rivier tot aan het uiterste
1237 44, 24| Abraham, zijns vaders wil, de zegen aller mensen, en het
1238 44, 26| gunst gevonden heeft in de ogen van alle vlees.~ ~
1239 45, 1 | NAMELIJK Mozes, door God en de mensen bemind, wiens gedachtenis
1240 45, 2 | gemaakt, en heeft hem door de vrees der vijanden groot
1241 45, 2 | door zijn woorden heeft hij de tekenen doen ophouden; en
1242 45, 6 | aangezicht bevelen gegeven, de wet des levens en der wetenschap;
1243 45, 7 | Aäron, zijn broeder, uit de stam van Levi, heeft hij
1244 45, 11| maken dat men horen kon in de tempel, en dat tot een gedachtenis
1245 45, 11| gedachtenis mocht dienen de kinderen van zijn volk.~
1246 45, 12| van een borduurwerker; met de lap van het gericht, openbare
1247 45, 14| een gouden kroon boven op de hoed, een uitgedrukt zegel
1248 45, 19| verbond, en zijn zaad zolang de hemel dagen zal hebben;
1249 45, 20| hij hem uitverkoren, om de Here offeranden toe te brengen;
1250 45, 21| bevelen gegeven, en macht in de inzet tingen der rechten,
1251 45, 22| en hebben hem benijd in de woestijn; mannen die het
1252 45, 22| Dathan en Abiram hielden, en de vergadering van Korach,
1253 45, 23| 23 Maar de Here zag het, en had geen
1254 45, 23| en zij zijn vernield in de grimmigheid van zijn toorn.~
1255 45, 25| hem een erfdeel gegeven, de eerstelingen der eerstgeborenen
1256 45, 26| verzadiging; want zij eten de slachtoffers des Heren,
1257 45, 28| 28 En Pinehas, de zoon van Eleazar, is de
1258 45, 28| de zoon van Eleazar, is de derde in heerlijk heid,
1259 45, 28| omdat hij had geijverd in de vreze des Heren.~
1260 45, 30| 30 Daarom heeft de Here met hem en zijn volk
1261 45, 30| en dat hij en zijn zaad de grote heerlijkheid des priesterdoms
1262 45, 31| met David, een zoon uit de stam van Juda het erfdeel
1263 45, 31| konings heeft, en komt van de ene zoon alleen tot de andere;
1264 45, 31| van de ene zoon alleen tot de andere; zo is het erfdeel
1265 46, 1 | 1 JOZUA de zoon van Nun, was sterk
1266 46, 1 | zoon van Nun, was sterk in de oorlog, en kwam in Mozes'
1267 46, 1 | kwam in Mozes' plaats in de profetieën.~
1268 46, 2 | werd, volgens zijn naam, in de verlossing zijner uitverkorenen;
1269 46, 2 | uitverkorenen; om wraak te doen aan de vijanden die tegen hen opstonden,
1270 46, 2 | om Israël te brengen tot de bezitting van zijn erfdeel.~
1271 46, 3 | ophief, en het zwaard tegen de steden uittrok?~
1272 46, 4 | dan hij zo gestaan? want de oorlogen des Heren heeft
1273 46, 5 | 5 En is de zon niet door zijn hand
1274 46, 6 | 6 Hij riep de Allerhoogste God aan als
1275 46, 6 | Allerhoogste God aan als hij de vijanden rondom onderdrukte,
1276 46, 6 | vijanden rondom onderdrukte, en de grote Here verhoorde hem,
1277 46, 7 | brak uit met oorlog tegen de volken, en in het afkomen
1278 46, 8 | 8 Opdat de volken al hun wapentuig
1279 46, 8 | namelijk zijn oorlog voor de Here was, want ook volgde
1280 46, 8 | was, want ook volgde hij de machtige na.~
1281 46, 9 | barmhartigheid, hij en Kaleb de zoon van Jefune, als zij
1282 46, 9 | zoon van Jefune, als zij de gemeente wederstonden, om
1283 46, 9 | niet zou zondigen en om de boze murmurering te stillen.~
1284 46, 11| 11 De Here gaf Kaleb sterkte,
1285 46, 12| 12 Opdat al de kinderen Israëls zouden
1286 46, 12| zouden zien, dat het goed is de Here na te volgen.~
1287 46, 13| 13 En de richters, elk met zijn naam,
1288 46, 13| niet zijn afgekeerd van de Here, hun gedachtenis is
1289 46, 14| verwisseling vernieuwd worde in de zonen van hun beroemde ouders.~
1290 46, 16| 16 Hij richtte de vergadering naar de wet
1291 46, 16| richtte de vergadering naar de wet des Heren, en de Here
1292 46, 16| naar de wet des Heren, en de Here bezocht Jakob.~
1293 46, 18| 18 En hij riep de Here, de machtige, aan,
1294 46, 18| 18 En hij riep de Here, de machtige, aan, als hem zijn
1295 46, 19| 19 En de Here donderde van de hemel;
1296 46, 19| En de Here donderde van de hemel; en maakte dat zijn
1297 46, 19| zijn stem gehoord werd door de grote weerklank des donders;~
1298 46, 20| 20 En verdelgde de vorsten der Tyriërs, en
1299 46, 21| ontsliep betuigde hij voor de Here, en zijn gezalfden,
1300 46, 22| profeteerde hij, en voorzeide de koning zijn einde, en verhief
1301 46, 22| en verhief zijn stem uit de aarde, met een profetie,
1302 46, 22| aarde, met een profetie, dat de ongerechtigheid des volks
1303 47, 1 | 1 NA deze stond Nathan, de profeet, op in de dagen
1304 47, 1 | Nathan, de profeet, op in de dagen van David.~
1305 47, 2 | is David afgezonderd uit de kinderen Israëls.~
1306 47, 4 | hij een reus om, en nam de versmaadheid uit het volk
1307 47, 5 | zijn hand ophief om met de steen des slingers de trots
1308 47, 5 | met de steen des slingers de trots van Goliath terneder
1309 47, 6 | 6 Want hij riep de Allerhoogste Here aan, en
1310 47, 6 | mens, die machtig, was in de oorlog, om de hoorn zijns
1311 47, 6 | machtig, was in de oorlog, om de hoorn zijns volks te ver
1312 47, 7 | zegeningen des Heren, als hem de kroon der heerlijk heid
1313 47, 8 | 8 Hij verdelgde de vijanden rondom, en bracht
1314 47, 8 | rondom, en bracht tot niet de Filistijnen die tegen hem
1315 47, 8 | tegen hem waren, tot op de huidige dag toe heeft hij
1316 47, 9 | wat hij deed gaf hij God, de heilige en Allerhoogste,
1317 47, 9 | heilige en Allerhoogste, de eer, met heerlijke woorden.~
1318 47, 12| 12 Hij heeft op de feesten ingesteld dingen
1319 47, 12| dingen die wel staan, en de bestemde tijden volkomen
1320 47, 13| 13 De Here heeft zijn zonden weggenomen,
1321 47, 13| verbond des koninkrijks, en de troon der heerlijkheid in
1322 47, 15| 15 Salomo regeerde in de tijd des vredes, en is beroemd
1323 47, 17| 17 Uw ziel heeft de ganse aarde bedekt, en met
1324 47, 18| Uw naam is verre tot in de eilanden gekomen, en gij
1325 47, 19| 19 De landschappen waren verwonderd
1326 47, 20| 20 In de naam des Heren, de God der
1327 47, 20| 20 In de naam des Heren, de God der ganse aarde, die
1328 47, 20| aarde, die bij genaamd wordt de God van Israël, bracht gij
1329 47, 20| hebt uw hart geneigd tot de vrouwen;~
1330 47, 22| vanwege uw dwaasheid, als de heerschappij in twee gescheurd
1331 47, 23| 23 Doch de Here verliet zijn barmhartigheid
1332 47, 24| 24 Hij delgde de nakomelingen van zijn uitverkorenen
1333 47, 26| 26 En Salomo rustte met de vaderen, en liet na van
1334 47, 27| 27 Toen kwam Jerobeäm, de zoon van Nebat, die maakte
1335 47, 28| werden van het land, totdat de toorn en wraak over hen
1336 48, 1 | 1 DAARNA stond Elia de profeet op gelijk een vuur,
1337 48, 3 | woord des Heren hield hij de hemel op, en deed driemaal
1338 48, 3 | en deed driemaal vuur uit de hemel nederkomen. Hoe zijt
1339 48, 5 | 5 Gij, die een dode uit de dood hebt opgewekt, en een
1340 48, 7 | die op Sinaï gehoord hebt de bestraffing des Heren, en
1341 48, 7 | bestraffing des Heren, en op Horeb de oordelen der wraak.~
1342 48, 10| zijner tijd, en te stillen de toorn van het grimmige oordeel
1343 48, 10| Heren; te keren het hart van de vader tot de zoon, en te
1344 48, 10| het hart van de vader tot de zoon, en te bestellen de
1345 48, 10| de zoon, en te bestellen de stammen van Jakob.~
1346 48, 13| en Elisa werd vervuld met de Heilige Geest; en in zijn
1347 48, 13| werd hij niet bewogen door de oversten, en niemand heeft
1348 48, 16| land, en verstrooid door de ganse aarde.~
1349 48, 18| enigen vermenigvuldigden de zonden.~
1350 48, 19| midden daarvan; hij groef de spitse rotssteen met ijzer,
1351 48, 21| en kregen weedom gelijk de barende vrouwen.~
1352 48, 22| 22 En zij riepen de Here, de ontfermer, aan,
1353 48, 22| 22 En zij riepen de Here, de ontfermer, aan, en breidden
1354 48, 23| 23 En de heilige uit de hemel verhoorde
1355 48, 23| 23 En de heilige uit de hemel verhoorde hen, en
1356 48, 23| hen, en verloste hen door de hand van Jesaja.~
1357 48, 25| 25 Want Hiskia deed wat de Here behaagde, en hield
1358 48, 25| behaagde, en hield vast aan de wegen van David, zijn vader,
1359 48, 26| 26 In zijn dagen ging de zon achterwaarts, en de
1360 48, 26| de zon achterwaarts, en de Here verlengde de koning
1361 48, 26| achterwaarts, en de Here verlengde de koning het leven.~
1362 48, 27| zag door een grote geest de laatste dingen, en troostte
1363 48, 28| 28 Hij wees aan de toekomende dingen tot in
1364 48, 28| dingen tot in eeuwigheid, en de verborgen dingen eer ze
1365 49, 1 | 1 DE gedachtenis van Josia, is
1366 49, 1 | reukwerk, toebereid door de kunst van de apotheker.~
1367 49, 1 | toebereid door de kunst van de apotheker.~
1368 49, 2 | 2 Zij is zoet in de mond van een ieder als honig,
1369 49, 3 | heeft zich recht gedragen in de bekering des volks, en heeft
1370 49, 3 | volks, en heeft weggenomen de gruwelen der ongerechtigheid.~
1371 49, 4 | Hij richtte zijn hart tot de Here; in de dagen der onrecht
1372 49, 4 | zijn hart tot de Here; in de dagen der onrecht vaardigen
1373 49, 4 | vaardigen versterkte bij de godvrezendheid.~
1374 49, 6 | 6 Want zij hebben de wet des Allerhoogsten verlaten;
1375 49, 6 | Allerhoogsten verlaten; de koningen van Juda zijn bezweken.~
1376 49, 8 | 8 Die hebben de uitverkoren, heilige stad
1377 49, 8 | wegen woest gemaakt door de hand van Jeremia.~
1378 49, 10| heerlijk gezicht zag, hetwelk de Here hem toonde in de wagen
1379 49, 10| hetwelk de Here hem toonde in de wagen der cherubim.~
1380 49, 11| 11 Want ook gedacht hij de vijanden in de plasregen,
1381 49, 11| gedacht hij de vijanden in de plasregen, en bracht terecht
1382 49, 12| 12 Ook de gedachtenis der twaalf profeten
1383 49, 13| gelijk een zegelring aan de rechterhand.~
1384 49, 14| 14 Alzo Jesua de zoon van Josadak, die in
1385 49, 14| weder hebben gebouwd, en de heilige tempel opgericht,
1386 49, 14| tempel opgericht, welke de Here werd toebereid tot
1387 49, 15| 15 Onder de uitverkorenen was ook Nehemia,
1388 49, 15| wordt verhaald, die ons de vervallen muren heeft opgericht,
1389 49, 15| muren heeft opgericht, en de poorten en richelen heeft
1390 49, 15| richelen heeft gesteld, en de vloe ren van onze huizen
1391 49, 16| want hij is opgenomen van de aarde.~
1392 49, 18| gebeenten zijn bezocht door de Here.~
1393 49, 19| verheerlijkt geweest onder de mensen, en Adam boven alles
1394 49, 19| en Adam boven alles in de schepping.~ ~
1395 50, 1 | 1 SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester,
1396 50, 1 | SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester, welke in zijn
1397 50, 2 | het fundament gelegd van de dubbele verheven hoogte,
1398 50, 2 | dubbele verheven hoogte, de hoge omgang des tempels.~
1399 50, 3 | 3 In zijn dagen waren de watervaten te klein, en
1400 50, 3 | gemaakt een metalen vat gelijk de zee, houdende driemaal zo
1401 50, 5 | 5 Gij hebt de stad sterk gemaakt en omgekeerd,
1402 50, 5 | verkeer met het volk, en door de uitgang uit het huis waar
1403 50, 6 | 6 Gij waart gelijk de morgenster in het midden
1404 50, 6 | midden der wolken, gelijk de maan als zij vol is op haar
1405 50, 6 | op haar tijd, en gelijk de regen boog de heerlijke
1406 50, 6 | en gelijk de regen boog de heerlijke wolken verlicht.~
1407 50, 7 | 7 Gelijk de zon uitschijnende op de
1408 50, 7 | de zon uitschijnende op de tempel des Allerhoogsten;
1409 50, 7 | des Allerhoogsten; gelijk de bloem der rozen in de tijd
1410 50, 7 | gelijk de bloem der rozen in de tijd der nieuwe bloemen;
1411 50, 7 | nieuwe bloemen; gelijk als de leliën aan de oorsprong
1412 50, 7 | gelijk als de leliën aan de oorsprong van het water;
1413 50, 7 | een spruit van Libanon in de dagen van de zomer;~
1414 50, 7 | Libanon in de dagen van de zomer;~
1415 50, 9 | een gouden vat, dat met de hamer dicht geslagen, en
1416 50, 10| die verhoogd is tot aan de wolken; als hij het kleed
1417 50, 10| heerlijkheid nam, en als hij de volmaakte roem aantrok.~
1418 50, 11| altaar verheerlijkte hij de heilige kleding.~
1419 50, 12| 12 En als hij de gedeelten der offeranden
1420 50, 12| gedeelten der offeranden uit de hand der priesters ontving,
1421 50, 12| ontving, zo stond hij zelf bij de haard van het altaar.~
1422 50, 13| spruiten van cederbomen op de Libanon, en omsingelden
1423 50, 13| van palmbomen; namelijk al de zonen van Aäron in hun heerlijkheid,
1424 50, 13| in hun heerlijkheid, en de offerande des Heren was
1425 50, 14| 14 En voleindigende de diensten op het altaar,
1426 50, 14| altaar, om te versieren de offerande des Allerhoogsten
1427 50, 15| hij zijn handen uit tot de offerbeker, en offerde van
1428 50, 16| 16 Uitgietende op de fundamenten van het altaar
1429 50, 16| een welriekende reuk voor de Allerhoogste, die koning
1430 50, 17| 17 Toen riepen de zonen van Aäron, met dun
1431 50, 17| tot een gedachtenis voor de Aller hoogste.~
1432 50, 18| ter aarde, om hun Here, de almachtige en Allerhoogste
1433 50, 19| 19 En de zangers prezen God met hun
1434 50, 20| 20 En het volk van de Here, des Allerhoogsten,
1435 50, 20| voor het aangezicht van de ontfermer, totdat vol eindigd
1436 50, 21| 21 Dan hief Simon, de Hogepriester, afklimmende,
1437 50, 21| afklimmende, zijn han den op over de ganse gemeente der kinderen
1438 50, 21| Israëls, om hun te geven de zegen des Heren met zijn
1439 50, 22| ten tweeden male aan, om de zegen van de Allerhoogste
1440 50, 22| male aan, om de zegen van de Allerhoogste te verkrijgen.~
1441 50, 23| 23 En nu dankt de God aller dingen, die alleen
1442 50, 24| in Israël, gelijk het in de dagen der vorige eeuw geweest
1443 50, 26| hun zitplaats hebben op de berg van Samaria, en lieden
1444 50, 27| 27 Jezus, de zoon van Sirach, van Jeruzalem
1445 50, 27| en der wetenschap; welke de wijsheid als een plasregen
1446 50, 29| voetstap is, en hij geeft de godvrezenden wijsheid.~
1447 50, 30| 30 Geprezen zij de Here in der eeuwigheid.
1448 51, 1 | 1 <<Een Gebed van Jezus, de zoon van Sirach>> IK zal
1449 51, 2 | en hebt mijn lichaam uit de verderfenis verlost;~
1450 51, 3 | 3 En van de strik der lasterende tong;
1451 51, 3 | der lasterende tong; van de lippen dergenen die leugens
1452 51, 4 | Gij hebt mij verlost naar de menigte der barmhartigheid
1453 51, 4 | barmhartigheid van uw naam, uit de tanden die bereid waren
1454 51, 5 | 5 Uit de hand dergenen die mijn ziel
1455 51, 5 | die mijn ziel zochten; uit de vele verdrukkingen, die
1456 51, 6 | 6 Van de verstikking des vuurs rondom;
1457 51, 7 | 7 Uit de diepte des buiks, en van
1458 51, 7 | diepte des buiks, en van de onreine tong, van het leugenachtige
1459 51, 7 | leugenachtige woord, door de lastering bij de koning,
1460 51, 7 | woord, door de lastering bij de koning, en van een onrechtvaardige
1461 51, 8 | 8 Mijn ziel was nabij de dood gekomen; en mijn leven
1462 51, 11| uithelpt, en hen verlost uit de hand der vijanden.~
1463 51, 12| 12 En heb van de aarde mijn ootmoedig gebed
1464 51, 12| gesmeekt om verlossing van de dood.~
1465 51, 13| 13 Ik riep de Here de vader mijns Heren
1466 51, 13| 13 Ik riep de Here de vader mijns Heren aan, dat
1467 51, 13| mij niet wilde verlaten in de dag der verdrukking, ten
1468 51, 13| als ik geen hulp had tegen de hovaardigen.~
1469 51, 15| verderf, en mij getrokken uit de boze tijd.~
1470 51, 17| eer dat ik dwaalde, heb ik de wijsheid openbaar gezocht
1471 51, 18| 18 Voor de tempel heb ik om haar gebeden,
1472 51, 26| mijn handen uitgerekt tot de hoogte, en mijn onwetendheden
1473 51, 30| 30 De Here heeft mij een tong
1474 51, 36| 36 Weest deelachtig de onderwijzing met een groot
1475 51, 37| ziel verheuge zich over de barmhartigheid des Heren,
1476 51, 38| 38 Werkt uw werk voor de tijd, en hij zal u te zijner
1-500 | 501-1000 | 1001-1476 |