Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
edele 2
eed 1
eedzweren 1
een 828
eén 1
één 1
eendracht 1
Frequency    [«  »]
-----
1650 en
1476 de
828 een
692 zijn
634 is
559 het

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

een

1-500 | 501-828

    Chapter, Verse
1 1, 10| roem, en vrolijkheid, en een kroon der verheuging.~ 2 1, 11| vrolijkheid en vreugde, en een lang leven.~ 3 1, 14| Bij de mensen heeft zij een eeuwig fundament gelegd, 4 1, 19| van het verstand uit als een plasregen en verhoogt de 5 1, 20| vrezen, en haar takken zijn een lang leven.~ 6 1, 22| 22 Een toornig man zal niet kunnen 7 1, 23| 23 Een lankmoedig man zal een tijdlang 8 1, 23| 23 Een lankmoedig man zal een tijdlang verdragen, en ten 9 1, 24| 24 Hij zal zijn woorden een tijdlang verbergen, maar 10 1, 25| godsdienstigheid is de zondaar een gruwel.~ 11 1, 28| en ga niet tot hem met een dubbel hart.~ 12 2, 13| 13 Want de Here is een ontfermer en barmhartige, 13 2, 15| 15 Wee een slap hart, omdat het niet 14 3, 12| de eer zijns vaders, en een moeder die in oneer is, 15 3, 12| oneer is, die is de kinderen een verwijt.~ 16 3, 18| vader verlaat, die is gelijk een godslasteraar, en wie zijn 17 3, 27| 27 Een hard hart zal op het laatste 18 3, 28| 28 Een hard hart zal bezwaard worden 19 3, 29| ontworteld worden, want een plant der boosheid is in 20 3, 32| in de tijd van zijn val een steunsel vinden.~ ~ 21 4, 3 | 3 Ontroer een verstoord hart niet verder, 22 4, 7 | en verneder uw hoofd voor een machtige.~ 23 4, 10| 10 Wees de wezen als een vader, en hun moeder in 24 4, 10| hun moeder in plaats van een man.~ 25 4, 11| En gij zult zijn gelijk een zoon des Allerhoogsten, 26 4, 20| wederom tot hem keren door een rechte weg en hem verheugen;~ 27 4, 25| 25 Want daar is een beschaamdheid, die zonde 28 4, 25| zonde aanbrengt, en daar is een beschaamdheid, die eer en 29 4, 35| 35 Zijt niet als een leeuw in uw huis, en onder 30 4, 35| onder uw huisknechten als een die met verbeelding gekweld 31 5, 13| in oprechtheid, en geef een recht antwoord met lankmoedigheid.~ 32 5, 17| 17 Want een bezwaarlijke schaamte komt 33 5, 17| bezwaarlijke schaamte komt over een dief, en een schadelijke 34 5, 17| schaamte komt over een dief, en een schadelijke verdoemenis 35 6, 1 | geen vijand in plaats van een vriend, want zulk een zal 36 6, 1 | van een vriend, want zulk een zal een boze naam, schaamte 37 6, 1 | vriend, want zulk een zal een boze naam, schaamte en verwijt 38 6, 2 | opdat uw ziel niet gelijk een stier herwaarts en derwaarts 39 6, 3 | verderven, en uzelf laten als een dorre boom.~ 40 6, 4 | 4 Een boze ziel zal verderven 41 6, 5 | 5 Een zoete keel vermenigvuldigt 42 6, 5 | vermenigvuldigt haar vrienden, en een welsprekende tong vermenigvuldigt 43 6, 6 | vrede leven, doch heb maar een van duizenden die uw raadgever 44 6, 7 | 7 Zo gij een vriend wilt verkrijgen, 45 6, 9 | vriend die veranderd wordt in een vijand, en die u in het 46 6, 14| 14 Een getrouw vriend is een sterke 47 6, 14| 14 Een getrouw vriend is een sterke bescherming, en wie 48 6, 14| gevonden heeft, die heeft een schat gevonden.~ 49 6, 15| geen verwisseling tegen een getrouwe vriend, en daar 50 6, 16| 16 Een getrouw vriend is een medicijn 51 6, 16| 16 Een getrouw vriend is een medicijn des levens, en 52 6, 20| haar werking zult gij wel een weinig vermoeid worden, 53 6, 22| 22 Zij is bij hem gelijk een harde steen der beproeving, 54 6, 30| boeien zullen u zijn tot een sterke bescherming, en haar 55 6, 30| en haar halsijzers tot een heerlijke tabberd.~ 56 6, 31| 31 Want een gulden versiersel is op 57 6, 31| haar, en haar banden zijn een hyacinten draad.~ 58 6, 32| zult haar aantrekken als een heerlijke tabberd en zult 59 6, 32| haar uzelf opzetten als een kroon der vrolijkheid.~ 60 6, 36| 36 Indien gij een verstandig man ziet, zo 61 7, 6 | 6 Zoek niet een rechter te worden, want 62 7, 6 | des machtigen vreest, en een aanstoot legt in uw rechte 63 7, 8 | 8 Bind een zonde niet tweemaal aan, 64 7, 8 | tweemaal aan, want zelfs in een zult gij niet onschuldig 65 7, 11| zijner ziel is, want daar is een die vernedert en verhoogt.~ 66 7, 18| het zij wat het wil, noch een oprechte broeder om goud 67 7, 19| Het ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw, want 68 7, 21| 21 Laat uw ziel een verstandige huisknecht liefhebben, 69 7, 25| dochter uit, en gij zult een groot werk volbracht hebben; 70 7, 25| hebben; en geef haar aan een verstandig man.~ 71 7, 26| 26 Hebt gij een vrouw naar uw hart, werp 72 7, 26| uit, en geef u zelf aan een gehate niet over.~ 73 7, 35| bij alle levenden, en aan een dode verhinder de weldadigheid 74 8, 2 | 2 Twist niet met een rijk mens, opdat hij u misschien 75 8, 4 | 4 Strijd niet met een klapachtig mens, en hoop 76 8, 5 | 5 Scherts niet met een ongeschikte, opdat uw voorouders 77 8, 15| zult hebben, zo zijt als een die het verloren hebt.~ 78 8, 18| 18 Wandel niet met een stoute, opdat hij u niet 79 8, 19| 19 Verwek geen strijd met een toornige, en ga niet met 80 8, 20| 20 Beraad u niet met een dwaas, want hij zal geen 81 8, 21| Doe niets heimelijks voor een vreemde, want gij weet niet 82 9, 4 | 4 Ga niet om met een snarenspeelster, dat gij 83 9, 5 | 5 Aanschouw een maagd niet te zeer, dat 84 9, 8 | 8 Wend uw oog af van een schone vrouw, en beschouw 85 9, 9 | deze wordt de liefde als een vuur aangestoken, en leg 86 9, 10| 10 Bij een getrouwde vrouw zit geheel 87 9, 12| 12 Verlaat een oude vriend niet, want de 88 9, 13| 13 Een nieuwe vriend is gelijk 89 9, 21| hand der kunstenaren zal een werk geprezen worden, en 90 9, 21| werk geprezen worden, en een wijs voorganger des volks, 91 9, 22| 22 Een klapachtig man is verschrikkelijk 92 10, 1 | 1 EEN wijs rechter onderwijst 93 10, 3 | 3 Een koning, die niet onderwezen 94 10, 3 | zijn volk verderven, maar een stad zal door verstand der 95 10, 4 | tijd over haar verwekken een, die nuttig is.~ 96 10, 8 | 8 Een koninkrijk wordt van het 97 10, 9 | niets onrechtvaardiger dan een geldgierige.~ 98 10, 11| De medicijnmeester houdt een lange ziekte af, en heden 99 10, 12| 12 Want wanneer een mens sterft, zo beërft hij 100 10, 13| hovaardigheid is, wanneer een mens van de Here afwijkt, 101 10, 14| 14 Want hovaardigheid is een beginsel der zonde, en die 102 10, 22| Die de Here vrezen zijn een gewis zaad, en die Hem liefhebben 103 10, 22| zaad, en die Hem liefhebben een kostelijke plant; daarentegen 104 10, 22| de wet niet achten, zijn een schandelijk zaad; die de 105 10, 22| die de geboden overtreden een afdwalend zaad.~ 106 10, 24| 24 De vreze des Heren is een heerschappij ook voor het 107 10, 24| hardigheid en hovaardigheid is een wegwerping der heer schappij.~ 108 10, 26| Het is niet recht dat men een arme onteert die verstandig 109 10, 26| het betaamt niet dat men een zondaar eert.~ 110 10, 28| 28 Een verstandige huisknecht zullen 111 10, 28| zullen de vrijen dienen; en een man van wetenschap zal niet 112 10, 33| 33 Een arme wordt verheerlijkt 113 10, 33| vanwege zijn wetenschap, en een rijke wordt verheerlijkt 114 11, 9 | 9 Twist niet om een zaak die u niet aangaat; 115 11, 22| licht, snel en onvoorziens een arme rijk te maken.~ 116 11, 23| van de godvrezende; en in een korte tijd doet hij zijn 117 11, 28| 28 Een kwaad uur maakt dat men 118 11, 29| aan zijn kinderen wordt een man gekend.~ 119 11, 30| 30 Leid niet een ieder in uw huis, want de 120 11, 31| 31 Gelijk een gevangen veldhoen in een 121 11, 31| een gevangen veldhoen in een kooi, alzo is het hart des 122 11, 31| des hovaardigen, en gelijk een bespieden die daarover komt 123 11, 32| uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen.~ 124 11, 33| 33 Van een kleine vonk wordt de gloeiende 125 11, 33| kool vermenigvuldigd, en een mens die een zondaar is 126 11, 33| vermenigvuldigd, en een mens die een zondaar is loert op bloed.~ 127 11, 34| 34 Wacht u voor een boosdoener, want hij smeedt 128 11, 34| hij u niet te eniger tijd een eeuwige schandvlek geve.~ 129 11, 35| 35 Laat een vreemde in uw huis wonen, 130 12, 11| gij zult hem zijn als die een spiegel heeft afgeveegd, 131 12, 13| zal zich ontfermen over een bezweerder, die van een 132 12, 13| een bezweerder, die van een slang gebeten is? en over 133 12, 13| hem die zich ophoudt bij een zondaar, en zich vermengt 134 12, 14| 14 Hij zal een uur bij u blijven in een 135 12, 14| een uur bij u blijven in een gerechte staat, en indien 136 12, 15| hij beraadslagen om u in een gracht te werpen.~ 137 12, 17| uzelf, en zich stellende als een mens die helpen wil, zal 138 13, 3 | gemeenschap zal de aarden pot met een ketel hebben? deze zal daaraan 139 13, 4 | 4 Een rijke doet onrecht, en men 140 13, 4 | onrecht, en men smeekt hem; een arme doet onrecht, en hij 141 13, 11| 11 Als u een machtig heer tot zich nodigt, 142 13, 19| zich naar zijn geslacht, en een man hangt zijns gelijke 143 13, 20| 20 Wat gemeenschap zal een wolf hebben met een lam? 144 13, 20| zal een wolf hebben met een lam? zo is een zondaar tegen 145 13, 20| hebben met een lam? zo is een zondaar tegen degene, die 146 13, 21| 21 Wat vrede zal een hyëna hebben met een hond? 147 13, 21| zal een hyëna hebben met een hond? en wat vrede zal een 148 13, 21| een hond? en wat vrede zal een rijke hebben met een arme?~ 149 13, 21| zal een rijke hebben met een arme?~ 150 13, 23| ook de arme voor de rijke een gruwel.~ 151 13, 24| 24 Wanneer een rijke bewogen wordt, zo 152 13, 24| onderstut; maar wanneer een arme valt, zo wordt hij 153 13, 25| 25 Wanneer een rijke struikelt, zo heeft 154 13, 26| 26 Een nederige struikelt, en men 155 13, 30| ten goede of ten kwade, en een hart in genoegen groenende 156 13, 30| genoegen groenende maakt een vrolijk aangezicht.~ 157 13, 31| 31 Een groenend aangezicht is een 158 13, 31| Een groenend aangezicht is een teken van een hart dat wel 159 13, 31| aangezicht is een teken van een hart dat wel gesteld is, 160 14, 3 | wel, en waartoe dient geld een nijdig mens?~ 161 14, 6 | wangunstig is, en dat is een vergelding zijner boosheid.~ 162 14, 8 | 8 Het is een boos mens, die met het oog 163 14, 10| 10 Een boos oog is nijdig over 164 14, 15| Zult gij niet uw arbeid een ander moeten nalaten? en 165 14, 18| Alle vlees veroudert gelijk een kleed, want het verbond 166 14, 19| 19 Gelijk een groenend blad op een dichte 167 14, 19| Gelijk een groenend blad op een dichte boom; enige werpt 168 14, 22| ga uit achter haar gelijk een naspeurder, en loer op haar 169 14, 25| 25 Zal herberg hebben in een herberg vol goeds, en zal 170 15, 2 | 2 En gelijk een moeder zal zij hem tegemoet 171 15, 2 | tegemoet gaan, en gelijk een vrouw die hij als zij maagd 172 15, 6 | 6 Hij zal vrolijkheid en een kroon der verheuging vinden, 173 15, 6 | verheuging vinden, en zij zal hem een eeuwige naam doen beërven.~ 174 16, 1 | 1 VERLANG niet naar een onnutte menigte van kinderen, 175 16, 5 | 5 Want van een verstandige zal een stad 176 16, 5 | van een verstandige zal een stad met inwoners bezet 177 16, 7 | vergadering der zondaren zal een vuur aangestoken worden, 178 16, 7 | ontstoken geweest onder een ongehoorzaam volk.~ 179 16, 9 | Lot woonde; aan welke hij een gruwel had, vanwege hun 180 16, 11| slaande, genezende; indien dan een hardnekkige zou zijn onder 181 16, 11| onder het volk, het ware een wonder dat die ongestraft 182 16, 12| toorn is bij hem; hij is een machtig Here, die haastig 183 16, 13| zijn kastijding; hij zal een ieder oordelen naar zijn 184 16, 15| allerlei aalmoezen, want een ieder zal vinden naar zijn 185 16, 15| heeft hij onderscheiden met een diamantsteen.~ 186 16, 17| 17 Onder een groot volk zal men aan mij 187 16, 21| bedenken? zij zijn gelijk een storm wind, welke de mens 188 16, 23| overlegt deze dingen, maar een dwaas man, verdwaald zijnde, 189 16, 27| zweken van zijn werken, niet een heeft zijn naaste verdrukt;~ 190 17, 2 | 2 Hij heeft hun een getal van dagen, en een 191 17, 2 | een getal van dagen, en een bestemde tijd gegeven, en 192 17, 5 | zevende, de spraak, welke is een uitlegging zijner werken.~ 193 17, 6 | tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; met 194 17, 9 | hun de wet des levens tot een erfdeel gegeven, opdat zij 195 17, 10| 10 Een eeuwig verbond heeft hij 196 17, 12| hun geboden gegeven, elk een van zijn naaste.~ 197 17, 14| heeft bij over elk volk een overste gesteld, maar Israël 198 17, 17| barmhartigheid tegen de man is gelijk een zegel bij hem, en zal de 199 17, 20| geleiden uit de duisternis in een verlichting der gezondheid.~ 200 17, 23| 23 Van een dode, als die van een die 201 17, 23| Van een dode, als die van een die niet meer is, gaat de 202 18, 2 | gehoorzaam. Want hij is een koning aller dingen door 203 18, 8 | maar het ontslapen van een ieder kan van niemand berekend 204 18, 9 | 9 Gelijk een droppel water is te rekenen 205 18, 9 | het water van de zee, en een greintje zand tegen het 206 18, 13| leert, en bekeert gelijk een herder zijn kudde.~ 207 18, 16| hitte doen ophouden? zo is een woord beter dan een gave.~ 208 18, 16| zo is een woord beter dan een gave.~ 209 18, 17| 17 Zie, is een woord niet boven een goed 210 18, 17| is een woord niet boven een goed geschenk? en beide 211 18, 18| 18 Een zot verwijt zijn weldaad 212 18, 18| onbeleefd, en de gift van een nijdig mens doet hem de 213 18, 23| doet, en wees niet gelijk een die de Here verzoekt.~ 214 18, 26| zijn haastig voor de Here. Een wijs mens vreest altijd, 215 18, 26| voor mishandeling, maar een dwaas zal de tijd niet waarnemen.~ 216 18, 27| 27 Een ieder die verstandig is 217 18, 29| wijs; en gieten uit, als een regen, scherpzinnige spreuken 218 18, 31| vijanden die u benijden een vreugde maken.~ 219 18, 33| beurs, want anders zult gij een verspieder zijn van uw eigen 220 19, 1 | 1 EEN arbeider, die een dronkaard 221 19, 1 | 1 EEN arbeider, die een dronkaard is, zal niet rijk 222 19, 3 | en hij zal uitdrogen tot een zeer schandelijk voorbeeld.~ 223 19, 7 | 7 Herhaal een rede nimmermeer, en het 224 19, 11| 11 Een dwaas zal smarten lijden 225 19, 11| zal smarten lijden vanwege een woord, gelijkerwijs een 226 19, 11| een woord, gelijkerwijs een barende vrouw vanwege het 227 19, 12| 12 Gelijk een pijl, die in de heup van 228 19, 12| vlees vaststeekt, zo is een woord in de buik van een 229 19, 12| een woord in de buik van een dwaas.~ 230 19, 16| geloven; menigeen struikelt in een woord en niet van harte, 231 19, 18| 18 De vreze des Heren is een beginsel der aanneming, 232 19, 19| kennis zijner almogendheid. Een huisknecht zeggende tot 233 19, 21| Daar is boosheid en die is een gruwel, en daar is een onverstandige, 234 19, 21| is een gruwel, en daar is een onverstandige, die het aan 235 19, 23| 23 Daar is een vlijtige arglistigheid, 236 19, 27| 27 Een mens wordt aan het gezicht 237 19, 27| aan het gezicht gekend, en een verstandige wordt aan de 238 19, 28| verkondigen wat hij voor een is.~ 239 19, 29| 29 Daar is een bestraffing die ontijdig 240 19, 29| ontijdig is, en daar is een die zwijgt, en hij is wijs.~ ~ 241 20, 2 | 2 Gelijk de lust van een gesnedene is om een jonge 242 20, 2 | van een gesnedene is om een jonge dochter te onteren, 243 20, 3 | wordt bevonden, en menig een is er die gehaat wordt vanwege 244 20, 5 | 5 Een wijs mens zal zwijgen totdat 245 20, 5 | het gelegen tijd is, maar een pocher en onwijze gaat de 246 20, 6 | heeft, van die heeft men een gruwel, en die zichzelf 247 20, 8 | 8 De zondaar heeft een welbehagen in boze dingen, 248 20, 13| 13 De gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen 249 20, 13| zijn, en desgelijks ook van een nijdige, vanwege zijn behoeftigheid, 250 20, 13| zijn ogen zien, om voor een veel te ontvangen.~ 251 20, 14| zijn mond open doen als een uitroeper.~ 252 20, 16| 16 Een dwaas zal zeggen: Ik heb 253 20, 18| 18 Het is beter op een vloer te vallen dan door 254 20, 18| vloer te vallen dan door een tong; zo zal de val der 255 20, 19| 19 Een onaangenaam mens is als 256 20, 19| onaangenaam mens is als een ontijdige klucht, in de 257 20, 20| 20 Een spreuk komende uit de mond 258 20, 23| schaamte, en krijgt hem tot een vijand zonder oorzaak.~ 259 20, 24| 24 De leugen is een lelijke schandvlek in een 260 20, 24| een lelijke schandvlek in een mens, en in de mond der 261 20, 25| 25 Een dief is te kiezen voor een 262 20, 25| Een dief is te kiezen voor een die steeds liegt, maar beiden 263 20, 26| 26 De manieren van een leugenachtig mens zijn hem 264 20, 26| leugenachtig mens zijn hem een oneer, en zijn schande is 265 20, 27| 27 Een wijze bevordert zichzelf 266 20, 27| zichzelf door woorden, en een voorzichtig mens behaagt 267 20, 29| ogen der wijzen, en gelijk een toom in de mond, keren zij 268 20, 30| Wijsheid die verborgen is, en een schat die niet bekend is, 269 20, 31| 31 Een mens die zijn dwaasheid 270 20, 31| dwaasheid verbergt, is beter dan een mens die zijn wijsheid verbergt; 271 20, 31| wijsheid verbergt; beter is een onvermijdelijke verdraagzaamheid 272 20, 31| Here zoekt, dan zonder Here een bestuurder te zijn van zijn 273 21, 2 | voor de zonde gelijk voor een slang, want indien gij tot 274 21, 4 | ongerechtigheid is gelijk een tweesnijdend zwaard, en 275 21, 8 | is van verre bekend, maar een verstandige merkt wel wanneer 276 21, 9 | lieden bouwt, die is gelijk een die voor zichzelf stenen 277 21, 9 | zichzelf stenen vergadert tot een tombe op zijn graf.~ 278 21, 10| is, en haar voleinding is een vlam vuurs tot verderf.~ 279 21, 14| onderwezen worden, hoewel er een kloekheid is die bitterheid 280 21, 15| 15 De kennis van een wijze zal vermeerderd worden 281 21, 15| zal vermeerderd worden als een watervloed, en zijn raad 282 21, 15| watervloed, en zijn raad gelijk een zuivere fontein des levens.~ 283 21, 16| binnenste van de dwaas is gelijk een gebroken vat, het zal geen 284 21, 17| 17 Indien de verstandige een wijs woord hoort, zo prijst 285 21, 18| 18 Heeft het een onverstandige gehoord, zo 286 21, 19| 19 De vertelling van een dwaas is gelijk een last 287 21, 19| van een dwaas is gelijk een last op de weg, maar op 288 21, 21| 21 Gelijk een huis dat vergaan is, zo 289 21, 23| 23 Een dwaas verheft zijn stem 290 21, 23| stem in het lachen, maar een kloek man zal nauwelijks 291 21, 24| voorzichtige man gelijk een gulden versiersel, en gelijk 292 21, 24| gulden versiersel, en gelijk een armband aan de rechterarm.~ 293 21, 25| de dwaas is haastig tot een huis in te gaan, maar een 294 21, 25| een huis in te gaan, maar een mens, die veel ervaren heeft, 295 21, 26| in het huis kijken, maar een man die wel opgevoed is, 296 21, 27| 27 Het is een ongeschiktheid des mensen 297 21, 27| luisteren aan de deur, maar een voorzichtige bezwaart zich 298 21, 30| 30 Wanneer een goddeloze de Satan vervloekt, 299 21, 31| 31 Een oorblazer besmet zijn eigen 300 22, 1 | luiaard is te vergelijken bij een beslijkte steen, en een 301 22, 1 | een beslijkte steen, en een ieder schuift hem weg om 302 22, 2 | 2 Een luie is gelijk koedrek op 303 22, 3 | vaders schande wanneer hij een ongeschikte zoon gewonnen 304 22, 3 | gewonnen heeft, en zulk een dochter wordt hem tot verkleining.~ 305 22, 4 | 4 Een voorzichtige dochter zal 306 22, 4 | zijn van haar man, maar een die beschaamd maakt, is 307 22, 5 | 5 Een stoute dochter maakt vader 308 22, 6 | 6 Een ontijdig verhaal is gelijk 309 22, 6 | tuchtiging ter rechter tijd is een werk van wijsheid.~ 310 22, 7 | 7 Kinderen, die in een goed leven worden opgevoed, 311 22, 8 | 8 Wie een dwaas leert, die lijmt scherven 312 22, 8 | en wekt de slapende uit een diepe slaap.~ 313 22, 9 | 9 Wie een dwaas wat vertelt, die vertelt 314 22, 9 | vertelt, die vertelt het een sluimerende, en in het einde 315 22, 10| 10 Ween over een dode, want het licht heeft 316 22, 10| hem begeven. Beween ook een dwaas, want het verstand 317 22, 11| 11 Ween over een dode zachter, dewijl hij 318 22, 12| 12 Want het leven van een dwaas is boven de dood.~ 319 22, 13| 13 De rouw over een dode duurt zeven dagen, 320 22, 13| duurt zeven dagen, maar over een dwaas en goddeloze al de 321 22, 14| 14 Spreek niet lang met een onwijze, en ga niet tot 322 22, 14| onwijze, en ga niet tot een onverstandige, want ongevoelig 323 22, 18| 18 Zand en zout en een klomp ijzer zijn lichter 324 22, 18| lichter om te dragen, dan een onverstandig mens.~ 325 22, 19| 19 Gelijk een houten band, vast ingebonden 326 22, 19| band, vast ingebonden in een ge bouw, niet los gaat door 327 22, 19| bouw, niet los gaat door een schudding, zo wordt een 328 22, 19| een schudding, zo wordt een hart steunende op welbedachte 329 22, 20| 20 Een hart dat op verstandige 330 22, 20| gevestigd is, is gelijk een versierd pleisterwerk aan 331 22, 20| pleisterwerk aan de muur van een pand.~ 332 22, 22| 22 Zo kan een bevreesd hart in de gedachte 333 22, 23| 23 Wie in een oog steekt, brengt daar 334 22, 24| 24 Wie een steen onder de vogelen werpt, 335 22, 26| want om deze dingen vliedt een iegelijk vriend weg.~ 336 22, 30| 30 Een vriend te beschermen zal 337 22, 30| overkomt om zijnentwil, een iegelijk die het hoort zal 338 22, 31| 31 Wie zal mij een wacht aan mijn mond stellen, 339 22, 31| aan mijn mond stellen, en een scherpzinnig zegel op mijn 340 23, 2 | bestellen over mijn gedachte, en een onderrichting der wijsheid 341 23, 4 | verheffing der ogen, en wend een stout gemoed altijd van 342 23, 5 | uw knecht, niet over aan een onbeschaamd gemoed.~ 343 23, 6 | kinderen, de onderwijzing van een waarachtige mond, en wie 344 23, 7 | onvoorzichtigheid gevat worden, en een schimper en hovaardige zullen 345 23, 9 | 9 Want gelijkerwijs een huisknecht, die steeds met 346 23, 10| 10 Een man die veel zweert, is 347 23, 13| 13 Het is een wijze van spreken rondom 348 23, 18| 18 Een mens die gewend is tot scheldwoorden, 349 23, 20| 20 Een hittige ziel is gelijk een 350 23, 20| Een hittige ziel is gelijk een brandend vuur; het wordt 351 23, 21| 21 Een hoereerder, die met het 352 23, 21| bedrijft, rust niet totdat hij een vuur ontstoken heeft.~ 353 23, 22| 22 Een hoereerder is allerlei brood 354 23, 23| 23 Een mens die aftreedt van zijn 355 23, 29| 29 Desgelijks ook een vrouw, die haar man verlaat, 356 23, 29| die haar man verlaat, en een erve van een ander bekomt.~ 357 23, 29| verlaat, en een erve van een ander bekomt.~ 358 23, 30| overspel bedreven, en uit een andere man kinderen voortgebracht.~ 359 23, 33| gedachtenis zal zij tot een vervloeking nalaten, en 360 23, 35| 35 Het is een grote heerlijkheid God te 361 23, 35| heerlijkheid God te volgen, en een lang leven, dat gij van 362 24, 3 | Allerhoogsten uitgegaan, en gelijk een nevel heb ik de aarde bedekt.~ 363 24, 4 | opgeslagen, en mijn troon in een wolkkolom.~ 364 24, 10| eeuwigheid neem ik niet af; in een heilige tabernakel heb ik 365 24, 11| ik in Sion bevestigd. In een geheiligde stad heeft hij 366 24, 12| 12 En ben ingeworteld in een verheerlijkt volk, in het 367 24, 13| ben verhoogd geworden als een cederboom op Libanon, en 368 24, 13| cederboom op Libanon, en gelijk een cypresseboom op de bergen 369 24, 14| verhoogd geworden gelijk een dadelboom te Engedi, en 370 24, 14| dadelboom te Engedi, en gelijk een, rozeboom te Jericho.~ 371 24, 15| 15 Gelijk een schone olijfboom in een 372 24, 15| een schone olijfboom in een fraai veld, en gelijk de 373 24, 16| 16 Ik heb een goede reuk van mij gegeven, 374 24, 16| gelijk als kaneel en gelijk een reukbal, en gelijk uitgelezen 375 24, 18| takken uitgestrekt gelijk een terpentijnboom, en mijn 376 24, 19| 19 Ik heb, gelijk een wijnstok uitspruitende, 377 24, 19| wijnstok uitspruitende, een goede reuk voortgebracht, 378 24, 19| voortgebracht, en mijn bloemen zijn een vrucht der heerlijkheid 379 24, 20| 20 Ik ben een moeder der schone liefde, 380 24, 26| Mozes bevolen heeft tot een erfdeel in de vergaderingen 381 24, 29| doet uitschijnen gelijk een licht, en gelijk de Gihon 382 24, 31| vermenigvuldigd, en haar raad dan een grote afgrond.~ 383 24, 32| de Wijsheid, ben gelijk een gedolven gracht van een 384 24, 32| een gedolven gracht van een rivier;~ 385 24, 33| 33 En gelijk een waterloop ben ik uitgegaan 386 24, 35| gracht is mij geworden tot een rivier, en mijn rivier is 387 24, 35| mijn rivier is geworden tot een zee.~ 388 24, 37| ik giet lering uit gelijk een profetie, en laat ze, na 389 25, 4 | 4 Namelijk een arme, die hovaardig is, 390 25, 4 | arme, die hovaardig is, en een rijke, die een leugenaar 391 25, 4 | hovaardig is, en een rijke, die een leugenaar is, en een oude 392 25, 4 | die een leugenaar is, en een oude die een overspeler 393 25, 4 | leugenaar is, en een oude die een overspeler is, en aan verstand 394 25, 6 | 6 Wat een schone zaak is het dat grijze 395 25, 8 | 8 Grote ervarenheid is een kroon der ouden, en hun 396 25, 10| 10 Een mens die verheugd wordt 397 25, 11| 11 Hij is zalig die bij een verstandige vrouw woont, 398 25, 17| doch niet de boosheid van een vrouw;~ 399 25, 20| heb liever te wonen bij een leeuw en draak, dan te wonen 400 25, 20| draak, dan te wonen bij een boze vrouw.~ 401 25, 21| 21 De boosheid van een vrouw verandert haar aangezicht, 402 25, 21| aangezicht, dat zij ziet gelijk een beer.~ 403 25, 23| klein tegen de boosheid van een vrouw; en het lot des zondaars 404 25, 24| 24 Gelijk een zandachtige opgang voor 405 25, 24| opgang voor de voeten van een oud man, alzo is een klapachtige 406 25, 24| van een oud man, alzo is een klapachtige vrouw voor een 407 25, 24| een klapachtige vrouw voor een stil man.~ 408 25, 25| over aan de schoonheid van een vrouw, en begeer geen vrouw 409 25, 26| en grote schande is bij een vrouw, indien zij haar man 410 25, 27| 27 Een boze vrouw veroorzaakt een 411 25, 27| Een boze vrouw veroorzaakt een neergebogen hart, en een 412 25, 27| een neergebogen hart, en een droevig aangezicht, en een 413 25, 27| een droevig aangezicht, en een harteplaag.~ 414 25, 31| haar af van uw vlees, geef een scheidbrief en laat haar 415 26, 1 | GELUKKIG is de man, die een goede vrouw heeft; het getal 416 26, 2 | 2 Een kloeke vrouw verheugt haar 417 26, 3 | 3 Een goede vrouw is een goed 418 26, 3 | 3 Een goede vrouw is een goed erf deel, en wordt 419 26, 3 | goed erf deel, en wordt tot een deel gegeven degenen, die 420 26, 4 | arm is, altijd hebben zij een vrolijk aangezicht en zijn 421 26, 7 | 7 Maar een vrouw die op een andere 422 26, 7 | 7 Maar een vrouw die op een andere vrouw jaloers is, 423 26, 7 | allen overbrengt, die is een hartzeer en droefheid.~ 424 26, 8 | 8 Een boze vrouw is gelijk een 425 26, 8 | Een boze vrouw is gelijk een juk ossen dat ginds en weer 426 26, 8 | neemt, is gelijk degene, die een schorpioen aangrijpt.~ 427 26, 9 | 9 Een dronken vrouw, en die ginds 428 26, 10| 10 De hoererij van een vrouw wordt bekend aan de 429 26, 11| 11 Bewaar een onbeschaamde dochter zeer 430 26, 13| 13 Gelijk een reizende man dorstende, 431 26, 13| dorstende, de mond opent als hij een fontein vindt, en van alle 432 26, 15| 15 Een vrouw die weinig spreekt, 433 26, 15| die weinig spreekt, en van een goed gemoed is, is een gave 434 26, 15| van een goed gemoed is, is een gave des Heren, en daar 435 26, 15| daar is niets waartegen men een wel onderwezen ziel verwisselen 436 26, 16| 16 Een schaamachtige en getrouwe 437 26, 17| is ook de schoonheid van een goede vrouw in het sieraad 438 26, 19| ook haar schone voeten aan een vaste borst.~ 439 26, 21| Als gij uit alle velden een vruchtbaar deel zult uitgezocht 440 26, 23| 23 Een vrouw die loon neemt, wordt 441 26, 23| vrouw die loon neemt, wordt een mestvarken gelijk geacht, 442 26, 23| gelijk geacht, maar die een man heeft, zal een toren 443 26, 23| maar die een man heeft, zal een toren des doods geacht worden, 444 26, 24| 24 Een goddeloze vrouw zal de onrechtvaardige 445 26, 24| zal de onrechtvaardige tot een deel gegeven worden, maar 446 26, 24| deel gegeven worden, maar een godvrezende vrouw wordt 447 26, 25| 25 Een schandelijke vrouw wrijft 448 26, 25| haar man oneer aan; maar een eerbare dochter zal ook 449 26, 26| 26 Een onbeschaamde vrouw zal geacht 450 26, 26| vrouw zal geacht worden als een hond, maar die schaamte 451 26, 27| 27 Een vrouw, die haar eigen man 452 26, 28| Gelukzalig is de man die een goede vrouw heeft, want 453 26, 29| 29 Een vrouw die groot getier maakt, 454 26, 29| afwering der vijanden; en een ieders mensen ziel, die 455 26, 31| 31 Als een krijgsman ten laatste armoe 456 26, 33| 33 Een koopman is nauwelijks vrij 457 26, 33| vrij van mishandeling; en een waard zal niet gerechtvaardigd 458 27, 1 | VELEN hebben gezondigd om een middelmatige zaak, en die 459 27, 2 | 2 Gelijk een nagel tussen de voegen der 460 27, 4 | 4 Als men een zeef schudt, zo blijft de 461 27, 8 | zult het aantrekken als een lange heerlijke tabberd.~ 462 27, 10| 10 Een leeuw loert op de jacht, 463 27, 19| 19 Want gelijkerwijs een mens zijn vijand verliest, 464 27, 20| 20 En gelijk alsof gij een vogel uit uw hand losgelaten 465 27, 21| is het ontvloden gelijk een ree uit de strik.~ 466 27, 22| 22 Want een wond kan men verbinden, 467 27, 22| kan men verbinden, en voor een scheldwoord is verzoening, 468 27, 25| 25 Ik haat zulk een zeer, en vergelijk niemand 469 27, 26| 26 Wie een steen in de hoogte werpt, 470 27, 26| eigen hoofd; zo maakt ook een bedriegelijke slag de wond 471 27, 27| 27 Wie een kuil graaft, die zal daarin 472 27, 27| zal daarin vallen, en die een strik voor anderen legt, 473 27, 29| wraak loert op hen gelijk een leeuw.~ 474 27, 30| der godvrezenden zullen in een strik gevangen worden, en 475 27, 30| dergelijke zijn gruwelen, en een zon daar zal daarmee bevangen 476 28, 4 | geen barmhartigheid over een mens die hem gelijk is, 477 28, 9 | zonden verminderen, want een toornig mens ontsteekt de 478 28, 10| 10 Een zondaar ontroert vrienden, 479 28, 12| 12 Een haastige twist ontsteekt 480 28, 12| twist ontsteekt het vuur, en een haastend gevecht vergiet 481 28, 13| 13 Indien gij in een vonk blaast, zo zal zij 482 28, 14| 14 Vervloek een oorblazer, en een tweetongig 483 28, 14| Vervloek een oorblazer, en een tweetongig mens want zij 484 28, 23| 23 Want haar juk is een ijzeren juk, en haar banden 485 28, 24| 24 Haar dood is een boze dood, en het graf is 486 28, 27| hen gezonden worden als een leeuw, en gelijk een luipaard 487 28, 27| als een leeuw, en gelijk een luipaard zal zij ze verwoesten.~ 488 28, 29| en maak voor uw woorden een weegschaal, en voor uw mond 489 28, 29| weegschaal, en voor uw mond een deur en grendel.~ 490 29, 8 | zijn geld, en maakt hem tot een vijand zonder oorzaak.~ 491 29, 13| en verberg dat niet onder een steen tot verderfenis.~ 492 29, 16| 16 Zij zal meer dan een sterk schild, en meer dan 493 29, 16| sterk schild, en meer dan een harde spies, tegen uw vijand 494 29, 17| 17 Een goed man zal voor zijn naaste 495 29, 19| 19 De zondaar keert een goede borgschap om.~ 496 29, 20| geworden is, zal vlieden, en een onnut mens zal in zijn. 497 29, 21| heeft hen bewogen gelijk een golf der zee.~ 498 29, 23| 23 Een zondaar overtredende de 499 29, 25| mensen is water en brood en een kleed, en een huis dat bedekt 500 29, 25| en brood en een kleed, en een huis dat bedekt hetgeen


1-500 | 501-828

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License