bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 25| 25 In de schatten der wijsheid
2 3, 25| 25 Zijt niet ijdel bezig in
3 4, 25| 25 Want daar is een beschaamdheid,
4 6, 25| 25 En steek uw voeten in haar
5 7, 25| 25 Geef uw dochter uit, en
6 10, 25| 25 De roem eens rijken, en
7 11, 25| 25 Zeg niet: Ik heb genoeg,
8 13, 25| 25 Wanneer een rijke struikelt,
9 14, 25| 25 Zal herberg hebben in een
10 16, 25| 25 Ik zal onderwijzing tevoorschijn
11 17, 25| 25 Hoe groot is de ontferming
12 18, 25| 25 Gedenk aan de tijd des hongers,
13 19, 25| 25 Hij bukt het aangezicht,
14 20, 25| 25 Een dief is te kiezen voor
15 21, 25| 25 De voet van de dwaas is
16 22, 25| 25 Indien gij het zwaard getrokken
17 23, 25| 25 En hij verstaat niet, dat
18 24, 25| 25 Die naar mij luistert zal
19 25 | 25~ ~
20 25, 25| 25 Geef u niet over aan de
21 26, 25| 25 Een schandelijke vrouw wrijft
22 27, 25| 25 Ik haat zulk een zeer, en
23 28, 25| 25 Zij zal over de godvrezenden
24 29, 25| 25 Het voornaamste van het
25 30, 25| 25 Nijdigheid en gramschap
26 31, 25| 25 Zijt in al uw werken wakker,
27 33, 25| 25 Doe hem werken door tuchtiging,
28 34, 25| 25 Als de een bouwt en de andere
29 36, 25| 25 Is dan op haar tong barmhartigheid,
30 37, 25| 25 Een wijs man zal vervuld
31 38, 25| 25 De wijsheid van een schriftgeleerde
32 39, 25| 25 Men mag niet zeggen: Wat
33 40, 25| 25 Geld en sterkte verhogen
34 41, 25| 25 Schaamt u ook voor degene,
35 42, 25| 25 Geen gedachte gaat hem voorbij;
36 43, 25| 25 Door de raad des Heren staat
37 44, 25| 25 Die heeft hij gekend in
38 45, 25| 25 Hij heeft Aärons heerlijkheid
39 47, 25| 25 En gaf Jakob een overblijfsel,
40 48, 25| 25 Want Hiskia deed wat de
41 50, 25| 25 Over twee volken is mijn
42 51, 25| 25 Mijn ziel heeft om haar
|