Chapter, Verse
1 2, 17| 17 Wat zult gij doen, als u de Here bezoeken
2 3, 26| achterdenken heeft hun gemoed doen wankelen; als gij geen oogappelen
3 5, 10| hij zal u geen voordeel doen in de dag, wanneer ongeluk
4 7, 38| 38 In al uw doen gedenk aan uw uiterste,
5 8, 18| want hij zal naar zijn wil doen, en gij zoudt door zijn
6 10, 20| En heeft hun gedachtenis doen ophouden van de aarde.~
7 11, 31| die daarover komt om te doen vallen.~
8 14, 7 | laatst zal hij zijn boosheid doen blijken.~
9 15, 1 | de Here vreest zal zulks doen en die de kennis der wet
10 15, 6 | zal hem een eeuwige naam doen beërven.~
11 15, 11| hetgeen hij haat moet gij niet doen.~
12 15, 15| houden en het geloof om te doen hetgeen mij behaagt.~
13 17, 1 | heeft hem weder in dezelve doen terugkeren.~
14 18, 16| Zal niet de dauw de hitte doen ophouden? zo is een woord
15 19, 2 | 2 Wijn en vrouwen doen de verstandigen afvallen,
16 19, 10| welgemoed, want het zal u niet doen barsten.~
17 19, 18| onderwijzing des levens, en die doen wat hem behagelijk is, zullen
18 19, 19| het u behaagt zal ik niet doen, indien hij het daarna doet,
19 19, 23| verandert, om het recht te doen blijken, en menigeen is
20 19, 25| u voorkomen om kwaad te doen.~
21 19, 26| zondigen, zo zal hij toch kwaad doen indien hij gelegener tijd
22 20, 14| verwijten, en zal zijn mond open doen als een uitroeper.~
23 24, 11| heeft hij mij insgelijks doen rusten, en in Jeruzalem
24 29, 4 | geleende als gevonden is, en doen de genen moeite aan, die
25 29, 22| Machtige mannen heeft zij doen verhuizen, die onder vreemde
26 31, 10| niet overtreden? en kwaad doen, en heeft het niet gedaan?~
27 32, 3 | En doe al wat nodig is te doen, en als gij zult geprezen
28 33, 12| hij geheiligd, en tot hem doen naderen, enigen uit hen
29 35, 5 | al deze dingen moet men doen vanwege het gebod.~
30 35, 16| tegen hem, die ze heeft doen nederkomen?~
31 35, 18| rechtvaardige zal oordelen en recht doen.~
32 35, 22| recht van zijn volk, en hen doen verheugen in zijn barmhartigheid.~
33 38, 22| hem zult gij geen voordeel doen, en uzelf zult gij kwellen.~
34 43, 5 | loop door woorden heeft doen stilstaan.~
35 44, 24| het verbond, en heeft het doen rusten op het hoofd van
36 45, 2 | woorden heeft hij de tekenen doen ophouden; en heeft hem verheerlijkt
37 45, 20| gedachtenis, om verzoening te doen voor het volk.~
38 46, 2 | uitverkorenen; om wraak te doen aan de vijanden die tegen
39 47, 12| heiligdom weerklank zouden doen geven.~
40 48, 10| zijt opgeschreven om te doen bestraffingen te zijner
41 50, 27| plasregen uit zijn hart heeft doen vloeien.~
|