Chapter, Verse
1 1, 4 | kloekheid is van de eeuwen af.~
2 1, 21| bijblijvende keert zij toorn af.~
3 2, 3 | aan, en wijk niet van hem af, opdat gij moogt vermeerderd
4 2, 9 | barmhartigheid en wijkt niet af, opdat gij niet valt.~
5 4, 4 | keer uw aangezicht niet af van de arme.~
6 4, 5 | behoeftige keer uw ogen niet af, en geef niemand oorzaak
7 6, 13| 13 Scheid u af van uw vijanden, en wacht
8 7, 2 | 2 Wijk af van de ongerechtige, en
9 8, 11| 11 Dwaal niet af van de onderwijzing der
10 9, 8 | 8 Wend uw oog af van een schone vrouw, en
11 10, 11| medicijnmeester houdt een lange ziekte af, en heden is iemand koning,
12 12, 8 | scheidt ook de vriend van hem af.~
13 13, 12| en sta ook niet te ver af, opdat gij niet vergeten
14 14, 19| dichte boom; enige werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten;
15 17, 13| ieder mens is van de jeugd af geneigd tot het kwade, en,
16 17, 20| Allerhoogste, en keer u af van ongerechtigheid, want
17 19, 6 | klappen haat, die neemt af in boosheid.~
18 20, 29| keren zij de bestraffingen af.~
19 21, 1 | meer bij, en bid de vorige af.~
20 22, 2 | op neemt, schudt de hand af.~
21 23, 4 | gemoed altijd van uw knechten af.~
22 23, 5 | 5 Weer van mij af ijdele hoop en begeerte,
23 24, 10| eeuwigheid neem ik niet af; in een heilige tabernakel
24 25, 31| naar uw hand, zo snijd haar af van uw vlees, geef een scheidbrief
25 29, 10| wenden zich van de mens af, en vrezen dat zij van het
26 29, 12| het gebod, en keer u niet af van zijn behoeftigheid.~
27 31, 17| 17 Meet bij uzelf af hetgeen uw naaste behaagt,
28 33, 12| vernederd en ze van hun staat af gestort.~
29 35, 16| niet de tranen der weduwe af op de wang? en haar geschrei
30 35, 18| gekomen is, en laat niet af totdat de Allerhoogste het
31 36, 17| degenen die van den beginne af uw bezittingen zijn, en
32 38, 10| 10 Sta af van misdaden, en houd de
33 39, 37| Daarom ben ik van het begin af hierin bevestigd geworden,
34 40, 1 | kinderen van Adam; van die dag af dat zij uit hun moeders
35 40, 8 | alle vlees, van de mens af tot op het vee, doch over
36 43, 19| nederwaarts vliegen, en ze daalt af gelijk de sprinkhanen, die
37 44, 2 | teweeg gebracht van de eeuwen af.~
38 48, 16| stond van hun zonden niet af totdat zij als een roof
39 50, 23| verhoogt van moeders schoot af, en die riet ons handelt
40 51, 20| heengegaan; van mijn jeugd af heb ik haar nagespeurd.~
41 51, 28| 28 Ik heb van het begin af tot haar een hart gekregen,
|