Chapter, Verse
1 2, 8 | de Here vreest, hoopt het goede en eeuwige verheuging en
2 3, 14| begeeft, zo houd hem dat ten goede, en wacht u met al uw vermogen
3 6, 19| 19 En verbeid haar goede vruchten.~
4 7, 13| der zelve komt niet ten goede.~
5 7, 19| u niet aan een wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid
6 11, 12| des Heren ziet op hem ten goede, en richt hem op uit zijn
7 11, 14| 14 Goede en kwade dingen, leven en
8 11, 15| Here; liefde en wegen der goede werken zijn van hem.~
9 11, 26| 26 In de goede dagen vergeet men het kwade,
10 11, 26| kwade dagen wordt aan het goede niet gedacht.~
11 11, 32| hij loert verkerende het goede in het kwade; ja in uitgelezen
12 12, 5 | u overkomen voor al het goede, dat gij hem gedaan zult
13 13, 30| aangezicht, het zij ten goede of ten kwade, en een hart
14 14, 14| Onttrek uzelf niet van de goede dag, en laat het deel der
15 14, 14| dag, en laat het deel der goede begeerte u niet voorbijgaan.~
16 24, 16| 16 Ik heb een goede reuk van mij gegeven, gelijk
17 24, 19| wijnstok uitspruitende, een goede reuk voortgebracht, en mijn
18 26, 1 | GELUKKIG is de man, die een goede vrouw heeft; het getal zijner
19 26, 3 | 3 Een goede vrouw is een goed erf deel,
20 26, 17| ook de schoonheid van een goede vrouw in het sieraad van
21 26, 28| Gelukzalig is de man die een goede vrouw heeft, want het getal
22 29, 19| 19 De zondaar keert een goede borgschap om.~
23 32, 23| 23 Vertrouw uzelf in alle goede werken, want ook dat is
24 33, 15| 15 Gelijk het goede staat tegen het kwade, en
25 35, 6 | maakt het altaar vet, en de goede reuk daarvan komt voor de
26 36, 26| 26 Die een goede vrouw krijgt, die begint
27 37, 19| vertonen zich: namelijk het goede, het kwade, het leven en
28 38, 13| dat er in hun handen een goede reuk is.~
29 38, 25| wordt verkregen door de goede gelegenheid van de ledige
30 39, 29| 29 Goede dingen zijn in het begin
31 39, 29| zijn in het begin voor de goede mensen geschapen, zo de
32 39, 31| gelijk ze de godvrezende goede dingen zijn, zo worden ze
33 41, 2 | 2 Voor een man die goede rust heeft, en die het welgaat
34 41, 15| 15 Draag zorg om een goede naam te verkrijgen, want
35 41, 16| getal der dagen, maar een goede naam blijft in eeuwigheid.~
36 42, 31| 31 Het een bevestigt het goede des anderen, en wie zal
37 45, 29| volk had afgekeerd, met een goede toegenegenheid van zijn
38 51, 24| stellen, en te beijveren het goede, en zal geenszins te schande
39 51, 29| zoeken, daarom heb ik een goede bezitting verkregen.~
|