bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 28| 28 Als gij behoeftig zijt,
2 3, 28| 28 Een hard hart zal bezwaard
3 4, 28| 28 En verberg uw wijsheid niet
4 6, 28| 28 Speur haar na en zoek haar,
5 7, 28| 28 Gedenk dat gij door hen
6 10, 28| 28 Een verstandige huisknecht
7 11, 28| 28 Een kwaad uur maakt dat
8 13, 28| 28 De arme spreekt, en men
9 16, 28| 28 En tot in eeuwigheid zullen
10 17, 28| 28 Hij ziet aan de kracht des
11 18, 28| 28 En wie ze vindt, die zal
12 19, 28| 28 De kleding des mans, en
13 20, 28| 28 Die zijn land bouwt, verhoogt
14 21, 28| 28 De lippen der veelsprekers
15 22, 28| 28 In de tijd der verdrukking
16 23, 28| 28 Deze zal op de straten der
17 24, 28| 28 Die vervult het verstand
18 25, 28| 28 Welke haar man niet troost
19 26, 28| 28 Gelukzalig is de man die
20 27, 28| 28 Wie kwaad doet, bij die
21 28 | 28~ ~
22 28, 28| 28 Zie toe, omtuin hetgeen
23 29, 28| 28 Het is een ellendig leven
24 31, 28| 28 Toon u geen man in de wijn,
25 33, 28| 28 Stel hem aan het werk, gelijk
26 34, 28| 28 Zo is het met een mens die
27 36, 28| 28 Want wie zal een toegeruste
28 37, 28| 28 Mijn kind beproef uw ziel
29 38, 28| 28 Zo is het gelegen met ieder
30 39, 28| 28 Zijn wegen zijn de heiligen
31 40, 28| 28 Mijn kind, leef geen bedelaarsleven;
32 41, 28| 28 Schaamt u ook voor uw vriend
33 42, 28| 28 Hoe waardig zijn al zijn
34 43, 28| 28 Door hem is zijn bode voorspoedig,
35 45, 28| 28 En Pinehas, de zoon van
36 47, 28| 28 Dat zij afvallig werden
37 48, 28| 28 Hij wees aan de toekomende
38 50, 28| 28 Zalig is hij, die zich in
39 51, 28| 28 Ik heb van het begin af
|