bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 27| 27 Want de vreze des Heren
2 3, 27| 27 Een hard hart zal op het
3 4, 27| 27 Weer het woord niet in de
4 6, 27| 27 Ga tot haar met geheel uw
5 7, 27| 27 Eer uw vader van ganser
6 10, 27| 27 De groten, en de rechters,
7 11, 27| 27 Want het is voor de Here
8 13, 27| 27 De rijke spreekt, en zij
9 16, 27| 27 Hij heeft zijn werken versierd
10 17, 27| 27 Wat is klaarder dan de zon,
11 18, 27| 27 Een ieder die verstandig
12 19, 27| 27 Een mens wordt aan het gezicht
13 20, 27| 27 Een wijze bevordert zichzelf
14 21, 27| 27 Het is een ongeschiktheid
15 22, 27| 27 Bewijs trouw jegens uw naaste
16 23, 27| 27 Eer alle dingen geschapen
17 24, 27| 27 Hij vervult alle dingen
18 25, 27| 27 Een boze vrouw veroorzaakt
19 26, 27| 27 Een vrouw, die haar eigen
20 27 | 27~ ~
21 27, 27| 27 Wie een kuil graaft, die
22 28, 27| 27 Zij zal over hen gezonden
23 29, 27| 27 Heb een welbehagen zo wel
24 31, 27| 27 Die karig is in spijs, over
25 33, 27| 27 Drijf hem tot het i werk,
26 34, 27| 27 Als iemand is gewassen nadat
27 36, 27| 27 Waar geen heining is, daar
28 37, 27| 27 Een wijze zal heerlijkheid
29 38, 27| 27 Deze zal zijn hart begeven
30 39, 27| 27 Zo erven de volken zijn
31 40, 27| 27 De vreze des Heren is gelijk
32 41, 27| 27 Van te veel u met anderen
33 42, 27| 27 Hij wordt noch vermeerderd,
34 43, 27| 27 Want daar zijn ongelofelijke
35 45, 27| 27 Doch in het land des volks
36 47, 27| 27 Toen kwam Jerobeäm, de zoon
37 48, 27| 27 Hij zag door een grote geest
38 50, 27| 27 Jezus, de zoon van Sirach,
39 51, 27| 27 Ik heb mijn ziel naar haar
|