Chapter, Verse
1 5, 14| niet, zo zij uw hand op uw mond.~
2 8, 14| de smader, opdat hij uw mond niet bespiede.~
3 13, 29| de armoede is kwaad in de mond des goddelozen.~
4 14, 1 | die niet feilt met zijn mond, en niet doorprikkeld wordt
5 15, 5 | midden der vergadering zijn mond openen.~
6 15, 9 | 9 De lof in de mond des zondaars voegt niet
7 20, 14| veel verwijten, en zal zijn mond open doen als een uitroeper.~
8 20, 19| ontijdige klucht, in de mond der ongeschikten zal hij
9 20, 20| Een spreuk komende uit de mond eens dwazen zal verworpen
10 20, 24| schandvlek in een mens, en in de mond der ongeschikten is zij
11 20, 29| en gelijk een toom in de mond, keren zij de bestraffingen
12 21, 6 | van de arme gaat uit de mond tot aan zijn oren, en zijn
13 21, 20| 20 De mond van de voorzichtige wordt
14 21, 29| hart der dwazen is in hun mond, maar de mond der wijzen
15 21, 29| is in hun mond, maar de mond der wijzen is in hun hart.~
16 22, 26| 26 Indien gij de mond tegen uw vriend opengedaan
17 22, 31| zal mij een wacht aan mijn mond stellen, en een scherpzinnig
18 23, 6 | onderwijzing van een waarachtige mond, en wie zij bewaart, die
19 23, 8 | 8 Gewen uw mond niet tot zweren, en gewen
20 23, 15| 15 Gewen uw mond niet tot onmatig eedzweren,
21 24, 2 | 2 Zij doet haar mond open in de gemeente des
22 24, 3 | 3 Ik ben van de mond des Allerhoogsten uitgegaan,
23 26, 13| reizende man dorstende, de mond opent als hij een fontein
24 27, 24| 24 Voor uw ogen zal zijn mond zoet spreken, en hij zal
25 28, 13| en dit komt beide uit uw mond.~
26 28, 28| doornen, en maak voor uw mond deuren en grendelen.~
27 28, 29| een weegschaal, en voor uw mond een deur en grendel.~
28 29, 28| wonen zult, daar zult gij de mond niet durven opendoen.~
29 30, 18| goederen bij een gesloten mond zijn gelijk spijsgerechten
30 37, 23| van zijn verstand in zijn mond zijn prijzenswaardig.~
31 39, 7 | 7 En doet zijn mond open tot het gebed, en smeekt
32 39, 21| door het woord van zijn mond de boezem der wateren.~
33 39, 40| lofzingt met uw ganse hart en mond, en looft de naam des Heren.~ ~ ~ ~
34 40, 31| 31 In de mond des onbeschaamden is de
35 49, 2 | 2 Zij is zoet in de mond van een ieder als honig,
36 51, 33| 33 Ik heb mijn mond geopend en heb gesproken,
|