Chapter, Verse
1 4, 5 | keer uw ogen niet af, en geef niemand oorzaak u te vervloeken.~
2 5, 13| leef in oprechtheid, en geef een recht antwoord met lankmoedigheid.~
3 7, 25| 25 Geef uw dochter uit, en gij zult
4 7, 25| werk volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig
5 7, 26| werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet
6 7, 31| 31 En geef hem zijn deel, gelijk u
7 9, 2 | 2 Geef uw ziel de vrouw niet, dat
8 9, 6 | 6 Geef uw ziel de hoeren niet over,
9 12, 4 | 4 Geef degene die God vreest, en
10 12, 5 | Doe de nederige goed, en geef de goddeloze niet. Onthoud
11 12, 5 | Onthoud hem uw brood, en geef hem niet, opdat hij u daardoor
12 12, 6 | krachtige dag der wraak. Geef degene die vroom is, en
13 14, 13| vermogen uw hand uit en geef hem.~
14 14, 16| 16 Geef en neem, en heilig uw ziel.~
15 18, 15| wanneer het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak tot berisping,
16 19, 17| naaste eer gij dreigt, en geef de wet des Allerhoogsten
17 23, 4 | Vader en God mijns levens, geef mij geen verheffing der
18 23, 5 | bij slaap niet innemen, en geef mij, uw knecht, niet over
19 24, 21| 21 En geef met al mijn kinderen deze
20 25, 25| 25 Geef u niet over aan de schoonheid
21 25, 30| 30 Geef het water geen doortocht,
22 25, 31| snijd haar af van uw vlees, geef een scheidbrief en laat
23 26, 20| leven in gezond heid, en geef de vreemde uw sterkte niet.~
24 29, 2 | zijner behoefte, en wederom, geef het uw naaste weder te zijner
25 30, 11| 11 Geef hem geen macht in de jeugd,
26 31, 23| midden door heengaande; geef over, en gij zult weder
27 33, 19| 19 Geef uw zoon een vrouw, broeder
28 33, 19| u, zo lang gij leeft, en geef uw goederen aan geen ander,
29 33, 20| nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands macht,
30 34, 6 | toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw hart daartoe niet.~
31 35, 10| 10 Geef de Allerhoogste naar hetgeen
32 36, 17| 17 Geef getuigenis degenen die van
33 36, 18| 18 Geef loon degenen die u verwachten,
34 37, 28| voor haar schadelijk is, en geef het haar niet.~
35 38, 11| 11 Geef de Here een welriekende
36 38, 11| die niet eerst begint, en geef de geneesheer plaats.~
|