Chapter, Verse
1 1, 4 | 4 De wijsheid is eer dan alle dingen geschapen,
2 1, 10| 10 De vreze des Heren is eer, en roem, en vrolijkheid,
3 3, 8 | 8 Eer uw vader en moeder met werken
4 3, 11| oneer des vaders is u geen eer.~
5 3, 12| 12 Want de eer des mensen komt hem uit
6 3, 12| des mensen komt hem uit de eer zijns vaders, en een moeder
7 4, 14| 14 Die haar vasthoudt zal eer beërven, en waar zij ingaat,
8 4, 25| is een beschaamdheid, die eer en gunst brengt.~
9 5, 15| 15 Eer en oneer is in het spreken,
10 7, 27| 27 Eer uw vader van ganser harte,
11 7, 30| 30 Vrees de Here, en eer de priester.~
12 9, 14| 14 Benijd de zondaar zijn eer niet, want gij weet niet
13 10, 31| zachtmoedigheid, en geeft haar eer naar haar waardigheid.~
14 11, 7 | 7 Berisp niet eer gij onderzocht hebt, verneem
15 11, 8 | 8 Antwoord niet eer gij gehoord hebt, en in
16 14, 13| 13 Doe uw vriend goed, eer gij sterft, en strek naar
17 18, 19| 19 Leer eer gij spreekt, en gebruik
18 18, 19| spreekt, en gebruik medicijn eer gij ziek wordt.~
19 18, 20| 20 Eer gij geoordeeld wordt, bereid
20 18, 21| Verneder u door matigheid, eer gij ziek wordt, en bewijs
21 18, 23| 23 Bereid uzelf eer gij uw gelofte doet, en
22 19, 17| 17 Bestraf uw naaste eer gij dreigt, en geef de wet
23 21, 27| bezwaart zich over deze on eer.~
24 23, 27| 27 Eer alle dingen geschapen waren,
25 27, 7 | 7 Prijs niemand eer hij spreekt, want hieraan
26 29, 9 | en scheldwoorden, en voor eer vergeldt hij hem oneer.~
27 33, 22| hang geen schandvlek aan uw eer.~
28 38, 1 | 1 EER de geneesheer tot uw behoeften,
29 38, 1 | tot uw behoeften, met de eer die hem toekomt; want ook
30 44, 2 | voor zijn majesteit veel eer teweeg gebracht van de eeuwen
31 46, 4 | 4 Wie heeft eer dan hij zo gestaan? want
32 46, 21| 21 En eer hij ontsliep betuigde hij
33 47, 9 | heilige en Allerhoogste, de eer, met heerlijke woorden.~
34 48, 6 | en die verheven waren tot eer, van hun bed.~
35 48, 28| en de verborgen dingen eer ze geschiedden.~ ~
36 51, 17| 17 Als ik nog jong was, eer dat ik dwaalde, heb ik de
|