Chapter, Verse
1 3, 1 | kinderen hoort mij uw vader en doet alzo, opdat gij behouden
2 4, 9 | hand van hem die onrecht doet, en zijt niet kleinmoedig
3 4, 11| meer beminnen dan uw moeder doet.~
4 5, 11| niet in allerlei pad, zo doet de zondaar die tweetongig
5 7, 20| kwaad die getrouw zijn werk doet, noch de huurling die zijn
6 10, 29| te zijn als gij uw werk doet, en poch niet in de tijd
7 11, 11| Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt, en zich haast,
8 11, 23| godvrezende; en in een korte tijd doet hij zijn zegen uitspruiten.~
9 12, 1 | zo weet aan wie gij het doet, en gij zult dank voor uw
10 13, 4 | 4 Een rijke doet onrecht, en men smeekt hem;
11 13, 4 | men smeekt hem; een arme doet onrecht, en hij wordt bedreigd.~
12 14, 7 | 7 Indien hij wel doet, hij doet het ongaarne,
13 14, 7 | Indien hij wel doet, hij doet het ongaarne, en op het
14 14, 9 | ongerechtigheid van de boze doet zijn ziel uitdrogen.~
15 14, 19| werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten; zo is het
16 18, 18| gift van een nijdig mens doet hem de ogen uitdrogen.~
17 18, 23| uzelf eer gij uw gelofte doet, en wees niet gelijk een
18 19, 19| doen, indien hij het daarna doet, ver toornt degene, die
19 19, 24| Menigeen is er die boosheid doet, gaande gebukt in zwarte
20 21, 17| hoort, zo prijst hij dat, en doet daar nog toe.~
21 24, 2 | 2 Zij doet haar mond open in de gemeente
22 24, 29| 29 Die de leer der kennis doet uitschijnen gelijk een licht,
23 27, 6 | Gelijk de vrucht van de boom doet blijken hoe men die heeft
24 27, 6 | die heeft verpleegd, zo doet ook de uitspraak der gedachten
25 27, 14| desgenen die veel zweert, doet de haren overeind staan,
26 27, 28| 28 Wie kwaad doet, bij die zal dat kwaad herberg
27 31, 1 | waken om des rijkdoms wil doet het vlees verdwijnen, en
28 31, 29| indompeling verstaald is, zo doet ook de wijn in het hart
29 34, 28| weder heengaat en hetzelfde doet; wie zal zijn gebed verhoren?
30 35, 1 | WIE de wet bewaart, die doet offeranden genoeg; wie op
31 35, 2 | offert, en wie een aalmoes doet, die offert een dankoffer.~
32 39, 7 | 7 En doet zijn mond open tot het gebed,
33 42, 6 | boze huisknecht zijn zijde doet bloeden.~
34 43, 14| 14 Door zijn bevel doet hij de sneeuw ophouden,
35 50, 23| die alleen grote dingen doet overal, die onze dagen verhoogt
36 50, 29| 29 Want indien hij ze doet, zal hij tot alle dingen
|