Chapter, Verse
1 2, 13| barmhartigheid, vergeeft de zonden, en behoedt in de tijd der
2 3, 3 | eert, die verzoent zijn zonden;~
3 3, 16| 16 En in plaats der zonden zult gij daartegen gebouwd
4 3, 17| weder het ijs, zo zullen uw zonden versmelten.~
5 3, 28| moeite, en de zon daar zal zonden, op zonden ophopen.~
6 3, 28| zon daar zal zonden, op zonden ophopen.~
7 3, 31| aalmoezen verzoent men de zonden.~
8 4, 31| 31 Schaam u niet uw zonden te belijden, en bedwing
9 5, 5 | de volheid hebt, dat gij zonden op zonden zoudt hopen.~
10 5, 5 | hebt, dat gij zonden op zonden zoudt hopen.~
11 5, 6 | groot, de menigte mijner zonden zal verzoend worden.~
12 12, 13| en zich vermengt in zijn zonden.~
13 14, 1 | wordt met de menigte der zonden.~
14 16, 10| verderfs, die uitgingen in hun zonden, die zij deden.~
15 17, 16| verborgen voor hem, en al hun zonden zijn voor de Here, doch
16 17, 19| tot de Here, en verlaat de zonden; smeek voor zijn aangezicht,
17 18, 21| en bewijs in de tijd der zonden uw bekering.~
18 18, 26| altijd, en in de dagen der zonden wacht hij zichzelf voor
19 20, 7 | zo zal hij de vrijwillige zonden vlieden.~
20 23, 3 | vermenigvuldigd worden, en mijn zonden niet vermeerderen tot verplettering,
21 23, 14| godvrezende, en zij zullen in de zonden niet ingewikkeld worden.~
22 23, 19| mensen vermenigvuldigen de zonden, en de derde brengt de toorn
23 23, 24| Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken, en de ogen
24 28, 1 | vinden, en hij zal zijn zonden zeker bewaren.~
25 28, 2 | gebeden hebben, zullen u uw zonden vergeven worden.~
26 28, 4 | gelijk is, en bidt om zijn zonden.~
27 28, 5 | vijandschap en wie zal zijn zonden verzoenen?~
28 28, 9 | van strijd, en gij zult de zonden verminderen, want een toornig
29 32, 13| voorgenomen hebt, maar niet met zonden en hovaardige woorden.~
30 34, 28| mens die vast vanwege zijn zonden, en weder heengaat en hetzelfde
31 39, 7 | gebed, en smeekt voor zijn zonden.~
32 47, 13| 13 De Here heeft zijn zonden weggenomen, en zijn hoorn
33 47, 27| een weg der zonde, en hun zonden vermenigvuldigden zeer;~
34 48, 16| volk niet, en stond van hun zonden niet af totdat zij als een
35 48, 18| enigen vermenigvuldigden de zonden.~
|