Chapter, Verse
1 1, 3 | hemels, en de breedte der aarde, en de afgrond, en de wijsheid
2 10, 4 | 4 De macht op aarde is in de hand des Heren,
3 10, 8 | verhovaardigt zich toch aarde en as?~
4 10, 18| verderft ze tot op de grond der aarde.~
5 10, 20| gedachtenis doen ophouden van de aarde.~
6 16, 18| hemels, de afgrond en de aarde, en hetgeen daarin is, zullen
7 16, 19| bergen en de fundamenten der aarde worden tegelijk geschud
8 16, 29| na deze heeft de Here op aarde gezien, en heeft ze vervuld
9 17, 1 | DE Here heeft de mens uit aarde geschapen, en heeft hem
10 17, 28| en alle mensen zijn maar aarde en as.~ ~ ~ ~
11 24, 3 | gelijk een nevel heb ik de aarde bedekt.~
12 24, 6 | der zee, en op de ganse aarde, en bij alle volken en natiën
13 33, 10| de aardbodem, en uit de aarde is Adam geschapen.~
14 36, 19| uw volk, en allen die op aarde wonen zullen bekennen dat
15 37, 3 | vanwaar komt gij gerold om de aarde met bedriegerij te bedekken?~
16 38, 4 | heeft de medicijnen uit de aarde geschapen, en een voorzichtig
17 39, 26| 26 Zijn zegen bedekt de aarde gelijk een rivier, en gelijk
18 39, 36| 36 En op de aarde zijn zij gereed tot zijn
19 40, 3 | vernederd is, zittende in aarde en as.~
20 40, 10| 10 Al wat van aarde is, keert wederom tot aarde,
21 40, 10| aarde is, keert wederom tot aarde, en al wat van water is,
22 41, 13| 13 Al wat uit de aarde is, zal weder in de aarde
23 41, 13| aarde is, zal weder in de aarde keren; gelijk gaan de goddelozen
24 43, 17| van zijn donder brengt de aarde in barensnood, en door zijn
25 43, 21| En hij giet de rijm op de aarde gelijk zout, welke bevroren
26 44, 23| vermenigvuldigen gelijk het stof der aarde; en dat zij een erfdeel
27 44, 23| tot aan het uiterste der aarde.~
28 46, 22| verhief zijn stem uit de aarde, met een profetie, dat de
29 47, 17| 17 Uw ziel heeft de ganse aarde bedekt, en met scherpzinnige
30 47, 20| Heren, de God der ganse aarde, die bij genaamd wordt de
31 48, 16| verstrooid door de ganse aarde.~
32 49, 16| geen geschapen geweest op aarde als Henoch, want hij is
33 49, 16| hij is opgenomen van de aarde.~
34 50, 18| viel op hun aangezicht ter aarde, om hun Here, de almachtige
35 51, 12| 12 En heb van de aarde mijn ootmoedig gebed opgeheven,
|