bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 29| 29 Maar de geveinsden niet
2 3, 29| 29 Als ongeluk over de hovaardigen
3 4, 29| 29 Want de wijsheid zal in
4 6, 29| 29 Want ten laatste zult gij
5 7, 29| 29 Vrees de Here met uw gehele
6 10, 29| 29 Denk niet wijs te zijn als
7 11, 29| 29 Spreek niemand zalig voor
8 13, 29| 29 De rijkdom is goed, bij
9 16, 29| 29 En na deze heeft de Here
10 18, 29| 29 Die verstandig zijn in woorden,
11 19, 29| 29 Daar is een bestraffing
12 20, 29| 29 Gaven en geschenken verblinden
13 21, 29| 29 Het hart der dwazen is in
14 22, 29| 29 Gelijk de damp des ovens
15 23, 29| 29 Desgelijks ook een vrouw,
16 24, 29| 29 Die de leer der kennis doet
17 25, 29| 29 Van de vrouw is het begin
18 26, 29| 29 Een vrouw die groot getier
19 27, 29| 29 De hovaardigen bespotten
20 28, 29| 29 Bind uw goud en uw zilver
21 29 | 29~ ~
22 29, 29| 29 Gij zult gasten hebben en
23 31, 29| 29 De oven beproeft hetgeen
24 33, 29| 29 Indien hij niet gehoorzaam
25 37, 29| 29 Want alle dingen zijn allen
26 38, 29| 29 Zo ook met hem die de zegelen
27 39, 29| 29 Goede dingen zijn in het
28 40, 29| 29 Een man die naar een vreemde
29 41, 29| 29 Schaamt u van weder te gaan
30 42, 29| 29 Al deze dingen leven en
31 43, 29| 29 Wij zouden wel veel dingen
32 45, 29| 29 En gestaan had als zich
33 50, 29| 29 Want indien hij ze doet,
34 51, 29| 29 Mijn hart is ontroerd geworden
|