Chapter, Verse
1 4, 6 | vervloekt in bitterheid zijner ziel, zijn gebed zal hij
2 6, 15| en daar is geen gewicht zijner schoonheid.~
3 7, 11| mens niet die in bitterheid zijner ziel is, want daar is een
4 8, 13| verbrand wordt in het vuur zijner vlam.~
5 10, 4 | des Heren, en hij zal te zijner tijd over haar verwekken
6 11, 28| de mens is de ontdekking zijner werken.~
7 14, 6 | en dat is een vergelding zijner boosheid.~
8 16, 21| kan; en het meerderdeel zijner werken is voor ons verborgen.~
9 16, 22| 22 Wie zal de werken zijner gerechtigheid verkondigen,
10 17, 5 | welke is een uitlegging zijner werken.~
11 17, 8 | uitverkorenen zullen de naam zijner heiligmaking prijzen.~
12 17, 11| gehoord de heerlijkheid zijner stem, en heeft tot hen gezegd:~
13 18, 2 | wereld gebouwd met de span zijner hand, en alle dingen zijn
14 19, 19| onderhouding der wet, en kennis zijner almogendheid. Een huisknecht
15 20, 17| want hij heeft het bezit zijner goederen met geen rechte
16 25, 10| nog leeft, en die de val zijner vijanden ziet.~
17 25, 16| vreze des Heren is het begin zijner liefde, maar het geloof
18 25, 16| maar het geloof het begin zijner aankleving.~
19 26, 1 | goede vrouw heeft; het getal zijner dagen wordt dubbel.~
20 26, 28| vrouw heeft, want het getal zijner jaren zal dubbel zijn.~
21 29, 2 | Leen uw naaste in de tijd zijner behoefte, en wederom, geef
22 29, 2 | geef het uw naaste weder te zijner tijd.~
23 31, 26| lippen, en de getuigenis zijner heerlijkheid is getrouw.~
24 31, 27| de stad, en de getuigenis zijner karigheid is scherp.~
25 39, 9 | 9 Hij zal de woorden zijner wijsheid als een regen uitgieten,
26 39, 11| Hij brengt de onderwijzing zijner leer te voorschijn, en in
27 40, 7 | en ontwakende in de tijd zijner behoudenis, is hij verwonderd
28 45, 27| want hij zelf was het deel zijner erfenis.~
29 46, 2 | zijn naam, in de verlossing zijner uitverkorenen; om wraak
30 48, 10| te doen bestraffingen te zijner tijd, en te stillen de toorn
31 49, 17| als Jozef, een leidsman zijner broederen,~
32 50, 13| was een omstaande menigte zijner broeders, gelijk spruiten
33 51, 38| de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon geven.~
|