Chapter, Verse
1 5, 2 | 2 Volg uw ziel niet, noch uw sterkte, om te gaan in
2 5, 18| onwetende ook niet in enig ding, noch in het grote, noch in het
3 5, 18| ding, noch in het grote, noch in het kleine.~ ~
4 7, 18| ding, het zij wat het wil, noch een oprechte broeder om
5 7, 20| getrouw zijn werk doet, noch de huurling die zijn ziel
6 10, 21| geschapen in de mensen, noch de grimmige toorn in degenen,
7 12, 3 | die zal het niet wèl gaan, noch degene, die geen aalmoezen
8 17, 16| maaksel kennende, heeft hen noch begeven noch verlaten, maar
9 17, 16| heeft hen noch begeven noch verlaten, maar heeft hen
10 18, 5 | zijn niet te verminderen noch te vermeerderen, en zijn
11 19, 8 | 8 En vertel noch bij vriend noch bij vijand
12 19, 8 | En vertel noch bij vriend noch bij vijand het leven van
13 22, 28| niet altijd te verachten, noch de rijke, die geen verstand
14 25, 30| het water geen doortocht, noch de boze vrouw vrijheid om
15 28, 18| die zal geen rust vinden, noch met stilheid wonen.~
16 35, 15| der wezen niet verachten, noch de weduwe indien zij haar
17 37, 12| 12 Noch met een vrouw, aangaande
18 37, 12| waartegen zij jaloers is; noch met een vreesachtige over
19 37, 12| vreesachtige over de oorlog; noch met een koopman over de
20 37, 12| koopman over de wissel; noch met degene, die koopt over
21 37, 12| die koopt over de verkoop; noch met een nijdig mens over
22 37, 12| mens over de dankbaarheid, noch met een onbarmhartige over
23 37, 12| onbarmhartige over de weldadigheid; noch met een luie over enig werk;
24 37, 12| een luie over enig werk; noch met een huurling, die gij
25 37, 12| voleinding van het werk, noch met een trage huisknecht
26 38, 38| men zal daar niet in wonen noch wandelen, doch tot de raad
27 42, 3 | 3 Noch om te horen spreken uw metgezel,
28 42, 3 | die met u over weg reizen; noch de vrienden hun erfdeel
29 42, 4 | de waag en het gewicht; noch dat gij veel of weinig bezit;~
30 42, 5 | 5 Noch dat gij aan de kooplieden
31 42, 6 | 6 Noch dat gij een boze huisknecht
32 42, 27| 27 Hij wordt noch vermeerderd, noch verminderd;
33 42, 27| wordt noch vermeerderd, noch verminderd; en behoeft geen
|