Chapter, Verse
1 2, 22| 22 Zeggende, laat ons in de handen Gods vallen,
2 4, 1 | 1 MIJN kind, laat het leven des armen geen
3 4, 36| 36 Laat uw hand niet uitgestrekt
4 5, 16| 16 Laat u geen oorblazer noemen,
5 6, 28| machtig geworden zijt, zo laat haar niet van u.~
6 6, 35| Goddelijke verklaring horen, en laat u de spreuken van het verstand
7 7, 21| 21 Laat uw ziel een verstandige
8 7, 22| daarop, en zo het u nut is, laat het bij u blijven.~
9 8, 22| niet aan ieder mens, en laat u geen valse dank vergelden.~ ~
10 9, 20| 20 Laat rechtvaardige mannen uw
11 9, 20| uw tafelgenoten zijn, en laat uw roem zijn in de vreze
12 11, 35| 35 Laat een vreemde in uw huis wonen,
13 14, 14| niet van de goede dag, en laat het deel der goede begeerte
14 18, 22| 22 Laat u niet hinderen uw belofte
15 19, 10| 10 Hebt gij wat gehoord, laat het bij u sterven, en zijt
16 19, 16| 16 Laat uw hart niet elk woord geloven;
17 23, 1 | mij niet in hun raad, en laat mij niet vallen onder hen.~
18 23, 5 | die u altijd wil dienen; laat mij de begeerte des buiks,
19 23, 13| rondom met de dood bekleed; laat die niet gevonden worden
20 24, 37| gelijk een profetie, en laat ze, na tot eeuwige geslachten.~
21 25, 31| geef een scheidbrief en laat haar gaan.~ ~
22 32, 20| als gij het gedaan hebt, laat het u niet berouwen.~
23 33, 18| die de gemeente regeert, laat het tot uw oren ingaan.~
24 33, 25| en hij zal rust zoeken; laat hem de handen ledig zijn,
25 35, 18| hij nabij gekomen is, en laat niet af totdat de Allerhoogste
26 36, 3 | over de vreemde volken, laat hun uw vermogen zien.~
27 36, 10| gedenk aan de toorn, en laat uw wonderen verteld worden.~
28 36, 11| en die uw volk kwellen, laat die het verderf vinden.~
29 38, 12| heeft hem geschapen, en laat hem niet van u, want gij
30 38, 16| Mijn kind over een dode laat tranen vallen, en begin
31 38, 24| 24 Als de dode rust, zo laat ook zijn gedachtenis rusten,
32 40, 17| desgenen, die zich genoegen laat, en des arbeiders, is zoet,
33 44, 1 | 1 LAAT ons nu de heerlijke mannen
|