Chapter, Verse
1 7, 28| geven in gelijkheid van hetgeen zij u gegeven hebben?~
2 8, 9 | 9 Veracht niet hetgeen door de wijzen verteld wordt,
3 11, 25| niet: Ik heb genoeg, en hetgeen ik heb is veel, en wat zal
4 14, 21| die met wijsheid betracht hetgeen eerlijk is, en die met zijn
5 15, 11| ik afgevallen ben; want hetgeen hij haat moet gij niet doen.~
6 15, 15| en het geloof om te doen hetgeen mij behaagt.~
7 15, 17| dood zijn voor de mens, en hetgeen hem behagen zal, dat zal
8 16, 18| afgrond en de aarde, en hetgeen daarin is, zullen in zijn
9 17, 6 | hij hen vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad is getoond.~
10 18, 2 | kracht, onderscheiden daarin hetgeen heilig is van het onheilige.~
11 18, 29| het dode hart hangt aan hetgeen dat dood is.~
12 22, 26| hovaardigheid, en openbaring van hetgeen verborgen is, en bedriegelijke
13 27, 8 | 8 Indien gij hetgeen recht is najaagt, zo zult
14 28, 28| 28 Zie toe, omtuin hetgeen gij bezit met doornen, en
15 29, 25| en een huis dat bedekt hetgeen niet wel voegt.~
16 31, 15| daarom weent het vanwege al hetgeen dat het ziet.~
17 31, 17| 17 Meet bij uzelf af hetgeen uw naaste behaagt, en let
18 31, 18| Eet gelijk een mens van hetgeen u voorgezet wordt, en zijt
19 31, 29| 29 De oven beproeft hetgeen door indompeling verstaald
20 32, 18| naar zijn wil vindt hij uit hetgeen hem behaagt.~
21 35, 10| Geef de Allerhoogste naar hetgeen hij u gegeven heeft, en
22 35, 10| heeft, en met een goed oog hetgeen uw hand gevonden heeft.~
23 36, 27| geen heining is, daar wordt hetgeen men bezit verscheurd, en
24 37, 10| zich tegenover u om te zien hetgeen u overkomen zal.~
25 39, 16| 16 Nog zal ik vertellen hetgeen ik bedacht heb, want ik
26 39, 22| niemand die verminderen zal hetgeen hij behouden wil.~
27 40, 2 | zo is de betrachting van hetgeen zij te verwachten hebben,
28 40, 21| Het oog verlustigt zich in hetgeen dat aangenaam en schoon
29 41, 6 | wilt gij weigerend zijn in hetgeen de Allerhoogste wel behaagt?~
30 41, 26| iemands deel weg te nemen, en hetgeen hem gegeven is, en te letten
31 41, 29| van weder te gaan zeggen hetgeen gij gehoord hebt, en te
32 42, 18| de werken des Heren, en hetgeen ik gezien heb zal ik vertellen:
33 48, 18| Enigen hunner deden wel hetgeen, God behagelijk was, maar
|