bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 1, 30| 30 Verhef uzelf niet, opdat
2 3, 30| 30 Het hart des verstandigen
3 4, 30| 30 Spreek de waarheid niet
4 6, 30| 30 En haar boeien zullen u
5 7, 30| 30 Vrees de Here, en eer de
6 10, 30| 30 Want het is beter dat iemand
7 11, 30| 30 Leid niet een ieder in uw
8 13, 30| 30 Het hart des mensen verandert
9 16, 30| 30 Hij bedekt het leven van
10 18, 30| 30 Ga uw lusten niet na, maar
11 20, 30| 30 Wijsheid die verborgen is,
12 21, 30| 30 Wanneer een goddeloze de
13 22, 30| 30 Een vriend te beschermen
14 23, 30| 30 Want vooreerst is zij de
15 24, 30| 30 De eerste heeft haar niet
16 25, 30| 30 Geef het water geen doortocht,
17 26, 30| 30 Over twee dingen is mijn
18 27, 30| 30 Die zich verheugen in de
19 28, 30| 30 Neemt acht dat gij niet
20 29, 30| 30 Namelijk, inwoner ga heen,
21 30 | 30~ ~
22 31, 30| 30 De wijn is de mensen gelijk
23 33, 30| 30 Hebt gij een huisknecht,
24 37, 30| 30 Zijt niet onverzadelijk
25 38, 30| 30 Zulk een begeeft zijn hart
26 39, 30| 30 Het voornaamste dat tot
27 40, 30| 30 Maar een verstandig man.
28 41, 30| 30 Gij zult recht schaamachtig
29 42, 30| 30 Alle dingen zijn dubbel,
30 43, 30| 30 Willen wij hem verheerlijken,
31 45, 30| 30 Daarom heeft de Here met
32 50, 30| 30 Geprezen zij de Here in
33 51, 30| 30 De Here heeft mij een tong
|