Chapter, Verse
1 6, 1 | want zulk een zal een boze naam, schaamte en verwijt beërven;
2 6, 23| wijsheid is gelijk haar naam meebrengt, en is niet velen
3 15, 6 | zij zal hem een eeuwige naam doen beërven.~
4 17, 8 | uitverkorenen zullen de naam zijner heiligmaking prijzen.~
5 22, 17| zwaarder dan lood, en wat naam zal hij hebben anders dan
6 36, 14| volk, Here, dat naar uw naam genoemd is; en over Israël,
7 36, 17| en verwek profeten in uw naam.~
8 37, 1 | is alleen vriend met de naam.~
9 37, 27| onder zijn volk, en zijn naam zal in eeuwigheid blijven.~
10 39, 13| zal niet vergaan, en zijn naam zal leven tot in alle geslachten.~
11 39, 15| blijft, zo zal hij een betere naam nalaten dan duizend anderen;
12 39, 40| hart en mond, en looft de naam des Heren.~ ~ ~ ~
13 40, 18| der stad onderstutten de naam.~
14 41, 14| hun lichamen, doch de boze naam der mensen zal uitgewist
15 41, 15| Draag zorg om een goede naam te verkrijgen, want die
16 41, 16| der dagen, maar een goede naam blijft in eeuwigheid.~
17 43, 8 | 8 De maand heeft haar naam naar haar; wassende is zij
18 44, 9 | zijn er onder hen, die een naam nagelaten hebben, waardoor
19 44, 15| in vrede begraven, en hun naam leeft van geslacht tot geslacht.~
20 45, 19| bedienen, en het volk in zijn naam te zegenen.~
21 46, 2 | groot werd, volgens zijn naam, in de verlossing zijner
22 46, 13| de richters, elk met zijn naam, welker aller hart niet
23 46, 14| spruit in hun plaats, en hun naam door verwisseling vernieuwd
24 47, 12| zouden prij zen zijn heilige naam, en van des morgens vroeg
25 47, 15| had, opdat hij voor zijn naam een huis zou oprichten,
26 47, 18| 18 Uw naam is verre tot in de eilanden
27 47, 20| 20 In de naam des Heren, de God der ganse
28 50, 21| zijn lippen, en om in zijn naam te roemen.~
29 51, 2 | 2 Ik belijd uw naam, dat gij mij een beschermer
30 51, 4 | der barmhartigheid van uw naam, uit de tanden die bereid
31 51, 14| 14 Ik zal uw naam prijzen zonder ophouden,
32 51, 16| zal u prijzen, en zal uw naam danken.~
|