Chapter, Verse
1 1, 19| plasregen en verhoogt de heerlijkheid der genen, die haar vasthouden.~
2 2, 23| 23 Want gelijk zijn grote heerlijkheid is, zo is ook zijn barmhartigheid.~ ~ ~ ~
3 10, 5 | schriftgeleerden zal hij zijn heerlijkheid stellen.~
4 10, 17| nederigen in hun plaats met heerlijkheid.~
5 11, 4 | aandoet, en in de dag der heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk
6 14, 26| voor de hitte, en in haar heerlijkheid zal hij herberg hebben.~ ~
7 17, 11| hun oor heeft gehoord de heerlijkheid zijner stem, en heeft tot
8 23, 35| 35 Het is een grote heerlijkheid God te volgen, en een lang
9 24, 19| bloemen zijn een vrucht der heerlijkheid en des rijkdoms.~
10 31, 26| en de getuigenis zijner heerlijkheid is getrouw.~
11 36, 16| verheffen, en uw volk met uw heerlijkheid.~
12 37, 27| 27 Een wijze zal heerlijkheid beërven onder zijn volk,
13 40, 3 | hem, die op de troon der heerlijkheid zit, als bij degene, die
14 40, 27| gezegende lusthof, en boven alle heerlijkheid bedekt hij die.~
15 42, 19| haar werk is vol van de heerlijkheid des Heren.~
16 42, 21| onderstut wordt door zijn heerlijkheid.~
17 42, 31| worden aanschouwende de heerlijkheid Gods?~ ~
18 43, 16| 16 Door zijn grote heerlijkheid versterkt hij de wolken,
19 44, 14| blijft hun zaad, en hun heerlijkheid zal niet uitgedelgd worden.~
20 44, 20| gevonden hem gelijk in zijn heerlijkheid, welke de wet des Allerhoogsten
21 45, 2 | Hij heeft hem der heiligen heerlijkheid gelijk gemaakt, en heeft
22 45, 3 | volk, en heeft hem zijn heerlijkheid getoond.~
23 45, 9 | omgord met een kleed der heerlijkheid, en hem aangetrokken een
24 45, 25| 25 Hij heeft Aärons heerlijkheid vermeerderd, en hem een
25 45, 30| hij en zijn zaad de grote heerlijkheid des priesterdoms zou hebben
26 45, 32| verdwijnen, en geve zijn heerlijkheid in hun geslachten.~ ~
27 47, 13| koninkrijks, en de troon der heerlijkheid in Israël.~
28 47, 22| 22 Zo hebt gij uw heerlijkheid een schandvlek aangehangen,
29 49, 7 | anderen gegeven, en hun heerlijkheid aan een vreemd volk.~
30 49, 14| toebereid tot een eeuwige heerlijkheid.~
31 50, 10| wolken; als hij het kleed der heerlijkheid nam, en als hij de volmaakte
32 50, 13| de zonen van Aäron in hun heerlijkheid, en de offerande des Heren
|