Chapter, Verse
1 3, 20| zijt, verneder uzelf des te meer, en gij zult bij de Here
2 3, 25| uwer woorden, want u zijn meer dingen aangewezen, dan het
3 4, 11| Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen dan uw moeder doet.~
4 10, 34| wordt in armoede, hoeveel te meer ook in rijk dom. En die
5 10, 34| ongeëerd is, hoeveel te meer in ar moede.~ ~
6 11, 11| haast, en heeft toch des te meer gebrek.~
7 13, 11| en hij zal u zo veel te meer en te vaker tot zich noden.~
8 17, 23| als die van een die niet meer is, gaat de dankzegging
9 19, 13| het niet te eniger tijd meer doe.~
10 21, 1 | gezondigd, doe daar geen zonde meer bij, en bid de vorige af.~
11 24, 31| 31 Want meer dan de zee zijn haar gedachten
12 28, 11| 11 Hoe meer hout men in het vuur legt,
13 28, 11| men in het vuur legt, hoe meer het brandt; hoe meer het
14 28, 11| hoe meer het brandt; hoe meer het gekijf wordt gesterkt,
15 28, 11| gekijf wordt gesterkt, hoe meer het vuur toeneemt; hoe sterker
16 28, 11| hoe rijker de mens is, hoe meer hij zijn toorn verheft.~
17 29, 16| 16 Zij zal meer dan een sterk schild, en
18 29, 16| dan een sterk schild, en meer dan een harde spies, tegen
19 34, 25| afbreekt, wat winnen zij meer dan moeite?~
20 40, 8 | deze dingen zevenvoudig meer.~
21 40, 19| maar de liefde tot wijsheid meer dan beide.~
22 40, 20| maar een liefelijke tong meer dan beide.~
23 40, 21| groente van het gezaaide meer dan in beide.~
24 40, 22| maar een vrouw met haar man meer dan beide.~
25 40, 23| maar een aalmoes verlost meer dan beide.~
26 40, 24| voet vast, maar raad wordt meer geacht dan beide.~
27 40, 25| maar de vreze des Heren meer dan beide.~
28 41, 15| want die zal u bijblijven meer dan duizend grote schatten
29 43, 4 | maar de zon verhit driemaal meer; die de bergen aansteekt,
30 43, 35| nog vele verborgen dingen meer dan deze; wij hebben van
|