1-500 | 501-828
Chapter, Verse
501 29, 26| Het leven des armen onder een deksel van planken, is beter
502 29, 27| 27 Heb een welbehagen zo wel aan het
503 29, 28| 28 Het is een ellendig leven uit het ene
504 29, 32| Deze dingen zijn zwaar voor een die verstand heeft. De bestraffing
505 30, 4 | heeft achter zich gelaten een die hem gelijk is.~
506 30, 6 | 6 Hij heeft een nagelaten, die zich aan
507 30, 8 | 8 Een ongetemd paard wordt wrevelig,
508 30, 8 | paard wordt wrevelig, en een ongebonden zoon wordt moedwillig.~
509 30, 12| lendenen, terwijl hij nog een kind is, opdat hij niet
510 30, 12| ongehoorzaam, en uw ziel een smart zij.~
511 30, 14| 14 Een arme die gezond en sterk
512 30, 14| leden is, die is beter dan een rijke die aan zijn lichaam
513 30, 15| beter dan al het goud, en een goed sterk lichaam dan onmetelijke
514 30, 17| 17 De dood is beter dan een bittere leven, of bijblijvende
515 30, 18| Opgesloten goederen bij een gesloten mond zijn gelijk
516 30, 18| gelijk spijsgerechten bij een graf gelegd.~
517 30, 20| de ogen, en zucht gelijk een gesnedene, die een maagd
518 30, 20| gelijk een gesnedene, die een maagd omvat, en zucht.~
519 30, 26| 26 Een lustig en goed hart is bezorgd
520 31, 2 | maar de slaap ontnuchtert een zware krankheid.~
521 31, 7 | 7 Het is een hout des aanstoots degenen
522 31, 10| bevonden? en hij zal zijn tot een roem. Wie heeft kunnen overtreden,
523 31, 12| 12 Als gij aan een grote tafel zit, zo doe
524 31, 14| 14 Gedenk dat een nijdig oog een kwaad ding
525 31, 14| Gedenk dat een nijdig oog een kwaad ding is.~
526 31, 15| bozer geschapen dan zulk een oog? daarom weent het vanwege
527 31, 18| 18 Eet gelijk een mens van hetgeen u voorgezet
528 31, 21| Hoe weinig is genoeg voor een mens die wel onderwezen
529 31, 21| niet op zijn bed, hij heeft een gezonde slaap, met een matig
530 31, 21| heeft een gezonde slaap, met een matig ingewand, hij staat
531 31, 22| pijn in de darmen, is bij een onverzadelijk mens.~
532 31, 31| 31 Wat voor een leven heeft hij die het
533 32, 1 | 1 HEBBEN zij u tot een overste gesteld, verhef
534 32, 1 | niet, maar wees bij hen als een van henlieden.~
535 32, 3 | om wel versierd te wezen een kroon moogt ontvangen.~
536 32, 6 | samenstemming der muzikanten in een wijngelag is gelijk een
537 32, 6 | een wijngelag is gelijk een zegel van een karbonkel
538 32, 6 | is gelijk een zegel van een karbonkel op een gulden
539 32, 6 | zegel van een karbonkel op een gulden sieraad.~
540 32, 7 | muzikanten bij zoete wijn, is als een zegel in een smaragd op
541 32, 7 | wijn, is als een zegel in een smaragd op een gulden stuk
542 32, 7 | zegel in een smaragd op een gulden stuk werk.~
543 32, 9 | woorden veel; wees gelijk als een die verstaat en evenwel
544 32, 11| de donder heen, en voor een eerbaar mens gaat aangenaamheid.~
545 32, 17| gerechtigheden aansteken als een licht.~
546 32, 18| 18 Een goddeloos mens ontwijkt
547 32, 19| 19 Een welberaden man veracht de
548 32, 19| de bedenking niet, maar een vreemde en hovaardige is
549 32, 23| werken, want ook dat is een onderhouding der geboden.~
550 33, 2 | 2 Een wijs man zal de wet niet
551 33, 2 | geveinsd is, die is gelijk als een schip in een storm van vele
552 33, 2 | gelijk als een schip in een storm van vele baren.~
553 33, 3 | 3 Een verstandig mens vertrouwt
554 33, 5 | zot is gelijk het rad aan een wagen, en zijn overlegging
555 33, 5 | zijn overlegging is gelijk een as die omloopt.~
556 33, 6 | 6 Een vriend, die een bespotter
557 33, 6 | 6 Een vriend, die een bespotter is, is gelijk
558 33, 6 | bespotter is, is gelijk een springhengst, hij briest
559 33, 6 | springhengst, hij briest onder een ieder, die op hem zit.~
560 33, 15| zij zijn alle twee, het een tegen het ander.~
561 33, 16| laatste ontwaakt gelijk een die achter de wijnlezers
562 33, 16| de wijnpers gevuld gelijk een wijnlezer.~
563 33, 19| 19 Geef uw zoon een vrouw, broeder en vriend
564 33, 24| 24 Voor een ezel behoort voeder, en
565 33, 24| ezel behoort voeder, en een stok en last; voor een huisknecht
566 33, 24| en een stok en last; voor een huisknecht spijs, en tuchtiging,
567 33, 26| buigen voor de hals van een os, maar de pijnbank en
568 33, 26| pijnbank en pijniging zijn voor een kwade huisknecht.~
569 33, 30| 30 Hebt gij een huisknecht, dat hij u zij
570 33, 30| bloed verkregen hebt; zo gij een huisknecht hebt, behandel
571 33, 30| hebt, behandel hem gelijk een broeder, want hij is gelijk
572 34, 1 | 1 DE hoop van een onverstandige man is ijdel
573 34, 2 | 2 Gelijk een die naar de schaduw grijpt,
574 34, 9 | 9 Een man, die gedwaald heeft,
575 34, 17| hem liefhebben; hij is hun een krachtig schild en sterk
576 34, 17| schild en sterk steunsel; een bescherming tegen de hitte,
577 34, 17| bescherming tegen de hitte, en een bescherming tegen de middag;
578 34, 17| bescherming tegen de middag; een bewaring voor de aanstoot,
579 34, 17| bewaring voor de aanstoot, en een hulp tegen de val.~
580 34, 21| tegenwoordigheid van zijn vader, die een slachtoffer toebrengt van
581 34, 22| hen daarvan berooft, is een doodslager.~
582 34, 25| 25 Als de een bouwt en de andere afbreekt,
583 34, 26| 26 Als de een bidt en de andere vloekt,
584 34, 27| iemand is gewassen nadat hij een dode heeft aangeraakt, en
585 34, 28| 28 Zo is het met een mens die vast vanwege zijn
586 35, 1 | geboden acht heeft, die offert een slachtoffer des heils.~
587 35, 2 | 2 Wie een weldaad vergeldt, is gelijk
588 35, 2 | meelbloem offert, en wie een aalmoes doet, die offert
589 35, 2 | aalmoes doet, die offert een dankoffer.~
590 35, 8 | Verheerlijk de Here met een goed oog, en verminder de
591 35, 9 | 9 Heb een vrolijk aangezicht in al
592 35, 10| u gegeven heeft, en met een goed oog hetgeen uw hand
593 35, 11| 11 Want de Here is een vergelden, en hij zal het
594 35, 13| 13 Want de Here is een rechter, en bij hem is geen
595 36, 11| behouden is geweest, wordt door een vurige toorn verslonden,
596 36, 19| zullen bekennen dat gij een Here der eeuwen zijt.~
597 36, 21| wildbraad, zo onderkent een verstandig hart leugenachtige
598 36, 22| 22 Een verdraaid hart zal droefheid
599 36, 22| zal droefheid geven, maar een mens, die veel ervaren heeft,
600 36, 23| 23 Een vrouw neemt iedere man aan,
601 36, 26| 26 Die een goede vrouw krijgt, die
602 36, 26| bezitten, aangezien hij een hulp heeft, die hem gelijk
603 36, 26| heeft, die hem gelijk is, en een pilaar waar hij op rusten
604 36, 28| 28 Want wie zal een toegeruste moordenaar betrouwen,
605 36, 28| sluipt; zo betrouwt men een mens niet, die geen nest
606 37, 2 | tot de dood toe wanneer een metgezel en een vriend tot
607 37, 2 | wanneer een metgezel en een vriend tot vijanden worden?~
608 37, 4 | 4 Een metgezel leeft met zijn
609 37, 5 | 5 Een metgezel arbeidt met zijn
610 37, 5 | des buiks wil, en neemt een schild tegen de vijand.~
611 37, 8 | 8 Een ieder die raad geeft, verheft
612 37, 12| 12 Noch met een vrouw, aangaande degene
613 37, 12| zij jaloers is; noch met een vreesachtige over de oorlog;
614 37, 12| over de oorlog; noch met een koopman over de wissel;
615 37, 12| over de verkoop; noch met een nijdig mens over de dankbaarheid,
616 37, 12| de dankbaarheid, noch met een onbarmhartige over de weldadigheid;
617 37, 12| de weldadigheid; noch met een luie over enig werk; noch
618 37, 12| over enig werk; noch met een huurling, die gij een jaar
619 37, 12| met een huurling, die gij een jaar gehuurd hebt over de
620 37, 12| voleinding van het werk, noch met een trage huisknecht over veel
621 37, 13| 13 Acht op deze niet in een van al uw beraadslagingen,
622 37, 13| maar houdt u steeds bij een godvrezende man, van wie
623 37, 15| dan zeven wachters die op een hoge wachttoren zitten.~
624 37, 18| 18 Het aangezicht is een teken van de verandering
625 37, 20| is menig arglistig man, een onderwijzer van velen, en
626 37, 24| 24 Een wijs man onderwijst zijn
627 37, 25| 25 Een wijs man zal vervuld worden
628 37, 26| 26 Het leven van een man heeft een getal der
629 37, 26| leven van een man heeft een getal der dagen, maar de
630 37, 27| 27 Een wijze zal heerlijkheid beërven
631 38, 4 | uit de aarde geschapen, en een voorzichtig man verontwaardigt
632 38, 5 | water niet zoet geworden van een hout, opdat zijn kracht
633 38, 11| 11 Geef de Here een welriekende reuk, en een
634 38, 11| een welriekende reuk, en een gedachtenis van meelbloem,
635 38, 11| meelbloem, en breng hem een vette offerande, als die
636 38, 13| 13 Daar is mischien een tijd, dat er in hun handen
637 38, 13| tijd, dat er in hun handen een goede reuk is.~
638 38, 16| 16 Mijn kind over een dode laat tranen vallen,
639 38, 18| rouw naar zijn waardigheid, een dag of twee, om der lastering
640 38, 20| droefheid, en het leven van een arme is een vervloeking
641 38, 20| het leven van een arme is een vervloeking des harten.~
642 38, 25| 25 De wijsheid van een schriftgeleerde wordt verkregen
643 38, 30| 30 Zulk een begeeft zijn hart om de
644 38, 31| 31 Zo ook een smid, die nabij het aanbeeld
645 38, 34| 34 Desgelijks een pottenbakker zit op zijn
646 38, 35| zijn arm geeft hij het leem een gestalte, en voor zijn voeten
647 39, 9 | woorden zijner wijsheid als een regen uitgieten, en in zijn
648 39, 15| leven blijft, zo zal hij een betere naam nalaten dan
649 39, 17| mij, en spruit uit gelijk een roos, die geplant is aan
650 39, 17| roos, die geplant is aan een stromend water;~
651 39, 18| 18 En brengt een bloem voort gelijk een lelie;
652 39, 18| brengt een bloem voort gelijk een lelie; geeft een reuk van
653 39, 18| gelijk een lelie; geeft een reuk van u, en zingt een
654 39, 18| een reuk van u, en zingt een lofzang.~
655 39, 21| woord stond het water gelijk een hoop, en door het woord
656 39, 26| zegen bedekt de aarde gelijk een rivier, en gelijk een watervloed
657 39, 26| gelijk een rivier, en gelijk een watervloed het droge land
658 39, 30| druivenbloed, en olie, en een kleed.~
659 40, 1 | 1 VOOR een ieder mens is een grote
660 40, 1 | 1 VOOR een ieder mens is een grote onrust geschapen en
661 40, 1 | grote onrust geschapen en een zwaar juk op de kinderen
662 40, 4 | 4 Zo wel bij hem, die een purperen kleed en een kroon
663 40, 4 | die een purperen kleed en een kroon draagt, als bij degene,
664 40, 7 | gezicht van zijn hart, gelijk een die uit de krijg ontvloden
665 40, 12| onrechtvaardigen zullen als een stroom uitdrogen, en gelijk
666 40, 12| stroom uitdrogen, en gelijk een grote donder met regen zal
667 40, 14| onreine wortelen liggen op een steile steenrots.~
668 40, 15| alle water en oever van een stroom zal voor alle ander
669 40, 16| 16 Weldadigheid is gelijk een lusthof met zegeningen,
670 40, 17| arbeiders, is zoet, maar die een schat vindt gaat beide te
671 40, 20| en het snarenspel geven een zoete toon, maar een liefelijke
672 40, 20| geven een zoete toon, maar een liefelijke tong meer dan
673 40, 22| 22 Een vriend en zijn gezel komen
674 40, 22| ter ge legener tijd, maar een vrouw met haar man meer
675 40, 23| tijd der verdrukking, maar een aalmoes verlost meer dan
676 40, 27| vreze des Heren is gelijk een gezegende lusthof, en boven
677 40, 29| 29 Een man die naar een vreemde
678 40, 29| 29 Een man die naar een vreemde tafel ziet, diens
679 40, 30| 30 Maar een verstandig man. en die onderwezen
680 40, 31| zoet, maar in zijn buik zal een vuur branden.~ ~
681 41, 1 | gedachtenis van u, voor een mens, die in vrede leeft
682 41, 2 | 2 Voor een man die goede rust heeft,
683 41, 3 | oordeel is aangenaam voor een mens, die behoeftig is en
684 41, 4 | 4 Voor een die in zijn uiterste ouderdom
685 41, 10| 10 Een goddeloze vader schelden
686 41, 12| wordt, zo wordt gij tot een vloek geboren, en indien
687 41, 12| zo wordt gij de vloek tot een deel.~
688 41, 15| 15 Draag zorg om een goede naam te verkrijgen,
689 41, 16| 16 Een goed leven heeft een. zeker
690 41, 16| 16 Een goed leven heeft een. zeker getal der dagen,
691 41, 16| zeker getal der dagen, maar een goede naam blijft in eeuwigheid.~
692 41, 18| wijsheid, die verborgen is, en een schat, die niet te voorschijn
693 41, 19| 19 Een mens, die zijn dwaasheid
694 41, 19| dwaasheid verbergt, is beter dan een mens, die zijn wijsheid
695 41, 21| vanwege hoererij, en voor een vorst en machtige vanwege
696 41, 22| 22 Voor een rechter en overste vanwege
697 41, 22| vanwege mishandeling, voor een vergadering en voor het
698 41, 23| 23 Voor een metgezel en vriend vanwege
699 41, 25| vanwege het aanschouwen van een lichte vrouw; en dat gij
700 41, 25| uw aangezicht afwendt van een mens die edel is.~
701 41, 26| gegeven is, en te letten op een vrouw die een man heeft.~
702 41, 26| letten op een vrouw die een man heeft.~
703 41, 27| anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt u niet
704 42, 2 | vanwege het oordeel, om een goddeloze te rechtvaardigen;~
705 42, 6 | 6 Noch dat gij een boze huisknecht zijn zijde
706 42, 7 | 7 Bij een boze vrouw is verzegelen
707 42, 9 | En schaam u niet dat gij een onverstandige en dwaas onderwijst,
708 42, 9 | en dwaas onderwijst, en een geheel oude, die met de
709 42, 10| recht onderwezen, en bij een ieder, die leeft, geacht
710 42, 11| 11 Een dochter is haar vader een
711 42, 11| Een dochter is haar vader een heimelijk waken, en zijn
712 42, 13| zwanger worde, en hebbende een man, dat zij niet misschien
713 42, 14| Houd scherpe wacht over een wrevelige dochter, dat zij
714 42, 17| 17 De boosheid van een man is beter dan een goeddadige
715 42, 17| van een man is beter dan een goeddadige vrouw, namelijk
716 42, 17| goeddadige vrouw, namelijk een vrouw die beschaamd maakt
717 42, 25| daar is voor hem ook niet een woord verborgen.~
718 42, 28| aanschouwd te worden tot op een vonkje toe!~
719 42, 30| dingen zijn dubbel, het een tegenover het ander, en
720 42, 31| 31 Het een bevestigt het goede des
721 43, 1 | HET zuivere firmament is een roem der hoogte; de gedaante
722 43, 2 | God in haar opgang; zij is een wonderlijk instrument, een
723 43, 2 | een wonderlijk instrument, een werk des Allerhoogsten.~
724 43, 4 | 4 Men blaast een oven aan tot werken der
725 43, 6 | staan zou in haar tijd, tot een aanwijzing der tijden, en
726 43, 6 | aanwijzing der tijden, en tot een teken der eeuw.~
727 43, 7 | 7 Van de maan heeft men een teken van het feest, zij
728 43, 7 | teken van het feest, zij is een licht dat geheel afneemt.~
729 43, 9 | 9 Zij is een vat hetwelk legerplaats
730 43, 10| dat heerlijk gesternte, een sieraad lichtende in de
731 43, 11| heilige worden zij gesteld tot een veroordeling, en worden
732 43, 13| 13 Hij omvat de hemel met een heerlijke kring, de handen
733 43, 22| trekt het water gelijk als een pantser aan.~
734 43, 24| 24 Maar een haastige genezing van al
735 44, 9 | Enigen zijn er onder hen, die een naam nagelaten hebben, waardoor
736 44, 12| 12 Bij hun zaad blijft een goed erfdeel; hun nakomelingen
737 44, 17| weggenomen, om het geslacht een voorbeeld der boetvaardigheid
738 44, 20| 20 Abraham is geweest een grootvader van menigte der
739 44, 20| bewaard heeft, en met hem in een verbond geweest is.~
740 44, 22| Daarom heeft hij hem met een eed beloofd, dat hij de
741 44, 23| stof der aarde; en dat zij een erfdeel zouden bezitten
742 44, 25| zijn zegeningen, en hem een erfdeel gegeven, en heeft
743 44, 26| heeft uit hem voortgebracht een man der barmhartigheid,
744 45, 8 | 8 Hij heeft met hem een eeuwig verbond opgericht,
745 45, 9 | En heeft hem omgord met een kleed der heerlijkheid,
746 45, 9 | heerlijkheid, en hem aangetrokken een volkomen roem, en hem gesterkt
747 45, 11| geklank in het gaan; en een gerucht te maken dat men
748 45, 11| in de tempel, en dat tot een gedachtenis mocht dienen
749 45, 12| 12 Met een heilige gouden, en hemelsblauwe
750 45, 12| purperen rok, het werk van een borduurwerker; met de lap
751 45, 13| kostelijke stenen gegraveerd, als een zegel in goud ingevat, een
752 45, 13| een zegel in goud ingevat, een werk des graveerders; waarin
753 45, 13| graveerders; waarin tot een gedachtenis geschreven en
754 45, 14| Hij heeft hem versierd met een gouden kroon boven op de
755 45, 14| kroon boven op de hoed, een uitgedrukt zegel der heiligheid,
756 45, 14| uitgedrukt zegel der heiligheid, een heerlijke roem, machtige
757 45, 16| deze klederen aan, die uit een ander geslacht was, behalve
758 45, 19| 19 Dit is hem geweest tot een eeuwig verbond, en zijn
759 45, 25| heerlijkheid vermeerderd, en hem een erfdeel gegeven, de eerstelingen
760 45, 29| volk had afgekeerd, met een goede toegenegenheid van
761 45, 30| hem en zijn volk opgericht een. verbond des vredes, dat
762 45, 30| vredes, dat hij zou zijn een voorstander der heilige
763 45, 31| verbond opgericht met David, een zoon uit de stam van Juda
764 46, 5 | achterwaarts gegaan? En is niet een dag als twee geworden?~
765 46, 15| bemind van zijn Here, zijnde een profeet des Heren, heeft
766 46, 17| is hij ten volle bevonden een profeet, en is bekend geworden
767 46, 18| rondom drukten, en offerde een melklam;~
768 46, 22| zijn stem uit de aarde, met een profetie, dat de ongerechtigheid
769 47, 4 | In zijn jeugd bracht hij een reus om, en nam de versmaadheid
770 47, 6 | rechterhand kracht dat hij weg nam een mens, die machtig, was in
771 47, 11| altaar, om uit zijn geluid een zoete toon te maken, en
772 47, 14| stond op zijn zoon zijnde een wijs man, en door hem heeft
773 47, 15| opdat hij voor zijn naam een huis zou oprichten, en een
774 47, 15| een huis zou oprichten, en een heiligdom bereiden in der
775 47, 16| vervuld met verstand gelijk een stroom.~
776 47, 22| hebt gij uw heerlijkheid een schandvlek aangehangen,
777 47, 22| gescheurd werd, en uit Efraïm een on gehoorzaam koninkrijk
778 47, 25| 25 En gaf Jakob een overblijfsel, en David een
779 47, 25| een overblijfsel, en David een wortel uit hem gesproten.~
780 47, 26| en liet na van zijn zaad een zeer dwaze onder het volk,
781 47, 27| zondigende, en gaf Efraïm een weg der zonde, en hun zonden
782 48, 1 | Elia de profeet op gelijk een vuur, en zijn woord brandde
783 48, 1 | en zijn woord brandde als een fakkel.~
784 48, 2 | 2 Welke over hen bracht een zware honger, en door zijn
785 48, 5 | 5 Gij, die een dode uit de dood hebt opgewekt,
786 48, 5 | de dood hebt opgewekt, en een ziel uit het graf door het
787 48, 9 | opgenomen zijt geweest door een vurige draaiwind, in een
788 48, 9 | een vurige draaiwind, in een wagen met vurige paarden.~
789 48, 13| het, die bedekt werd met een draaiwind; en Elisa werd
790 48, 16| zonden niet af totdat zij als een roof zijn weggevoerd uit
791 48, 17| 17 En daar bleef een klein volk over, en een
792 48, 17| een klein volk over, en een overste in het huis van
793 48, 27| 27 Hij zag door een grote geest de laatste dingen,
794 49, 1 | gedachtenis van Josia, is als een tezamen gemengd reukwerk,
795 49, 2 | Zij is zoet in de mond van een ieder als honig, en als
796 49, 2 | ieder als honig, en als een muziekspel op een wijnbanket.~
797 49, 2 | en als een muziekspel op een wijnbanket.~
798 49, 7 | en hun heerlijkheid aan een vreemd volk.~
799 49, 9 | lichaam was geheiligd tot een profeet, om uit te roeien,
800 49, 10| 10 Ezechiël is het, die een heerlijk gezicht zag, hetwelk
801 49, 13| verheffen! want hij was gelijk een zegelring aan de rechterhand.~
802 49, 14| Here werd toebereid tot een eeuwige heerlijkheid.~
803 49, 17| geen man geweest als Jozef, een leidsman zijner broederen,~
804 49, 18| 18 Een steunsel des volks, en zijn
805 50, 3 | te klein, en werd gemaakt een metalen vat gelijk de zee,
806 50, 7 | oorsprong van het water; gelijk een spruit van Libanon in de
807 50, 8 | Gelijk vuur en wierook op een vuurpan;~
808 50, 9 | 9 Gelijk een gouden vat, dat met de hamer
809 50, 10| 10 Gelijk een schone olijfboom, die vruchten
810 50, 10| vruchten voortspruit; en gelijk een cypresseboom, die verhoogd
811 50, 13| 13 Rondom hem was een omstaande menigte zijner
812 50, 16| fundamenten van het altaar een welriekende reuk voor de
813 50, 17| met dun gesmede trompetten een weerklank gevende; en maakten
814 50, 17| maakten dat er gehoord werd een groot geschal, tot een gedachtenis
815 50, 17| werd een groot geschal, tot een gedachtenis voor de Aller
816 50, 19| in het meeste geluid was een zoet gezang.~
817 50, 27| boek op schrift gesteld een onderwijzing van het verstand
818 50, 27| wetenschap; welke de wijsheid als een plasregen uit zijn hart
819 51, 1 | 1 <<Een Gebed van Jezus, de zoon
820 51, 2 | belijd uw naam, dat gij mij een beschermer en helper geweest
821 51, 3 | mij stelden, zijt gij mij een helper geweest.~
822 51, 7 | lastering bij de koning, en van een onrechtvaardige tong.~
823 51, 19| verheugd geweest, gelijk over een druif die na het bloeisel
824 51, 21| 21 Ik hem mijn oor een weinig geneigd, en heb haar
825 51, 28| van het begin af tot haar een hart gekregen, daarom zal
826 51, 29| te zoeken, daarom heb ik een goede bezitting verkregen.~
827 51, 30| 30 De Here heeft mij een tong gegeven tot mijn loon,
828 51, 36| deelachtig de onderwijzing met een groot getal gelds, en veel
1-500 | 501-828 |