Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zij 160
zijde 4
zijden 1
zijn 692
zijnde 13
zijnentwil 2
zijner 33
Frequency    [«  »]
1650 en
1476 de
828 een
692 zijn
634 is
559 het
554 die

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

zijn

1-500 | 501-692

    Chapter, Verse
1 1, 5 | wijsheid, en haar wegen zijn eeuwige geboden.~ 2 1, 7 | zeer vreselijk, zittende op zijn troon.~ 3 1, 9 | haar uitgegoten over al zijn werken; zij is bij alle 4 1, 9 | zij is bij alle vlees naar zijn gave, en hij verleent haar 5 1, 12| dagen, en in de dag van zijn dood zal hij gezegend worden.~ 6 1, 17| 17 En beide zijn het gaven Gods tot vrede.~ 7 1, 20| Here vrezen, en haar takken zijn een lang leven.~ 8 1, 24| 24 Hij zal zijn woorden een tijdlang verbergen, 9 1, 24| lippen van velen zullen zijn verstand verhalen.~ 10 1, 25| de schatten der wijsheid zijn gelijkenissen der wetenschap, 11 1, 27| is wijsheid en tucht, en zijn wel behagen is geloof en 12 2, 9 | de Here vreest, verbiedt zijn barmhartigheid en wijkt 13 2, 12| 12 Of wie is in zijn vreze gebleven en verlaten 14 2, 18| Die de Here vrezen, zullen zijn woorden niet ongehoorzaam 15 2, 18| woorden niet ongehoorzaam zijn, en die Hem liefhebben, 16 2, 18| die Hem liefhebben, zullen zijn wegen bewaren.~ 17 2, 20| hem liefhebben, zullen van zijn wet verzadigd worden.~ 18 2, 23| 23 Want gelijk zijn grote heerlijkheid is, zo 19 2, 23| heerlijkheid is, zo is ook zijn barmhartigheid.~ ~ ~ ~ 20 3, 3 | 3 Wie zijn vader eert, die verzoent 21 3, 3 | vader eert, die verzoent zijn zonden;~ 22 3, 4 | 4 En wie zijn moeder eert, is gelijk als 23 3, 5 | 5 Wie zijn vader eert, zal zich over 24 3, 5 | vader eert, zal zich over zijn kinderen verheugen, en zal 25 3, 6 | 6 Wie zijn vader eert, zal lang leven, 26 3, 6 | Here gehoorzaam is, zal zijn moeder rust aanbrengen,~ 27 3, 7 | 7 Wie de Here vreest zal zijn vader eren, zal als heren 28 3, 13| kind, verzorg uw vader in zijn ouderdom, en bedroef hem 29 3, 18| 18 Wie zijn vader verlaat, die is gelijk 30 3, 18| een godslasteraar, en wie zijn broeder tot toorn verwekt, 31 3, 21| 21 Velen zijn hoog en zeer vermaard, maar 32 3, 23| 23 Dingen die u te zwaar zijn, onderzoek ze niet onbedacht, 33 3, 23| onbedacht, en die u te sterk zijn ondertast ze niet uit dwaasheid. 34 3, 25| overvloedigheid uwer woorden, want u zijn meer dingen aangewezen, 35 3, 29| zo is daar geen genezing; zijn aanslagen zullen ontworteld 36 3, 32| en hij zal in de tijd van zijn val een steunsel vinden.~ ~ 37 4, 2 | niet, en stel niemand uit zijn behoefte.~ 38 4, 6 | bitterheid zijner ziel, zijn gebed zal hij horen, die 39 4, 11| 11 En gij zult zijn gelijk een zoon des Allerhoogsten, 40 4, 17| zal hij haar beërven, en zijn nakomelingen zullen in bezitting 41 4, 19| tuchtiging, totdat zij in zijn ziel vertrouwen zal hebben, 42 4, 22| overlaten in de handen van zijn ongeval.~ 43 4, 28| wijsheid niet om aangenaam te zijn.~ 44 4, 36| uw hand niet uitgestrekt zijn om te nemen, en tezamen 45 5, 3 | niet: Wie zal mij onder zijn macht brengen vanwege mijn 46 5, 6 | 6 En zeg niet: Zijn ontferming is groot, de 47 5, 7 | haasten, en op de zondaars zal zijn gramschap rusten.~ 48 5, 9 | en als gij onbezorgd zult zijn zult gij vermorzeld worden, 49 6, 8 | daar is menig vriend in zijn gelegene tijd, en blijft 50 6, 10| vriend om tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij in 51 6, 11| Als het u wel gaat zal hij zijn als gij, en over uw huisknechten 52 6, 12| wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht 53 6, 17| gedraagt zich recht in zijn vriendschap; want naar dat 54 6, 17| dat hij is, zo zullen ook zijn naasten zijn.~ 55 6, 17| zullen ook zijn naasten zijn.~ 56 6, 30| En haar boeien zullen u zijn tot een sterke bescherming, 57 6, 31| op haar, en haar banden zijn een hyacinten draad.~ 58 6, 36| gestadig de trappen van zijn deuren.~ 59 6, 37| volkomen, en oefen u altijd in zijn bevelen, zo zal hij uw hart 60 7, 6 | mocht niet sterk genoeg zijn de ongerechtigheden weg 61 7, 8 | zult gij niet onschuldig zijn.~ 62 7, 17| goddelozen zal vuur en worm zijn.~ 63 7, 20| huisknecht geen kwaad die getrouw zijn werk doet, noch de huurling 64 7, 20| doet, noch de huurling die zijn ziel aan u overgeeft.~ 65 7, 29| uw gehele ziel, en houd zijn priesters in waarde; heb 66 7, 29| gemaakt heeft, en verlaat zijn dienaars niet.~ 67 7, 31| 31 En geef hem zijn deel, gelijk u bevolen is,~ 68 7, 35| 35 Gaven zijn aangenaam bij alle levenden, 69 8, 1 | dat gij niet misschien in zijn handen valt.~ 70 8, 4 | mens, en hoop geen hout op zijn vuur.~ 71 8, 6 | dat wij allen strafwaardig zijn.~ 72 8, 7 | 7 Onteer niemand in zijn ouderdom, want ook uit ons 73 8, 7 | ouderdom, want ook uit ons zijn er die oud worden.~ 74 8, 17| men zal hem oordelen, naar zijn mening.~ 75 8, 18| bezware, want hij zal naar zijn wil doen, en gij zoudt door 76 8, 18| doen, en gij zoudt door zijn dwaas heid mee vergaan.~ 77 8, 19| als niets is het bloed in zijn ogen, en waar geen hulp 78 9, 9 | de schoonheid der vrouw zijn velen verleid geworden, 79 9, 13| als hij zal oud geworden zijn, drink hem met verheuging.~ 80 9, 14| 14 Benijd de zondaar zijn eer niet, want gij weet 81 9, 14| want gij weet niet welke zijn verandering is.~ 82 9, 20| rechtvaardige mannen uw tafelgenoten zijn, en laat uw roem zijn in 83 9, 20| tafelgenoten zijn, en laat uw roem zijn in de vreze des Heren.~ 84 9, 21| voorganger des volks, door zijn woord.~ 85 9, 22| man is verschrikkelijk in zijn stad, en die te voortvarend 86 9, 22| die te voortvarend is in zijn rede, zal gehaat worden.~ ~ 87 10, 1 | wijs rechter onderwijst zijn volk, en de heerschappij 88 10, 2 | rechter des volks is, zo zijn ook zijn dienaars; en gelijk 89 10, 2 | des volks is, zo zijn ook zijn dienaars; en gelijk de voorganger 90 10, 2 | voorganger der stad is, zo zijn allen die deze bewonen.~ 91 10, 3 | niet onderwezen is, zal zijn volk verderven, maar een 92 10, 5 | schriftgeleerden zal hij zijn heerlijkheid stellen.~ 93 10, 8 | die door bedrog verkregen zijn; wat verhovaardigt zich 94 10, 10| 10 Want deze biedt ook zijn eigen ziel te koop, want 95 10, 10| eigen ziel te koop, want zijn ingewanden werpen deze weg, 96 10, 13| van de Here afwijkt, en zijn hart afwijkt van degene 97 10, 21| die van vrouwen geboren zijn.~ 98 10, 22| 22 Die de Here vrezen zijn een gewis zaad, en die Hem 99 10, 22| die op de wet niet achten, zijn een schandelijk zaad; die 100 10, 23| vrezen worden geëerd voor zijn ogen.~ 101 10, 29| 29 Denk niet wijs te zijn als gij uw werk doet, en 102 10, 32| rechtvaardigen die tegen zijn ziel zondigt en wie zal 103 10, 32| en wie zal die eren, die zijn leven onteert?~ 104 10, 33| wordt verheerlijkt vanwege zijn wetenschap, en een rijke 105 10, 33| wordt verheerlijkt vanwege zijn rijkdom.~ 106 11, 1 | wijsheid van de nederige zal zijn hoofd verheffen, en hem 107 11, 2 | 2 Prijs niemand vanwege zijn schoonheid, en heb geen 108 11, 2 | geen gruwel aan iemand, om zijn voorkomen.~ 109 11, 4 | u niet, want wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn 110 11, 4 | zijn de werken des Heren en zijn werken zijn de mensen verborgen.~ 111 11, 4 | des Heren en zijn werken zijn de mensen verborgen.~ 112 11, 6 | 6 Vele machtigen zijn grotelijks onteerd geworden, 113 11, 6 | en vele heerlijke lieden zijn overgeleverd in handen van 114 11, 10| gij zult niet onschuldig zijn; en indien gij ze najaagt, 115 11, 12| goede, en richt hem op uit zijn nederigheid;~ 116 11, 13| 13 En verheft zijn hoofd van het verderven; 117 11, 14| dood, armoede en rijkdom zijn van de Here.~ 118 11, 15| en wegen der goede werken zijn van hem.~ 119 11, 16| 16 Dwaling en duisternis zijn met de zondaren geschapen, 120 11, 17| bij de godvrezenden, en zijn welbehagen maakt voorspoedig 121 11, 18| is er die rijk wordt door zijn opmerken en spaarzaamheid, 122 11, 18| spaarzaamheid, en dit is nu zijn deel van zijn loon.~ 123 11, 18| dit is nu zijn deel van zijn loon.~ 124 11, 23| een korte tijd doet hij zijn zegen uitspruiten.~ 125 11, 24| nu voortaan mijn goederen zijn?~ 126 11, 27| de mens te vergelden naar zijn werken.~ 127 11, 29| Spreek niemand zalig voor zijn dood; ook aan zijn kinderen 128 11, 29| voor zijn dood; ook aan zijn kinderen wordt een man gekend.~ 129 11, 30| de lagen van de lasteraar zijn vele.~ 130 12, 8 | het iemand wèl gaat, dan zijn zijn vijanden in droefheid, 131 12, 8 | iemand wèl gaat, dan zijn zijn vijanden in droefheid, en 132 12, 10| het koper verroest, zo ook zijn boosheid.~ 133 12, 11| van hem, en gij zult hem zijn als die een spiegel heeft 134 12, 13| zondaar, en zich vermengt in zijn zonden.~ 135 12, 15| En de vijand zal wel met zijn lippen zoet spreken, maar 136 12, 15| lippen zoet spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen 137 12, 16| 16 Met zijn ogen zal hij wenen, en indien 138 12, 18| 18 Hij zal zijn hoofd schudden, en met de 139 12, 18| klappen, en veel murmelen, en zijn aangezicht veranderen.~ ~ ~ 140 13, 5 | gij hem kunt bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stel 141 13, 8 | 8 Hij zal u met zijn spijs beschaamd maken, totdat 142 13, 8 | aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden.~ 143 13, 13| te spreken, en betrouw op zijn vele woorden niet, want 144 13, 14| Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet houdt, en hij 145 13, 18| lief, en ieder mens heeft zijn naaste lief.~ 146 13, 19| vlees vergadert zich naar zijn geslacht, en een man hangt 147 13, 22| ezels der leeuwen jacht zijn in de woestijn, zo zijn 148 13, 22| zijn in de woestijn, zo zijn de armen der rijken weide.~ 149 13, 24| wordt, zo wordt hij van zijn vrienden onderstut; maar 150 13, 24| wordt hij daarenboven van zijn vrienden verstoten.~ 151 13, 27| zwijgen allen, en verhogen zijn rede tot aan de wolken.~ 152 13, 30| hart des mensen verandert zijn aangezicht, het zij ten 153 14, 1 | de man die niet feilt met zijn mond, en niet doorprikkeld 154 14, 2 | 2 Zalig is hij, die zijn ziel niet verdoemt, en die 155 14, 2 | en die niet vervalt van zijn hoop, die hij op de Here 156 14, 4 | vergadert onttrekkende van zijn ziel, die vergadert voor 157 14, 4 | en vreemden zullen van zijn goederen lekker leven.~ 158 14, 5 | kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs zal hij zich niet 159 14, 5 | hij zich niet verheugen in zijn goederen.~ 160 14, 7 | en op het laatst zal hij zijn boosheid doen blijken.~ 161 14, 9 | ongerechtigheid van de boze doet zijn ziel uitdrogen.~ 162 14, 10| brood, en lijdt gebrek aan zijn tafel.~ 163 14, 21| hetgeen eerlijk is, en die met zijn verstand van heilige dingen 164 14, 22| 22 Die zijn wegen in zijn hart bezint, 165 14, 22| 22 Die zijn wegen in zijn hart bezint, die zal ook 166 14, 24| herberg neemt en in haar muren zijn paal slaat, zijn tabernakel 167 14, 24| haar muren zijn paal slaat, zijn tabernakel naar haar hand 168 14, 25| herberg vol goeds, en zal zijn kinderen stellen onder haar 169 15, 5 | zij zal hem verhogen boven zijn naaste, en zij zal in het 170 15, 5 | het midden der vergadering zijn mond openen.~ 171 15, 17| 17 Het leven en de dood zijn voor de mens, en hetgeen 172 15, 19| 19 En zijn ogen zijn op degenen die 173 15, 19| 19 En zijn ogen zijn op degenen die hem vrezen, 174 15, 20| niemand geboden goddeloos te zijn, en heeft niemand verlof 175 16, 8 | oude reuzen, die afgevallen zijn door de kracht hunner dwaasheid.~ 176 16, 11| dan een hardnekkige zou zijn onder het volk, het ware 177 16, 13| 13 Gelijk zijn barmhartigheid groot is, 178 16, 13| barmhartigheid groot is, zo is ook zijn kastijding; hij zal een 179 16, 13| een ieder oordelen naar zijn werken.~ 180 16, 14| zal niet ontvlieden met zijn roof; en de verwachting 181 16, 15| een ieder zal vinden naar zijn werken. De Here heeft Faraö 182 16, 15| hij hem niet kende, opdat zijn werken zouden bekend worden 183 16, 15| geslacht onder de hemel; zijn barmhartigheid is alle schepselen 184 16, 15| schepselen openbaar, en zijn licht en duisternis heeft 185 16, 18| hetgeen daarin is, zullen in zijn bezoeking bewogen worden; 186 16, 18| geweest is, en is, die is door zijn wil.~ 187 16, 21| 21 En wie kan zijn wegen bedenken? zij zijn 188 16, 21| zijn wegen bedenken? zij zijn gelijk een storm wind, welke 189 16, 25| brengen van gewicht, en zijn wetenschap verkondigen met 190 16, 26| Want door des Heren oordeel zijn zijn werken van het begin 191 16, 26| door des Heren oordeel zijn zijn werken van het begin en 192 16, 26| begin en van dat zij gemaakt zijn, heeft hij hun delen onder 193 16, 27| 27 Hij heeft zijn werken versierd in eeuwigheid, 194 16, 27| eeuwigheid, hun beginselen door zijn hand in alle geslachten; 195 16, 27| hebben geen honger gehad, en zijn niet vermoeid geweest in 196 16, 27| niet vermoeid geweest in zijn maakselen, en zijn niet 197 16, 27| geweest in zijn maakselen, en zijn niet be zweken van zijn 198 16, 27| zijn niet be zweken van zijn werken, niet een heeft zijn 199 16, 27| zijn werken, niet een heeft zijn naaste verdrukt;~ 200 16, 28| in eeuwigheid zullen zij zijn woord niet ongehoorzaam 201 16, 28| woord niet ongehoorzaam zijn.~ 202 16, 29| en heeft ze vervuld met zijn goederen.~ 203 17, 2 | over de dingen die daarop zijn.~ 204 17, 3 | gelegenheid, en heeft hen naar zijn evenbeeld gemaakt.~ 205 17, 4 | de dieren en vogels, naar zijn gelijkenis.~ 206 17, 5 | geschonken, uit delende zijn gaven, en voor het zevende, 207 17, 7 | 7 Hij heeft zijn ogen op hun harten gelegd; 208 17, 7 | eeuwigheid te mogen roemen in zijn wonderen, opdat zij zijn 209 17, 7 | zijn wonderen, opdat zij zijn werken verstandig zouden 210 17, 9 | verstaan, dat zij nu sterfelijk zijn.~ 211 17, 10| opgericht, en hun getoond zijn oordelen.~ 212 17, 11| 11 Hun ogen hebben zijn heerlijke majesteit gezien, 213 17, 12| geboden gegeven, elk een van zijn naaste.~ 214 17, 13| wegen zullen niet verborgen zijn voor zijn ogen, zijnde altijd 215 17, 13| niet verborgen zijn voor zijn ogen, zijnde altijd voor 216 17, 14| maar Israël nam hij tot zijn deel aan, welke, zijnde 217 17, 14| deel aan, welke, zijnde zijn eerstgeborene, de tucht 218 17, 15| 15 Daarom zijn al hun werken voor hem gelijk 219 17, 15| hem gelijk als de zon, en zijn ogen zien steeds op hun 220 17, 16| 16 Hun ongerechtigheden zijn niet verborgen voor hem, 221 17, 16| voor hem, en al hun zonden zijn voor de Here, doch de Here 222 17, 16| zijnde goedertieren, en zijn maaksel kennende, heeft 223 17, 17| tegen de mens bewaren als zijn oogappel, gevende zijn zonen 224 17, 17| als zijn oogappel, gevende zijn zonen en dochters bekering, 225 17, 19| verlaat de zonden; smeek voor zijn aangezicht, en verminder 226 17, 26| kunnen in de mensen niet zijn, dewijl geen mensenzoon 227 17, 28| hogen hemels, en alle mensen zijn maar aarde en as.~ ~ ~ ~ 228 18, 2 | zijner hand, en alle dingen zijn zijn wil gehoorzaam. Want 229 18, 2 | hand, en alle dingen zijn zijn wil gehoorzaam. Want hij 230 18, 2 | koning aller dingen door zijn kracht, onderscheiden daarin 231 18, 3 | heeft hij macht gegeven zijn werken te verkondigen en 232 18, 3 | verkondigen en wie heeft zijn grote daden uitgespeurd?~ 233 18, 4 | 4 Wie zal de kracht van zijn majesteit uitrekenen? en 234 18, 4 | en wie zal nog daarbij zijn barmhartigheden verhalen?~ 235 18, 5 | 5 De wonderen des Heren zijn niet te verminderen noch 236 18, 5 | noch te vermeerderen, en zijn niet uit te speuren.~ 237 18, 7 | waartoe is hij nut? wat is zijn goed en wat is zijn kwaad?~ 238 18, 7 | wat is zijn goed en wat is zijn kwaad?~ 239 18, 8 | aangaande honderd jaren zijn vele, maar het ontslapen 240 18, 9 | het zand aan de zee, zo zijn duizend jaren tegen de dagen 241 18, 10| lankmoedig over hen, en giet zijn barmhartigheid op hen uit.~ 242 18, 11| kwaad is, daarom heeft hij zijn verzoening vermenigvuldigd.~ 243 18, 12| barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid. 244 18, 13| bekeert gelijk een herder zijn kudde.~ 245 18, 14| die zich zeer haasten tot zijn oordelen.~ 246 18, 17| goed geschenk? en beide zijn ze bij de mens aangenaam.~ 247 18, 18| 18 Een zot verwijt zijn weldaad onbeleefd, en de 248 18, 24| tijd der wraak, als de Here zijn aangezicht zal afkeren.~ 249 18, 26| tijd, en al deze dingen zijn haastig voor de Here. Een 250 18, 29| 29 Die verstandig zijn in woorden, die handelen 251 18, 33| zult gij een verspieder zijn van uw eigen leven, waar 252 19, 4 | lichtvaardig van hart, en die tegen zijn ziel zondigt, zal zo mishandelen.~ 253 19, 5 | wellusten wederstaat, die kroont zijn leven.~ 254 19, 6 | 6 Wie zijn tong bedwingt, zal met degene 255 19, 16| harte, en wie is er die met zijn tong niet struikelt?~ 256 19, 19| huisknecht zeggende tot zijn heer: Gelijk het u behaagt 257 20, 1 | bestraffen dan heimelijk gram te zijn; en wie zijn zonde bekent, 258 20, 1 | heimelijk gram te zijn; en wie zijn zonde bekent, die zal voor 259 20, 3 | die gehaat wordt vanwege zijn veel klappen~ 260 20, 9 | u niet bevorderlijk zal zijn, en daar is menige gave 261 20, 13| ontvangen hebt niet bevorderlijk zijn, en desgelijks ook van een 262 20, 13| van een nijdige, vanwege zijn behoeftigheid, want zijn 263 20, 13| zijn behoeftigheid, want zijn ogen zien, om voor een veel 264 20, 14| en veel verwijten, en zal zijn mond open doen als een uitroeper.~ 265 20, 19| ongeschikten zal hij gedurig zijn.~ 266 20, 21| vanwege gebrek, en wordt in zijn rust niet doorprikkeld.~ 267 20, 22| 22 Menigeen verliest zijn leven door schaamte, en 268 20, 23| 23 Menigeen belooft zijn vriend uit schaamte, en 269 20, 26| van een leugenachtig mens zijn hem een oneer, en zijn schande 270 20, 26| mens zijn hem een oneer, en zijn schande is steeds bij hem.~ 271 20, 28| 28 Die zijn land bouwt, verhoogt zijn 272 20, 28| zijn land bouwt, verhoogt zijn hoop, en die de groten behaagt, 273 20, 28| groten behaagt, verzoent zijn misdaad.~ 274 20, 31| 31 Een mens die zijn dwaasheid verbergt, is beter 275 20, 31| is beter dan een mens die zijn wijsheid verbergt; beter 276 20, 31| zonder Here een bestuurder te zijn van zijn eigen leven.~ ~ 277 20, 31| een bestuurder te zijn van zijn eigen leven.~ ~ 278 21, 3 | 3 Haar tanden zijn leeuwentanden, en doden 279 21, 6 | gaat uit de mond tot aan zijn oren, en zijn oordeel komt 280 21, 6 | mond tot aan zijn oren, en zijn oordeel komt haastig.~ 281 21, 9 | 9 Wie zijn huis met geld van andere 282 21, 9 | vergadert tot een tombe op zijn graf.~ 283 21, 12| bewaart, die heerst over zijn gedachten.~ 284 21, 15| worden als een watervloed, en zijn raad gelijk een zuivere 285 21, 18| enhij werpt het achter zijn rug.~ 286 21, 20| gezocht, en elkeen overdenkt zijn woorden in zijn hart.~ 287 21, 20| overdenkt zijn woorden in zijn hart.~ 288 21, 23| 23 Een dwaas verheft zijn stem in het lachen, maar 289 21, 28| woorden der voorzichtigen zijn op de waag gewogen.~ 290 21, 30| vervloekt, zo vervloekt hij zijn eigen ziel.~ 291 21, 31| 31 Een oorblazer besmet zijn eigen ziel, en waar hij 292 22, 1 | ieder schuift hem weg om zijn oneer.~ 293 22, 4 | voorzichtige dochter zal erfgenaam zijn van haar man, maar een die 294 22, 15| bezoedeld wordt, als hij zijn vuilheid uitschudt.~ 295 22, 16| zult niet verluieren in zijn zinneloosheid.~ 296 22, 18| zout en een klomp ijzer zijn lichter om te dragen, dan 297 22, 24| die jaagt ze weg, en wie zijn vriend scheldt, die maakt 298 22, 27| trouw jegens uw naaste in zijn armoede; opdat gij u verheugen 299 22, 28| blijf bij hem, opdat gij zijn erfdeel moogt erven, want 300 22, 30| mij niet schamen, en voor zijn aangezicht zal ik mij niet 301 23, 3 | voor degenen die mij tegen zijn, en mijn vijand over mij 302 23, 6 | zij bewaart, die zal in zijn lippen niet gevangen worden.~ 303 23, 7 | 7 De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid gevat 304 23, 10| ongerechtigheid, en de gesel zal van zijn huis niet wijken.~ 305 23, 11| 11 Indien hij mishandelt, zijn zonde is op hem, en indien 306 23, 12| gerechtvaardigd worden, want zijn huis zal vervuld worden 307 23, 14| deze dingen zullen verre zijn van de godvrezende, en zij 308 23, 22| niet aflaten totdat hij zijn einde neemt.~ 309 23, 23| Een mens die aftreedt van zijn bed, zegt bij zichzelf: 310 23, 24| gedenken, en de ogen der mensen zijn alleen zijn vrees;~ 311 23, 24| ogen der mensen zijn alleen zijn vrees;~ 312 23, 25| tienduizend maal klaarder zijn den de zon.~ 313 23, 27| geweest; zo ook, nadat ze zijn voleindigd, doorziet hij 314 24, 2 | in tegenwoordigheid van zijn kracht, zeggende:~ 315 24, 7 | iemands erfenis te huis te zijn.~ 316 24, 9 | Jeruzalem zult gij erfgenaam zijn.~ 317 24, 10| heilige tabernakel heb ik in zijn tegenwoordigheid gediend;~ 318 24, 12| het deel des Heren, dat is zijn erfdeel.~ 319 24, 18| terpentijnboom, en mijn takken zijn heerlijk en aangenaam.~ 320 24, 19| voortgebracht, en mijn bloemen zijn een vrucht der heerlijkheid 321 24, 27| vervult alle dingen met zijn wijsheid, gelijk de Pison, 322 24, 31| 31 Want meer dan de zee zijn haar gedachten vermenigvuldigd, 323 25, 7 | degenen die verheerlijkt zijn, bedachtzaamheid en raad!~ 324 25, 10| mens die verheugd wordt aan zijn kinderen, terwijl hij nog 325 25, 22| 22 In het midden van zijn naasten zal haar man aanzitten 326 25, 28| haar man niet troost in zijn benauwdheid, die maakt trage 327 26, 4 | een vrolijk aangezicht en zijn blijmoedig.~ 328 26, 6 | iemand opgemaakt, al deze zijn bezwaarlijker dan de dood.~ 329 26, 14| en haar wetenschap maakt zijn benen vet.~ 330 26, 19| zilveren voetstukken, zo zijn ook haar schone voeten aan 331 26, 28| zijner jaren zal dubbel zijn.~ 332 26, 29| in zeden gelijk is, zal zijn leven in de oproeren des 333 27, 1 | middelmatige zaak, en die zoekt zijn goed te vermeerderen, zal 334 27, 1 | goed te vermeerderen, zal zijn oog afwenden.~ 335 27, 3 | des Heren houdt, zo zal zijn huis haastig omgekeerd worden.~ 336 27, 4 | des mensen vuiligheid in zijn uitspraak.~ 337 27, 5 | de mens wordt beproefd in zijn samenspreking.~ 338 27, 16| openbaart, die verliest zijn geloof, en zal geen vriend 339 27, 16| geen vriend vinden naar zijn hart.~ 340 27, 18| 18 Maar indien gij zijn heimelijke zaken zoudt geopenbaard 341 27, 19| Want gelijkerwijs een mens zijn vijand verliest, zo heeft 342 27, 19| vijand verliest, zo heeft hij zijn naaste verloren.~ 343 27, 22| heimelijke zaken openbaart, heeft zijn geloof verloren.~ 344 27, 24| 24 Voor uw ogen zal zijn mond zoet spreken, en hij 345 27, 26| werpt, die werpt hem op zijn eigen hoofd; zo maakt ook 346 27, 30| haat en toorn en dergelijke zijn gruwelen, en een zon daar 347 28, 1 | wraak vinden, en hij zal zijn zonden zeker bewaren.~ 348 28, 4 | hem gelijk is, en bidt om zijn zonden.~ 349 28, 5 | behoudt vijandschap en wie zal zijn zonden verzoenen?~ 350 28, 7 | vijandschap tegen uw naaste tot zijn verderf en dood, maar blijf 351 28, 8 | Allerhoogsten, en overzie zijn onwetendheid.~ 352 28, 11| de mens is, hoe sterker zijn gramschap is; en hoe rijker 353 28, 11| de mens is, hoe meer hij zijn toorn verheft.~ 354 28, 20| 20 Velen zijn gevallen door de scherpte 355 28, 20| zo velen als er gevallen zijn door de tong.~ 356 28, 23| ijzeren juk, en haar banden zijn metalen banden.~ 357 29, 1 | barmhartigheid oefent, die leent zijn naaste en wie hem sterkt 358 29, 1 | naaste en wie hem sterkt met zijn hand, die houdt de geboden.~ 359 29, 5 | als hij ontvangt, kust hij zijn naastens handen, en om des 360 29, 5 | naasten geld vernedert hij zijn stem.~ 361 29, 6 | uit, en geeft reden van zijn zorgeloosheid en wijt het 362 29, 8 | zo berooft hij hem van zijn geld, en maakt hem tot een 363 29, 12| gebod, en keer u niet af van zijn behoeftigheid.~ 364 29, 14| en hij zal u voordeliger zijn dan goud.~ 365 29, 17| 17 Een goed man zal voor zijn naaste borg worden, maar 366 29, 18| geworden is, want hij heeft zijn ziel voor u gesteld.~ 367 29, 20| en een onnut mens zal in zijn. gedachten verlaten degene, 368 29, 22| die onder vreemde volken zijn gaan dwalen.~ 369 29, 32| 32 Deze dingen zijn zwaar voor een die verstand 370 30, 1 | 1 DIE zijn zoon liefheeft, die zal 371 30, 2 | 2 Wie zijn zoon tuchtigt, zal over 372 30, 3 | 3 Wie zijn zoon leert, die zal zijn 373 30, 3 | zijn zoon leert, die zal zijn vijand tot jaloersheid verwekken 374 30, 3 | zal hij over hem vrolijk zijn.~ 375 30, 4 | 4 Is zijn vader gestorven, zo is het 376 30, 5 | 5 In zijn leven zag hij hem, en was 377 30, 5 | over hem verheugd, en in zijn dood was hij niet bedroefd.~ 378 30, 6 | vrienden weder dankbaar zal zijn.~ 379 30, 7 | 7 Wie zijn zoon afstrijkt, die verbindt 380 30, 7 | afstrijkt, die verbindt zijn wonden, en op elk roepen 381 30, 7 | en op elk roepen worden zijn ingewanden ontroerd.~ 382 30, 11| in de jeugd, en overzie zijn onwetend heden niet.~ 383 30, 12| 12 Buig hem zijn hals in de jeugd, en breek 384 30, 12| hals in de jeugd, en breek zijn lendenen, terwijl hij nog 385 30, 13| opdat gij u niet stoot aan zijn ongeregeldheid.~ 386 30, 14| beter dan een rijke die aan zijn lichaam geslagen is.~ 387 30, 15| Gezondheid en welgesteld te zijn van lichaam, is beter dan 388 30, 18| goederen bij een gesloten mond zijn gelijk spijsgerechten bij 389 30, 22| heid des mans verlengt hem zijn dagen.~ 390 31, 1 | verdwijnen, en daarover bekommerd zijn, vermindert de slaap.~ 391 31, 3 | heeft, vult hij zich op met zijn lekkernijen.~ 392 31, 4 | arme bemoeit zichzelf als zijn leeftocht vermindert, en 393 31, 5 | gerechtvaardigd worden; en wie zijn verderving najaagt, deze 394 31, 6 | 6 Velen zijn gebonden geworden om des 395 31, 9 | wonderlijke dingen gedaan onder zijn volk.~ 396 31, 10| volmaakt bevonden? en hij zal zijn tot een roem. Wie heeft 397 31, 11| 11 Daarom zullen zijn goederen bevestigd worden, 398 31, 11| worden, en de gemeente zal zijn aalmoezen vertellen.~ 399 31, 21| is; en hij hijgt niet op zijn bed, hij heeft een gezonde 400 31, 21| morgens vroeg weder op, en zijn vernuft is bij hem.~ 401 31, 29| hovaardigen als zij dronken zijn.~ 402 31, 34| des onwijzen vermeerdert zijn gramschap tot aanstoot, 403 31, 35| en veracht hem niet in zijn verheuging.~ 404 32, 3 | en als gij zult geprezen zijn, zo rust, opdat gij van 405 32, 10| gelijk, en waar oude lieden zijn, heb niet veel gekakel.~ 406 32, 14| en u dronken maakt van zijn goederen.~ 407 32, 15| de Here vreest, die zal zijn onderwijzing aannemen, en 408 32, 18| de bestraffing, en naar zijn wil vindt hij uit hetgeen 409 32, 24| let op het gebod, en wie zijn betrouwen op hem zet, die 410 33, 5 | het rad aan een wagen, en zijn overlegging is gelijk een 411 33, 8 | 8 Zij zijn in de kennis des Heren onderscheiden, 412 33, 11| Evenwel heeft hen de Here door zijn grote wetenschap onderscheiden, 413 33, 13| 13 Zij zijn in zijn hand gelijk het 414 33, 13| 13 Zij zijn in zijn hand gelijk het leem eens 415 33, 13| leem eens pottenbakkers, al zijn wegen zijn naar zijn welbehagen.~ 416 33, 13| pottenbakkers, al zijn wegen zijn naar zijn welbehagen.~ 417 33, 13| al zijn wegen zijn naar zijn welbehagen.~ 418 33, 14| dat hij hen vergelde naar zijn oordeel.~ 419 33, 15| werken des Allerhoogsten, zij zijn alle twee, het een tegen 420 33, 25| laat hem de handen ledig zijn, en hij zal vrijheid zoeken.~ 421 33, 26| de pijnbank en pijniging zijn voor een kwade huisknecht.~ 422 33, 29| gehoorzaam is, verzwaar zijn boeien, doch wees niet te 423 34, 5 | vogelgeschrei, en dromen zijn ijdele dingen, waarvan uw 424 34, 6 | door de Allerhoogste u niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, 425 34, 7 | en die daarop hoop ten, zijn gevallen.~ 426 34, 15| vervaard wezen, want hij is zijn hoop.~ 427 34, 16| wie houdt hij, en wie is zijn steunsel?~ 428 34, 21| in tegenwoordigheid van zijn vader, die een slachtoffer 429 34, 23| 23 Hij doodt zijn naaste, die hem zijn leeftocht 430 34, 23| doodt zijn naaste, die hem zijn leeftocht afneemt.~ 431 34, 27| nuttigheid heeft hij van zijn wassing?~ 432 34, 28| een mens die vast vanwege zijn zonden, en weder heengaat 433 34, 28| hetzelfde doet; wie zal zijn gebed verhoren? en wat is 434 35, 17| zal aangenomen worden, en zijn gebed zal tot aan de wolken 435 35, 19| machtige zal niet lankmoedig zijn over hen, totdat hij de 436 35, 21| hij de mens vergelde naar zijn handelingen, en de werken 437 35, 22| geoordeeld het recht van zijn volk, en hen doen verheugen 438 35, 22| en hen doen verheugen in zijn barmhartigheid.~ 439 36, 17| beginne af uw bezittingen zijn, en verwek profeten in uw 440 37, 4 | 4 Een metgezel leeft met zijn vriend in verheuging, en 441 37, 4 | verdrukking zal hij hem tegen zijn.~ 442 37, 5 | Een metgezel arbeidt met zijn vriend om des buiks wil, 443 37, 8 | die raad geeft, verheft zijn raad, maar menigeen geeft 444 37, 9 | raadgever, en verneem eerst wat zijn behoefte is, want hij zal 445 37, 20| onderwijzer van velen, en hij is zijn ziel niet nut.~ 446 37, 23| zichzelf, en de vruchten van zijn verstand in zijn mond zijn 447 37, 23| vruchten van zijn verstand in zijn mond zijn prijzenswaardig.~ 448 37, 23| zijn verstand in zijn mond zijn prijzenswaardig.~ 449 37, 24| Een wijs man onderwijst zijn eigen volk, en de vruchten 450 37, 24| volk, en de vruchten van zijn verstand zijn gewis.~ 451 37, 24| vruchten van zijn verstand zijn gewis.~ 452 37, 26| maar de dagen van Israël zijn ontelbaar.~ 453 37, 27| heerlijkheid beërven onder zijn volk, en zijn naam zal in 454 37, 27| beërven onder zijn volk, en zijn naam zal in eeuwigheid blijven.~ 455 37, 29| 29 Want alle dingen zijn allen niet nut, en ieder 456 37, 32| Door de onverzadelijkheid zijn er velen gestorven, maar 457 37, 32| maar die daarop let zal zijn leven verlengen.~ ~ 458 38, 3 | van de geneesheer verhoogt zijn hoofd, en bij de groten 459 38, 5 | geworden van een hout, opdat zijn kracht door de mens zou 460 38, 6 | wetenschap gegeven, om in zijn wonderen verheerlijkt te 461 38, 7 | heelt hij de mens en neemt zijn krankheid weg.~ 462 38, 8 | apotheker mengt ze ondereen, en zijn werken hebben geen einde, 463 38, 16| geleden hebt; doch omwind zijn lichaam naar behoren, en 464 38, 16| naar behoren, en veracht zijn begrafenis niet.~ 465 38, 18| 18 En, maak de rouw naar zijn waardigheid, een dag of 466 38, 23| want zo zal ook het uwe zijn; mij gisteren en u heden.~ 467 38, 24| de dode rust, zo laat ook zijn gedachtenis rusten, en troost 468 38, 24| troost u over hem, wanneer zijn geest uitgegaan is.~ 469 38, 25| wie verzuimachtig is in zijn handeling, die zal niet 470 38, 27| 27 Deze zal zijn hart begeven om voren te 471 38, 28| nacht gelijk de dag met zijn werk doorbrengt.~ 472 38, 30| 30 Zulk een begeeft zijn hart om de schilderij na 473 38, 31| damp van het vuur versmelt zijn vlees, en hij heeft met 474 38, 32| en het aanbeeld vernieuwt zijn oor, en zijn ogen zijn tegenover 475 38, 32| aanbeeld vernieuwt zijn oor, en zijn ogen zijn tegenover de gelijkenis 476 38, 32| vernieuwt zijn oor, en zijn ogen zijn tegenover de gelijkenis 477 38, 33| 33 Deze begeeft zijn hart om zijn werken te voleinden, 478 38, 33| Deze begeeft zijn hart om zijn werken te voleinden, en 479 38, 33| wanneer zij voleindigd zijn.~ 480 38, 34| een pottenbakker zit op zijn werk, en drijft met zijn 481 38, 34| zijn werk, en drijft met zijn voeten het wiel om; welke 482 38, 34| welke altijd bezorgd is over zijn werk, en al zijn arbeid 483 38, 34| is over zijn werk, en al zijn arbeid heeft zijn getal.~ 484 38, 34| en al zijn arbeid heeft zijn getal.~ 485 38, 35| 35 Met zijn arm geeft hij het leem een 486 38, 35| leem een gestalte, en voor zijn voeten buigt hij zijn hardheid.~ 487 38, 35| voor zijn voeten buigt hij zijn hardheid.~ 488 38, 36| 36 Hij begeeft zijn hart daartoe wat hij wel 489 38, 37| en elk is verstandig in zijn werk.~ 490 38, 41| wijs behalve degene die zijn ziel daartoe begeeft, en 491 38, 41| daartoe begeeft, en die zijn betrachting heeft in de 492 39, 6 | 6 Hij begeeft zijn hart tot de Here, om vroeg 493 39, 7 | 7 En doet zijn mond open tot het gebed, 494 39, 7 | het gebed, en smeekt voor zijn zonden.~ 495 39, 9 | een regen uitgieten, en in zijn gebed dankt hij de Here.~ 496 39, 10| 10 Hij maakt zijn raadslag en wetenschap recht, 497 39, 10| wetenschap recht, en overlegt zijn verborgen dingen.~ 498 39, 12| 12 Velen zullen zijn verstand prijzen, en dat 499 39, 13| 13 Zijn gedachtenis zal niet vergaan, 500 39, 13| gedachtenis zal niet vergaan, en zijn naam zal leven tot in alle


1-500 | 501-692

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License