Chapter, Verse
1 7, 20| geen kwaad die getrouw zijn werk doet, noch de huurling die
2 7, 25| uit, en gij zult een groot werk volbracht hebben; en geef
3 9, 21| der kunstenaren zal een werk geprezen worden, en een
4 10, 29| wijs te zijn als gij uw werk doet, en poch niet in de
5 11, 20| daarin, en word oud doende uw werk.~
6 13, 5 | bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stel len, maar indien gij
7 14, 20| 20 Alle werk, dat verrotting onderworpen
8 21, 10| der goddelozen is gelijk werk dat bijeen vergaderd is,
9 22, 6 | ter rechter tijd is een werk van wijsheid.~
10 30, 13| Onderwijs uw zoon, en maak uw werk van hem, opdat gij u niet
11 32, 7 | smaragd op een gulden stuk werk.~
12 33, 24| spijs, en tuchtiging, en werk.~
13 33, 27| 27 Drijf hem tot het i werk, opdat hij niet ledig ga,
14 33, 28| 28 Stel hem aan het werk, gelijk hem betaamt.~
15 37, 12| noch met een luie over enig werk; noch met een huurling,
16 37, 12| over de voleinding van het werk, noch met een trage huisknecht
17 37, 17| 17 Het begin van het werk is de rede, en beraadslaging
18 38, 28| nacht gelijk de dag met zijn werk doorbrengt.~
19 38, 29| daarover blijft om verscheiden werk te maken.~
20 38, 30| te maken, en waakt om het werk te voleinden.~
21 38, 34| pottenbakker zit op zijn werk, en drijft met zijn voeten
22 38, 34| altijd bezorgd is over zijn werk, en al zijn arbeid heeft
23 38, 37| elk is verstandig in zijn werk.~
24 42, 19| op alle dingen, en haar werk is vol van de heerlijkheid
25 43, 2 | wonderlijk instrument, een werk des Allerhoogsten.~
26 45, 12| hemelsblauwe en purperen rok, het werk van een borduurwerker; met
27 45, 13| zegel in goud ingevat, een werk des graveerders; waarin
28 51, 24| heb gedacht om haar in het werk te stellen, en te beijveren
29 51, 38| 38 Werkt uw werk voor de tijd, en hij zal
|